Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:86

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
17/02511
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1328
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging doodslag door echtgenote in slaapkamer o.m. met mes in hoofd, nek en borst te steken of te snijden, een kussen op haar neus en mond te plaatsen waardoor zij geen lucht meer kon krijgen en haar met kracht in haar gezicht te slaan, art. 287 Sr. 1. Klacht m.b.t. afwijzing verzoek tot het horen van aangeefster als getuige i.v.m. onderbouwing alternatief scenario dat zij het feit in scène zou hebben gezet. 2. Klacht m.b.t. afwijzing verzoek tot nader deskundigenonderzoek naar in de slaapkamer aangetroffen bloed. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/02511

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 mei 2017, nummer 20/001873-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vijf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.