Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:834

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
17/03206
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:429
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:2856, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Moord op vriend en zakenpartner (art. 289 Sr) en verbranding stoffelijk overschot in loods (art. 157.1 Sr) in Maastricht in 2012. Overschrijding redelijke termijn in e.a en in h.b. Kon Hof volstaan met constatering dat sprake is van overschrijding van redelijke termijn? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. duur redelijke termijn in geval verdachte in voorlopige hechtenis verkeert. Hof heeft geoordeeld dat aan overschrijding van redelijke termijn geen consequenties behoeven te worden verbonden en hierbij kennelijk tot uitgangspunt genomen dat periode voor redelijke termijn in e.a. en in h.b. telkens 2 jaren bedraagt. In aanmerking genomen dat verdachte - naar uit aan HR gezonden stukken blijkt - zich voor deze zaak in voorlopige hechtenis bevindt, is dat uitgangspunt niet juist. HR vermindert opgelegde gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1330
RvdW 2019/684
TPWS 2019/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 mei 2019

Strafkamer

nr. S 17/03206

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2017, nummer 20/000313-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en I.N. Weski, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het vierde en het vijfde middel

3.1.

Het vierde middel klaagt over 's Hofs oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de fase van zowel eerste aanleg als hoger beroep.

3.2.

Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

"Het hof heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf tot slot rekening gehouden met de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze redelijke termijn is in deze zaak aangevangen op 16 december 2012, de dag waarop verdachte ter zake van de onderhavige feiten is aangehouden.

De rechtbank heeft eerst op 27 januari 2015 vonnis gewezen. De rechtbank is derhalve niet binnen twee jaar na het aanvangstijdstip van de redelijke termijn tot een einduitspraak gekomen. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg bedraagt ongeveer 6 weken.

Verdachte heeft op 27 januari 2015 (de Hoge Raad leest: 28 januari 2015) hoger beroep ingesteld, terwijl het hof arrest wijst op 26 juni 2017. Ook in hoger beroep is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn en wel van ongeveer 5 maanden.

Gelet op de omvang en de complexiteit van de zaak, het aantal onderzoekswensen van de verdediging en de relatief zeer geringe overschrijding van de redelijke termijn, in eerste aanleg, in hoger beroep en in totaliteit, zal het hof hieraan geen consequentie verbinden, maar volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep is geschonden.

Alles afwegende zal het hof een gevangenisstraf van 24 jaren opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht."

3.3.

Vooropgesteld moet worden dat indien, zoals hier het geval is, de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, bij de berechting van de zaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM indien de behandeling van de zaak ter terechtzitting niet binnen zestien maanden na de aanvang van de redelijke termijn respectievelijk het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.14-3.16).

3.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat aan de overschrijding van de redelijke termijn geen consequenties behoeven te worden verbonden. Hierbij heeft het Hof kennelijk tot uitgangspunt genomen dat de periode voor de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep telkens twee jaren bedraagt. In aanmerking genomen dat de verdachte – naar uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt – zich voor deze zaak in voorlopige hechtenis bevindt, is dat uitgangspunt niet juist. Het middel klaagt daarover terecht.

3.5.

Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.6.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in
art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

3.7.

Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 23 jaren en 3 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2019.