Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:857

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
19-06-2019
Zaaknummer
17/01267
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:153
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:1719, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen gewoontewitwassen van o.m. geldbedragen en auto’s (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). Opvragen door politie van inkomensgegevens bij Belastingdienst o.g.v. Handhavingsconvenant regio IJsselland. Staat opvragen van gegevens o.b.v. convenant op gespannen voet met art. 126nd Sv? Verweer en middel berusten op de - in zijn algemeenheid onjuiste - opvatting dat het opvragen van inkomensgegevens van verdachte bij Belastingdienst door politie, mede o.g.v. welke gegevens verdenking is ontstaan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, bij uitsluiting dient te geschieden door aanwending van bevoegdheid van art. 126nd Sv. Belastingdienst is o.g.v. art. 67.2 AWR jo. art. 43c.1.m. UR AWR 1994 bevoegd tot verstrekken aan daar genoemde andere bestuursorganen - waaronder politie - van o.m. gegevens die nodig zijn om samenwerking i.h.k.v. integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen v.zv. daartoe convenant als het onderhavige met die bestuursorganen is gesloten. Politie mag zich die gegevens - al dan niet op haar verzoek - doen verstrekken. Voor uitoefening van deze bevoegdheid is het bestaan van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit niet vereist. Evenmin staat het bestaan van zo een vermoeden aan die uitoefening in de weg. Volgt verwerping. Samenhang met 17/01266 en 17/01268.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-06-2019
FutD 2019-1643
RvdW 2019/758
NBSTRAF 2019/217 met annotatie van Dölle, F.T.C.
Module Privacy en AVG 2019/1902
JBP 2019/72
SR-Updates.nl 2019-0274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/01267

Datum 18 juni 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 1 maart 2017, nummer 24/002639-11, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel komt op tegen de verwerping van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat het oordeel van het Hof dat het door de politie op basis van het ‘Handhavingsconvenant regio IJsselland’ opvragen van inkomensgegevens bij de Belastingdienst niet op gespannen voet staat met art. 126nd Sv, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 24 augustus 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader(s) (telkens)

- één of meer geldbedrag(en) (te weten een bedrag van 2.000 euro ten behoeve [A] en/of een bedrag van 6.320 euro ten behoeve van [B] en/of

- een bedrag van 1.782,85 euro ten behoeve van [C] en/of

- een bedrag van 2.050 euro ten behoeve van [D] en/of

- een bedrag van 632,30 euro ten behoeve van [E] en/of

- een bedrag van 906 euro ten behoeve van [F] en/of

- een bedrag van 588,90 euro ten behoeve van de [G] ) en/of

- twee, althans één of meer auto(’s), (te weten een Opel Corsa met [kenteken 1] , en/of een Volkswagen Golf met [kenteken 2] ), en/of

- twee, althans één of meer, jetski(’s) (te weten een Jetski Seadoo met registratienummer [0001] , en/of Jetski Seadoo, met registratienummer [0002] ), en/of

- een blokhut, en/of

- twee, althans één of meer, fiets(en) (merk Batavus, type Glamorous stadsfiets RB), en/of

- meer laptops (merk Toshiba, type Satellite P300-1FY en/of eMachines, type G525),

voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten dat die/dat geldbedrag(en) en/of die auto(’s) en/of die jetski(’s) en/of die blokhut en/of die fietsen en/of die laptop(s) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.”

2.3

Het Hof heeft het in het middel bedoelde door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Beroep op bewijsuitsluiting

Allereerst is de vraag aan de orde of ten aanzien van verdachte sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Uit het dossier blijkt dat over verdachte in de periode van januari 2009 tot en met september 2010 verschillende keren als betrouwbaar aangemerkte CIE-informatie beschikbaar is gekomen. Uit deze informatie bleek dat verdachte zich bezig zou houden met de handel in hennep. Uit de gegevens van de RDW bleek dat verdachte van 2000 tot 2008 doorlopend één of meerdere kentekens van auto's en bromfietsen op zijn naam had staan. Daarnaast had hij een jetski op naam staan. Ook de vrouw van verdachte, medeverdachte De Witte, had een auto op haar naam staan. Deze auto was nieuw gekocht in 2008. Ook heeft zij enige tijd een Volkswagen Golf op naam gehad. De politie heeft vervolgens inkomensgegevens van verdachte, zijn vrouw en zijn thuiswonende zoon, [medeverdachte 3] , opgevraagd bij de belastingdienst. De informatie bij de belastingdienst is opgevraagd op grond van het convenant met de werktitel 'Handhavingsconvenant regio IJsselland' zoals dit gold van 1 juni 2010 tot en met 31 december 2014. Op basis van bovenstaande gegevens is de verdenking ontstaan dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

De verdediging heeft, kort gezegd, betoogd dat de gegevens van verdachte afkomstig van de belastingdienst onrechtmatig zijn verkregen nu het convenant daarvoor als grondslag is gebruikt. Daarmee is artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering omzeild. Voorts heeft de raadsman betoogd dat het convenant in strijd is met artikel 1 van de Grondwet, nu dit convenant is gesloten om bepaalde groepen burgers (woonwagenbewoners en allochtonen) zonder veel vormen te controleren en eventuele strafbare feiten zonder al te veel rompslomp op te sporen. Er is derhalve sprake van een vormverzuim. Dit vormverzuim zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de gegevens die bij de belastingdienst zijn vergaard en al hetgeen daaruit is voortgevloeid, zodat onvoldoende bewijs overblijft om tot een bewezenverklaring te komen en verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer.

Artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt als volgt:

(...)

Art. 43c Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt, voor zover van belang, als volgt:

(...)

Als partijen bij het Handhavingsconvenant regio IJsselland worden genoemd een groot aantal gemeenten, regiopolitie IJsselland, arrondissementsparket Zwolle-Lelystad en de belastingdienst. Er wordt gesproken van “gegevensuitwisseling”. Er moet hierbij onder meer gedacht worden aan NAW-gegevens en gegevens over inkomen en uitkeringen. Het hof stelt vast dat het Handhavingsconvenant regio IJsselland een convenant is als bedoeld in artikel 43c, eerste lid, onder m van de Uitvoeringsregeling. Naar het oordeel van het hof heeft het verschaffen van informatie door de belastingdienst zijn basis in dit Handhavingsconvenant kunnen vinden.

Het opvragen van de gegevens op basis van het convenant staat niet op gespannen voet met artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, temeer daar tegen verdachte ten tijde van het opvragen van de gegevens bij de belastingdienst nog geen verdenking van een misdrijf bestond.

In verband met de vraag of het convenant in strijd is met artikel 1 van de Grondwet, heeft het hof ter zitting op 15 februari 2017 twee getuigen gehoord. In de eerste plaats is de heer Neijman, ambtenaar van de belastingdienst, gehoord. Hij is betrokken geweest bij het opstellen van het Handhavingsconvenant regio IJsselland. Voorts is de heer Bolt, financieel specialist bij de politie eenheid Noord-Nederland, gehoord. Hij was als financieel rechercheur betrokken bij het onderzoek tegen verdachte. Uit deze getuigenverhoren is het hof niet gebleken dat het convenant discriminatoire werking en/of uitwerking had. De heer Neijman gaf aan dat het convenant juist bedoeld was om gelijkheid tussen burgers te bevorderden door gaten in de handhaving te dichten. De heer Bolt heeft verklaard dat het convenant werd toegepast in het kader van de ‘patser-aanpak’ en bij ongebruikelijk bezit, en dus niet alleen werd toegepast ten aanzien van woonwagenbewoners en allochtonen.

Een en ander brengt met zich dat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een vormverzuim.”

2.4

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang.

- Art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR):

“1. Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990 (geheimhoudingsplicht).

2. De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:

a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;

b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;

c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.

3. In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.”

- Art. 43c (oud) Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (hierna:UR AWR 1994):

“1. De geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, artikel 67, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en artikel 10, eerste lid, van de Registratie-wet 1970, geldt niet voor verstrekking aan de hierna genoemde bestuursorganen voor zover het betreft de hierna genoemde gegevens ten behoeve van de hierna genoemde publiekrechtelijke taak:

(...)

m. gemeenten, provincies, de politie, de officier van justitie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Koninklijke marechaussee, de Arbeidsinspectie, de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: gegevens die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen voor zover een convenant is gesloten met deze bestuursorganen (convenanten waarbij bestuursorganen een gemeenschappelijk handhavingstekort bestrijden)

(...)

2. De in het eerste lid bedoelde gegevens worden verstrekt op verzoek van het betreffende bestuursorgaan.

(...)”

- Art. 126nd, eerste lid, Sv:

“In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.”

2.5.1

De regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735M tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 2009, 20549) houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder meer het volgende in:

“ARTIKEL VII

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

(...)

G

Artikel 43c, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

(...)

5. In onderdeel m vervalt de zinsnede ‘bij handhavingsknelpunten’.

(...)

TOELICHTING

(...)

Artikel VII, onderdeel G (artikel 43c van de Uitvoeringregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

(...)

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel m

De omschrijving van artikel 43c, eerste lid, onderdeel m, wordt aangepast. Destijds is de onderhavige omschrijving opgenomen om fiscale informatie te kunnen verstrekken aan samenwerkingsverbanden die integraal bestuurlijk toezicht tot doel hebben. In eerste instantie ging het voornamelijk om de bestuurlijke aanpak van handhavingsknelpunten (waaronder de zogenoemde vrijplaatsen). Inmiddels zijn er meer samenwerkingsverbanden die voor het integraal bestuurlijk toezicht fiscale informatie nodig hebben. Het betreft de onlangs gestarte Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC), waarin de verschillende regiokantoren van de Belastingdienst participeren. De term ‘handhavingsknelpunten’ is te beperkend om dit soort samenwerkingsverbanden onder de werking van onderdeel m te kunnen brengen. Daarom wordt de omschrijving aangepast.”

2.5.2

De regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 23 december 2010, nr. DB 2010/281M tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen, van enige overige uitvoeringsregelingen en van de Wet op de accijns (Stcrt. 2010, 21111) houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder meer het volgende in:

“ARTIKEL XXII

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

(...)

G

Artikel 43c wordt als volgt gewijzigd:

(...)

12. In het eerste lid, onderdeel m, vervalt de zinsnede ‘(convenanten waarbij bestuursorganen een gemeenschappelijk handhavingstekort bestrijden)’.

(...)

TOELICHTING

(...)

De wijziging van artikel 43c, eerste lid, onderdeel m, van de UR AWR 1994 betreft een herstel naar aanleiding van de aanpassing van dit onderdeel in de regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 17 december 2009, nr. DB 2009-735 M tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 20549). De term handhavingsknelpunten is in genoemd besluit verwijderd in verband met de introductie van de zogenoemde Regionale Informatie en Expertise Centra. Abusievelijk was de omschrijving tussen haakjes in genoemd onderdeel m hier niet op aangepast. Dat gebeurt nu alsnog.

Voor alle duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat 43c, eerste lid, onderdeel m, van de UR AWR 1994 wordt toegepast bij de uitvoering van de aldaar genoemde samenwerkingsconvenanten en niet in situaties waarin de gegevensverstrekking primair strafvorderlijk is ingegeven.”

2.5.3

Het ‘Handhavingsconvenant regio IJsselland’, zoals dit gold van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014, houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“IN AANMERKING NEMENDE DAT:

Binnen de deelnemende gemeenten kunnen locaties en/of subjecten zijn waar een effectief overheidsoptreden wordt belemmerd, leidend tot een maatschappelijk ongewenste situatie en waarbij aanwijzingen bestaan voor het aanwezig zijn van (fiscale) fraude. De belemmering van effectief overheidsoptreden betreft soms een bestaande of vermeende dreiging, soms een sociaal-culturele hindernis.

OVERWEGENDE DAT:

De convenantpartners wensen samen te werken door met een integrale overheidsaanpak een einde te maken aan maatschappelijk ongewenste ontwikkelingen, mede ter verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

1. Wat betreft de gemeenten IJsselland:

• Het bestrijden van de overlast en de illegale/onrechtmatige praktijken als gevolg van handelen en/of nalaten van de doelgroep waarop de samenwerking gericht is.

• Bestuurlijke handhaving, doelmatiger en doeltreffender maken.

• Het handhaven en bevorderen van de openbare orde en veiligheid van de bewoners en omwonenden.

2. Wat betreft de regiopolitie IJsselland en het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad:

• Het bestrijden van de criminaliteit en handhaven van de openbare orde bij de doelgroep waarop de samenwerking gericht is.

• Strafrechtelijke handhaving, doelmatiger en doeltreffender maken.

3. Wat betreft de Belastingdienst:

• Het optreden gebaseerd op de fiscale regelgeving en de douanetaken bij de doelgroep waarop de samenwerking gericht is, gericht op bestuurlijke handhaving, doelmatiger en doeltreffender maken.

• Het optreden gebaseerd op de fiscale regelgeving en de douanetaken bij de doelgroep waarop de samenwerking gericht is, gericht op strafrechtelijke handhaving door de FIOD-ECD, doelmatiger en doeltreffender maken.

(...)

Artikel 2 Opzet van de samenwerking

1. Het in onderling overleg en wederzijdse afstemming richting geven aan de samenwerking door middel van het inventariseren van probleemlocaties en/of -groepen, het bij elkaar brengen van gerichte handhavingsactiviteiten, en het brengen van samenhang hierin.

2. Het genereren en analyseren van informatie over de doelgroep die nodig is met het oog op het realiseren van de hierboven omschreven doelstelling(en).

3. Het onderling uitwisselen van de informatie die nodig is om de samenwerking en de integrale aanpak effectief en efficiënt te laten verlopen en die beheerd wordt door ieder der partijen.

4. In voorkomende gevallen tussen gemeenten uitwisselen van capaciteit en expertise in concrete handhavingsactiviteiten.

(...)

Artikel 4 Informatie-uitwisseling

De convenantpartners verplichten zich over en weer met inachtneming van de wettelijke bepalingen die informatie te verstrekken die nodig is om de samenwerking effectief en efficiënt te laten verlopen.

• De politie is daarbij in ieder geval gehouden aan de Wet politiegegevens en het Besluit politiegegevens.

• Het Openbaar Ministerie is daarbij gehouden aan de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en vanaf 1 november 2004 aan de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden.

• De gemeente is daarbij in ieder geval gehouden aan de Wet bescherming persoonsgegevens.

• De Belastingdienst is daarbij in ieder geval gehouden aan de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Algemene wet bestuursrecht, de Invorderingswet 1990, de Wet bescherming persoonsgegevens.

• De FIOD-ECD is daarbij bovendien gehouden aan de Wet politiegegevens.

Binnen de hiervoor genoemde wettelijke kaders zal de gegevensuitwisseling en de aanwending van de verkregen gegevens uitsluitend plaatsvinden ten behoeve van een goede vervulling van de publieke taak van de diverse partijen.

Het Openbaar Ministerie zal daarbij in iedere afzonderlijke concrete zaak een afweging maken omtrent het al dan niet verstrekken van informatie op basis van een voldoende gemotiveerd verzoek.

Niet uitputtend kan aan de volgende informatie worden gedacht:

NAW gegevens, verblijftitels, locatiegegevens, gegevens over rechtsvorm en andere ondernemingsgegevens, gegevens over inkomen en uitkeringen, gegevens over ondernemingswinst en vermogen, gegevens over belastingen, gegevens over zakelijke zekerheidsrechten, gegevens over financieringen, gegevens over vastgoed, gegevens over schenkingen en erfenissen, gegevens over vergunningen, gegevens over subsidies, gegevens over notariële akten, gegevens uit administratiefrechtelijke onderzoeken, gegevens uit processen verbaal, gegevens uit vonnissen en arresten, gegevens uit opsporingsonderzoeken, gegevens over overtredingen en misdrijven.

Met in achtneming van het voorgaande maken partijen in de projectgroepen nadere afspraken over de wijze van verstrekking van informatie en over de waarborgen waaronder dit gebeurt.

Artikel 5 Geheimhouding/privacy

De gegevens worden uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. Gegevens worden zonder schriftelijke toestemming van de verstrekker niet overgedragen of ter beschikking gesteld van niet convenantpartners en zijn niet raadpleegbaar voor niet convenantpartners. Hiervan is uitgezonderd informatieoverdracht waartoe in wetten verplichtingen zijn opgenomen. Geheimhoudingsvoorschriften in wet- en regelgeving van de convenantpartners worden in acht genomen.

Het gestelde hieromtrent in respectievelijk de Wet politiegegevens, het Besluit politiegegevens, de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Algemene wet bestuursrecht de Invorderingswet 1990 zal daarbij in acht worden genomen.

(...)”

2.6

Verweer en middel berusten op de opvatting dat het opvragen van inkomensgegevens van de verdachte bij de Belastingdienst door de politie, mede op grond van welke gegevens de verdenking is ontstaan dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen, bij uitsluiting dient te geschieden door aanwending van de bevoegdheid van art. 126nd Sv. Deze opvatting is in zijn algemeenheid onjuist. Op grond van art. 67, tweede lid, AWR in verbinding met art. 43c, eerste lid onder m, UR AWR 1994 is immers de Belastingdienst bevoegd tot het verstrekken aan daar genoemde andere bestuursorganen - waaronder de politie - van onder meer de gegevens die nodig zijn om de samenwerking in het kader van de integrale toepassing en handhaving van overheidsregelingen effectief en efficiënt te laten verlopen voor zover daartoe een convenant als het onderhavige met die bestuursorganen is gesloten, en mag de politie zich die gegevens - al dan niet op haar verzoek - doen verstrekken. Voor de uitoefening van vorenstaande bevoegdheid is het bestaan van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit niet vereist. Evenmin staat het bestaan van zo een vermoeden aan die uitoefening in de weg.

2.7

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.8

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis, belopen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.