Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:829

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
17/06043
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:307
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:10871, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Dood door schuld in de zin van roekeloosheid (meermalen gepleegd) door op Vinkeveense Plassen - in het donker, met forse overschrijding van maximumsnelheid en onder invloed - met zijn speedboot sloep met 4 opvarenden te overvaren ten gevolge waarvan 2 van hen zijn overleden, art. 307.2 Sr. 1. Schuld in de zin van roekeloosheid? 2. Schriftuur b.p.’s. B.p.’s ontvankelijk in hun vorderingen wat betreft post gederfd levensonderhoud? 3. Schriftuur b.p.’s. Legeskosten en notariskosten toewijsbaar als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108.2 BW?

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:960 m.b.t. art. 175.2.a WVW 1994 t.a.v. roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm, waarvan alleen in uitzonderlijke gevallen sprake is en motiveringsplicht van rechter. V.zv. middel klaagt dat ’s Hofs motivering t.a.v. zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid tekortschiet, nu door Hof vastgestelde omstandigheden niet toereikend zijn voor oordeel dat verdachte ‘roekeloos’ in de zin van art. 307 Sr heeft gevaren, faalt het. Daarbij neemt HR in aanmerking dat uit door Hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat Hof i.h.b. acht heeft geslagen op samenstel van gedragingen van verdachte. Dat samenstel bestaat hieruit dat verdachte als bestuurder van grote en zware speedboot die geen verlichting voerde, in het donker terwijl verdachte ermee rekening had behoren te houden dat het die avond op het water drukker zou zijn dan anders a.g.v. o.m. aantal evenementen, in plané en met mede daardoor beperkt gezichtsveld heeft gevaren in richting van doorgang tussen enkele recreatie-eilandjes, met snelheid van tenminste 39 kilometer per uur - en daarmee met aanzienlijke overschrijding van ter plaatse geldende maximumsnelheid van 6 kilometer per uur -, dit terwijl verdachte ongeveer 3 keer toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken en hij weinig ervaring had met varen in het donker. Daarbij is verdachte, met die hoge snelheid in die juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang, over (verlichting voerende) sloep van slachtoffers heengevaren. Aldus heeft Hof toereikend in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier uitzonderlijk geval in hiervoor bedoelde zin voordoet.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793, v.zv. inhoudende art. 361.3 Sv strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring van vordering b.p. verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van vordering onderscheidelijk tot verweer tegen vordering kunnen aanvoeren en daarvan bewijs te leveren. Opvatting dat ECLI:NL:HR:2006:AV2654 zijn betekenis heeft verloren doordat criterium van art. 361.3 Sv is gewijzigd t.o.v. het t.t.v. wijzen van dat arrest geldende criterium, is onjuist, mede gelet op nog steeds bestaande, hiervoor omschreven verplichting voor strafrechter.

Ad 3. Hof heeft vastgesteld dat legeskosten en notariskosten strekten ter afwikkeling van nalatenschap van overledene. Hof heeft daarop zijn oordeel gebaseerd dat die kosten niet als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108.2 BW toewijsbaar zijn. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat legeskosten en notariskosten niet in rechtstreeks verband staan met begraven van overledene.

Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/168
NJB 2019/1326
RvdW 2019/675
NBSTRAF 2019/186
TPWS 2019/93
SR-Updates.nl 2019-0249
NJ 2019/359 met annotatie van W.H. Vellinga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/06043

Datum 28 mei 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 11 december 2017, nummer 21/002094-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft R. Korver, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij [benadeelde 5] heeft E. Huls, advocaat te Leiden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadslieden van de verdachte hebben verweerschriften ingediend.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vijfde namens de verdachte voorgestelde middel

2.1

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van roekeloosheid.

2.2.1

Overeenkomstig het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is, voor zover in cassatie van belang, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij op 02 augustus 2014 op de Vinkeveense Plassen te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, door roekeloos

als bestuurder van een motorboot,

na voorafgaand gebruik van alcoholhoudende drank en

terwijl hij geen verlichting voerde terwijl het donker was en

terwijl hij een aantal dicht op elkaar liggende recreatie-eilandjes naderde

met een zeer hoge snelheid waardoor de motorboot in plané kwam over de Vinkeveense Plassen heeft gevaren, in ieder geval met een snelheid hoger dan de ter plaatse toegestane 6 km/uur,

waardoor verdachte een eveneens op die Vinkeveense Plassen aanwezige verlichting voerende sloep met vier opvarenden waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet heeft gezien, ten gevolge waarvan verdachte met die motorboot in aanvaring is gekomen met die sloep en twee van de opvarenden van die sloep,

waardoor het aan de schuld van verdachte te wijten is geweest dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn geraakt door (de schroef van) de motorboot en zodanig letsel hebben bekomen dat zij aan de gevolgen daarvan zijn overleden.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

“3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op pagina 880-881 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [benadeelde 4] :

Op 2 augustus 2014 omstreeks 22.30 uur waren wij met z’n vieren aan het varen op de Vinkeveense Plassen. Die vieren waren ikzelf, [benadeelde 6] uit Amersfoort, [slachtoffer 1] uit Leusden en [slachtoffer 2] uit Leusden. Wij voeren op een sloep. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten achter het stuur, volgens mij stuurde [slachtoffer 1] . [benadeelde 6] zat vlakbij de punt. Ik zat halverwege. Onze boot was verlicht. Het was een felle witte lamp. Wij voeren gewoon rustig over het water. Op een gegeven moment hoorde ik [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] roepen. Volgens mij was dat [slachtoffer 2] . Hij riep: ‘kijk uit!’ Ik keek achterom en zag een boot op ons afkomen. De boot kwam voor mijn gevoel heel hard aanvaren. De boot kwam op de voorzijde af. Ik dook weg en merkte op een of andere manier dat de boot recht over onze boot heen kwam. Daarna zag ik dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet veel leven vertoonden. Van de boot die ons aangevaren heeft kan ik niets vertellen. Volgens mij was het een grote speedboot. Ik heb geen licht op die boot gezien.

(...)

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op pagina 913 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [benadeelde 6] :

Vanmiddag zijn wij, [benadeelde 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en ik vanuit Amersfoort naar de Vinkeveense Plassen gereden. Omstreeks 22.15 uur gingen wij nog een stukje varen. Ter hoogte van eiland 8 ging het mis. Ik zat samen met [benadeelde 4] voor in de boot. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zaten achterin bij het stuur. Op een gegeven moment riep volgens mij [slachtoffer 2] : ‘kijk uit!’ Ik keek naar voren en zag dat er een boot met hoge snelheid recht op ons af voer. De boot voerde geen verlichting. De boot voer recht over ons heen. Na de aanvaring was het een ravage. Ik zag [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] liggen. Ik heb toen direct om hulp geschreeuwd.

(...)

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 1101 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 2 augustus 2014 omstreeks 23.00 uur kreeg ik via de meldkamer de melding dat er zojuist een aanvaring had plaatsgevonden op de Vinkeveense Plassen, gemeente De Ronde Venen, waar twee dodelijke slachtoffers bij waren gevallen. Tevens hoorde ik dat één van de betrokken vaartuigen de plaats van de aanvaring had verlaten. Signalement vaartuig: ongeveer 7 à 8 meter lang. Het vaartuig zou een luxe vaartuig zijn, vermoedelijk voorzien van gelakt mahoniehout. Het vaartuig zou aan de voorzijde schade moeten hebben. Op 3 augustus 2014 omstreeks 5.10 uur bevond ik mij aan de achterzijde van de [a-straat 1] gemeente Ronde Venen. Bij één van de woonarken zag ik een vaartuig liggen welke voldeed aan bovenstaand signalement. Ik zag dat dit vaartuig aan de voorzijde verse schade had en voorzien was van registratienummer [001] .

(...)

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal reconstructie vaarongeval (als bijlage op de pagina’s 1415, 1428-1434 en 1439-1442 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

p. 1415

Vaartuig 1

Soort: Open speedboot met een voorverblijf

Materiaal romp: Hout

Lengte: 8,15 m.

Breedte: 2,72 m.

Voortstuwing: Twee verbrandingsmotoren die elk een z.g. ‘heckdrive’ aandrijven. Beide heckdrives zijn voorzien van twee contra roterende propellers (‘duoprops’).

Vaartuig 2

Soort: Open motorsloep

Materiaal romp: Kunststof

Lengte: 6,15 m.

Breedte: 2,28 m.

Voortstuwing: Eén verbrandingsmotor die een scheepsschroef aandrijft.

p. 1428-1434

De schades zijn door mij, [verbalisant 1] , geïnterpreteerd. Beide vaartuigen hadden tegengestelde koersen tijdens de afwikkeling van het ongeval. Vermoedelijk is de voorsteven van vaartuig 1 in aanraking gekomen met de scheepshuid van vaartuig 2 ter hoogte van schade 12. De doorlopende beschadiging in de zitbank van vaartuig 2 is veroorzaakt door een scherp voorwerp met een naar beneden gerichte kracht. De enige scherpe delen van het onderwaterschip van vaartuig 1 zijn de staartstukken van de heckdrives. Omdat de bakboord heckdrive buiten de romp van vaartuig 2 is gebleven, is de doorlopende beschadiging kennelijk veroorzaakt door de stuurboord heckdrive. De voorsteven van vaartuig 1 is bij de botsing kennelijk de romp van vaartuig 2 binnengetreden ter hoogte van schade 12. De voorsteven is vervolgens in contact geweest met de binnenkuip van vaartuig 2 en heeft de binnenkuip verlaten ongeveer ter hoogte van de scheef staande bolder.

Op 16 oktober 2014 werden vaarproeven uitgevoerd. Deze vaarproeven hadden tot doel om de snelheid van vaartuig 1 vast te stellen op het moment van de botsing alsmede het zicht dat de schipper had op het wateroppervlak vóór vaartuig 1. Vaartuig 1 was beschikbaar voor het uitvoeren van vaarproeven. Vaartuig 2 was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Het onderzoeksteam heeft een vervangende boot gehuurd waarmee de vaarproeven konden worden uitgevoerd. Met vaartuig 1 werden 25 vaarproeven gehouden. Met vaartuig 2 werden zes vaarproeven gehouden.

p. 1439-1442

Bij beide vaartuigen is de hoogte van het punt van eerste impact afhankelijk van de snelheid. Op het moment van eerste aanraking waren beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar. Daarom is er een verband tussen de snelheid van beide vaartuigen. Omdat de snelheid van vaartuig 2 ten tijde van het ongeval niet bekend is, kan de snelheid van vaartuig 1 niet expliciet worden vastgesteld. Uit de meetgegevens van de vaarproeven zijn bepaalde snelheden van vaartuig 1 wel uit te sluiten. Bij het bepalen van de mogelijke gevaren snelheid van vaartuig 1, direct voor het ongeval, is rekening gehouden met:

- de aard van de geconstateerde schades aan beide vaartuigen;

- de afwikkeling van de aanvaring;

- de vaareigenschappen als gevolg van verschillende trimstanden van vaartuig 1.

Als bekend is wat de snelheid van vaartuig 2 was, kan de snelheid van vaartuig 1 worden afgeleid uit de volgende tabel:

Vaartuig 2 Vaartuig 1

Run nr. Snelheid Run nr. Snelheid

km/u km/u

1 6 22, 23, 24, 25 61-68

2 9 22, 23, 24, 25 61-68

3 11 22, 23, 24 61-67

4 13 20, 21, 22, 23, 24 50-66

5 15 16, 17, 21 39-59

6 16 16, 17 39-50

Als niet bekend is wat de snelheid was van vaartuig 2 direct voorafgaande aan het ongeval, kan de snelheid van vaartuig 1 hebben gelegen tussen 39 en 68 km/u.

Met medewerking van verdachte stelden wij de plaats vast van het oogpunt van de verdachte nadat hij op verschillende manieren plaats had genomen als bestuurder van vaartuig 1:

- zittend op de zitting van de bestuurdersstoel

- zittend op de opgeklapte zitting van de bestuurdersstoel

- staand, op de vloer van de kuip, achter het roer.

Conclusie:

Als de bestuurder zit op de zitting van de bestuurdersstoel dan heeft hij in het geheel geen zicht op het wateroppervlak vóór het vaartuig (oneindig dode hoek). Als de bestuurder zit op de opgeklapte zitting dan is de grootste afstand voor het vaartuig dat hij niet kan overzien: minimaal ongeveer 14 meter en maximaal ongeveer 51 meter. Als de bestuurder staat dan is de grootste afstand voor het vaartuig dat hij niet kan overzien: minimaal ongeveer 10 meter en maximaal ongeveer 23 meter.

(...)

14. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een brief van P. Limburg van 15 november 2017 aan R. Korver, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Ik ben ambtenaar crisisbeheersing en openbare orde afdeling concernstaf & concerncontroller, Gemeente De Ronde Venen. Op zaterdag 2 augustus 2014 werd het evenement Rondje Eilanden georganiseerd. Bijna 700 deelnemers hebben zwemmend en lopend een parcours afgelegd dat startte op eiland 1 en via de eilanden 2 tot en met 12 terug naar eiland 1 liep. De sporters zwommen tussen de eilanden en liepen vervolgens over het eiland naar de volgende oversteekplaats. De organisatie zorgde dat de zwemmers werden beveiligd tijdens het overzwemmen. Dit werden gedaan door vrijwilligers die met boten de vaarwegen vrijhielden. Na afloop van dit evenement werd op eiland 1 een grote barbecue georganiseerd. Dit duurde tot 21.00 uur waarna de deelnemers en vrijwilligers deze locatie verlieten. Dit waren veel boten die terug zijn gegaan naar hun jachthavens of hun woningen. Op zaterdag 2 augustus 2014 werd in Amsterdam de Gay Parade gehouden. Veel mensen uit Vinkeveen gaan met hun boot vanaf de plas naar Amsterdam. Dan gebruikt men de route via de Proostdijersluis naar Ouderkerk aan de Amstel en zo richting de binnenstad. Vanwege het gegeven dat dit evenement aan het begin van de avond is afgelopen, is besloten om die avond alle bruggen in de vaarroute tot 22.00 uur te laten bedienen en dit gold ook voor de Proostdijersluis. Hiermee wordt het mogelijk gemaakt om terug te kunnen keren naar de Vinkeveense Plassen. In de loop van de avond zorgt dit voor extra vaarbewegingen op de plas. Normaal gesproken stopt de sluisbediening namelijk om 20.00 uur in de zomerperiode. Ik ben onder andere verantwoordelijk voor de vergunningverlening van evenementen. In dit kader voer ik controles uit op de naleving van vergunningsvoorschriften en bezoek ik evenementen. Op zaterdag 2 augustus 2014 heb ik gevaren op de Vinkeveense Plassen. Ik heb de hele dag en avond, met kleine pauzes, varend doorgebracht. Ik heb gezien dat het druk was zowel met varende boten maar ook dat langs de oevers van de recreatie-eilanden veel boten waren afgemeerd. Er waren veel meer dan gemiddeld mensen op en rond de plassen aanwezig. Dat had te maken met het mooie weer maar ook met evenement Rondje Eilanden en de vakantieperiode. Ik heb veel mensen gesproken die zich beklaagden over het feit dat zij niet overal konden afmeren vanwege de vele toeristen van elders. Er komen ieder weekend mensen naar de eilanden die uit de omgeving komen of hun boten in de jachthavens hebben liggen. Zij maken dan gebruik van bepaalde favoriete plekken. Door drukte ontstaat dan de situatie dat zij niet op ‘hun’ plaats op een bepaald eiland kunnen gaan liggen. Ik heb gezien dat met name op eiland 8 sprake was van veel mensen en dat langs alle oevers boten lagen en er nog weinig open ruimtes waren. Ik heb tussen 21.00 een 22.15 uur nog een ronde gevaren en gezien dat er veel boten waren met namen van hun gemeenten die niet uit de directe omgeving kwamen. Het was een zeer mooie zomeravond. Het was windstil en een fijne temperatuur. Het was een heldere avond. Gemiddeld zijn er maar 4 of 5 van dit soort avonden in een seizoen.

15. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op de pagina 1141-1142 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Het planeren, ook wel glijden of scheren genoemd met een vaartuig, is als een vaartuig niet door maar over het water vaart. Een vaartuig planeert en komt dan gedeeltelijk uit het water, wanneer het dankzij een bereikte relatieve grote snelheid niet alleen door de hydrostatische kracht van het water wordt gedragen, maar ook door de dynamische krachten van het snel langs de romp stromende water. Het gewicht van het verplaatste water is dan kleiner dan het gewicht van het vaartuig. Het is ons, verbalisanten, door ervaring bekend, dat een snelle motorboot, ongeacht grootte/gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 kilometer per uur. Bij het in plané komen van een vaartuig, tot het in plané varen, komt het voorschip ervan omhoog, waardoor het uitzicht tijdelijk wordt beperkt. Op het gedeelte van de Vinkeveense Plassen waar de aanvaring plaatsvond wordt veelvuldig gerecreëerd. Langs de eilanden liggen diverse jachten van recreanten afgemeerd. Gezien het tijdstip van de aanvaring is te verwachten dat er vaartuigen rondvaren al of niet verlicht. Volgens artikel 2 van het Besluit Motorschepen Vinkeveense Plassen 2000 is het verboden om alhier met een motorschip met een grotere snelheid dan 6 kilometer per uur te varen van zonsondergang, maar altijd na 22.00 uur, tot zonsopgang.

16. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op de pagina 576-577 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Op 3 augustus 2014 omstreeks 08.54 uur heeft de hoofdagent van politie Midden-Nederland de verdachte [verdachte] bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 27 lid 2 onder a van de Scheepvaartverkeerswet. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Aan de verdachte is aanstonds medegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 60 mg/l bedroeg.

17. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut ‘herberekening ademalcoholgehalte’ (als bijlage op pagina 583-584 van het proces-verbaal genummerd 2014212616), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Uit de ontvangen informatie blijkt het volgende:

- het vastgestelde ademalcoholgehalte is 60 microgram/liter.

- de datum en het tijdstip van het voorval is 2 augustus 22.40 uur.

- de datum en het tijdstip van de ademanalyse is 3 augustus 8.59 uur.

- het tijdsverloop tussen het voorval en de ademanalyse betreft 10,3 uren.

Vraagstelling: wat is het bloed alcoholgehalte indien gecorrigeerd wordt voor het tijdsverloop tussen tijdstip van voorval en het tijdstip van ademanalyse?

Toelichting:

Door het lichaam wordt de opgenomen alcohol omgezet en daarnaast voor een gering deel uitgescheiden. Deze omzetting en uitscheiding vindt plaats met een snelheid, die individueel verschillend is en in verreweg de meeste gevallen gelegen is tussen de grenzen 0,10 en 0,25 mg alcohol per ml bloed per uur. Tussen het bloed- en het ademalcoholgehalte bestaat een numeriek verband; de zogenaamde omrekeningsfactor.

Resultaten en conclusie:

Uitgaande van het vastgestelde ademalcoholgehalte van 60 microgram/liter wordt het bijbehorende bloedalcoholgehalte berekend op (60x2300)/1.000.000 = 0,14 milligram/milliliter bloed. Op grond van de bovengenoemde gegevens en rekening houdende met vertraagde afbraak in lage concentraties wordt de afname van het bloedalcoholgehalte in de vermelde tijdsduur (10,3 uren) geschat op ongeveer 1,3 tot 2,5 milligram per milliliter. Hieruit volgt dat het bloedalcoholgehalte op het tijdstip van het voorval dan ongeveer gelegen zal hebben tussen 1,4 en 2,6 milligram per milliliter.

(...)

19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (als bijlage op de pagina 621-627 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

I = Interviewer

G = Gehoorde

I: Eh Dance Valley.

G: Ja.

I: Heb je daar alcohol genuttigd?

G: Ja.

I: Teruggereden naar de boot zeg maar.

G: Ja.

I: En dan aan boord gegaan.

G: Ja.

I: Waar was dat precies?

G: Naast de ark. Waar de boot lag.

I: En hoe ver is het varen naar [A] ?

G: Kwartiertje denk ik.

I: En hoe laat zijn jullie daar aangekomen?

G: Dat schat ik dus, half negen, negen uur. Zoiets.

I: Bij [A] .

G: Ja.

I: Gezeten, gegeten, gedronken.

G: Ja.

I: Wie zaten in de boot en waar zaten ze.

G: [betrokkene 7] en [betrokkene 8] . Die zaten op de achterbank in de boot. En ik zat op het stoeltje ervoor.

I: Oké, dus toen jullie weggingen zat jij achter het roer.

G: Ja.

I: En toen ben je weggevaren. Hoe was het weer?

G: Goed donker.

I: Hoe heb je je positie bepaald?

G: Ja, je ziet eilanden opdoemen.

I: Zijn er überhaupt verlichte tonnen op dat water?

G: Nee.

I: Oké, dus dan is in het donker best wel lastig, denk ik?

G: Is het ook.

I: Hoe hoog was de snelheid?

G: Toen we eruit zijn gevaren gewoon stationair op het eerste stuk. En op een gegeven moment ja, ging de discussie van, kan hij ook wat harder? En dat heb ik inderdaad eh, heb ik mij even over laten halen.

I: Wat weet jij je te herinneren van het ongeval?

G: Op een gegeven moment heb ik een klap gehoord. Ik heb inderdaad eventjes het gas teruggenomen.

I: Waar is het gebeurd?

G: Eh ja, dat heb ik gehoord tussen eiland 8 en eh...

I: Oh dat weetje niet precies?

G: Nee precies niet.

I: Dat besef heb je niet waar dat gebeurd is?

G: Nee in het donker niet.

I: Je bent ergens overheen gevaren. En je bent gewoon doorgevaren. Of ben je nog gestopt? Heb je nog gedraaid?

G: Nee, ik ben niet gedraaid.

I: Je bent niet gestopt? Je hebt geen rondje gemaakt?

G: Nee.

(...)

21. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 maart 2016 van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Op 2 augustus 2014 zijn wij rond 22.30 uur teruggevaren vanaf restaurant [A] naar mijn woonark op de Vinkeveense Plassen. Op de terugweg hoorden we tussen eiland 7 en 8 een knal of een klap. Ik heb het gas meteen teruggenomen. [betrokkene 7] was gevallen. Ik heb de boot stilgelegd en wij hebben haar overeind geholpen. Vervolgens heb ik mijn boot in de versnelling gezet en zijn we weggevaren. Ik wist dat je daar maximaal 6 km/u mocht varen. Terug vanaf [A] heb ik niet gedronken. U vraagt mij of ik in plané richting de doorgang van de eilanden voer. Ja. 6 km/u is heel erg langzaam. We hebben ietsjes gas bijgegeven. Dat is gebeurd en dat kan ik niet terugdraaien. U vraagt mij naar de klap. Ik heb die gehoord en gevoeld. We kwamen achter eiland 7 te liggen. Ik begrijp uit het dossier dat de aanvaring tussen eiland 7 en 8 gebeurd is. Ik voer daar vaker. Ik voer niet vaak ’s nachts. U vraagt mij of ik wist dat sprake was van een grote dode hoek. Ja. U vraagt mij of mijn boot in aanvaring is gekomen met de sloep. Ja. Mijn boot weegt meer dan 3000 kilogram. U vraagt mij of ik ook tussen de eilanden harder heb gevaren dan was toegestaan. Ja, we zullen dezelfde snelheid hebben gehad. Zowel heen als terug gingen we harder. U vraagt mij hoe lang ik heb stilgelegen na de klap. Ik denk een halve minuut tot een minuut.

22. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het gerechtshof d.d. 27 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik wist dat er sprake was van een grote dode hoek. U vraagt mij of ik niet extra voorzichtig had moeten zijn, omdat ik heb verklaard dat ik niet vaak ’s nachts voer. Ja, dat zou je moeten zijn maar dat is die avond niet gebeurd.

(...)

24. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor verdachte (als bijlage op de pagina 816-820 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 7] :

V: Hoe hard werd er gevaren?

A: We hebben een bocht gemaakt, dat ging niet hard. Toen we op de plas waren ging het harder.

V: Wat gebeurde er met de boot?

A: De punt ging iets omhoog, ik merkte dat het harder ging.

O: Je stond vlak voor de aanvaring en liep terug naar de bank, toen kwam de knal.

V: Als je het moet omschrijven, hoe ging dat met de klap?

A: Het was een hele grote punt, ik werd echt een soort van gelanceerd. De boot kwam uit het water en klapte weer op het water, daarom ben ik zo keihard gevallen.

V: Hoe was het zicht op de plas?

A: Op de heenweg zag je nog wel wat, maar op de terugweg was het heel erg donker.

V: Wanneer vind jij iemand dronken?

A: We hebben allemaal wel gedronken en op Dance Valley hebben we veel gedronken. Hij was niet zo dronken dat hij omviel, maar hij had wel veel gedronken. In de boot hadden we wijn, daar hebben we wel van gedronken, maar die is niet helemaal opgegaan. Maar hij had niet mogen varen.

V: [betrokkene 8] werd door anderen bij [A] omschreven als dronken?

A: Ja dat klopt, [betrokkene 8] was dronken. We waren allemaal dronken.

V: In hoeverre hebben [betrokkene 8] en [verdachte] nog met elkaar gepraat op de verdere terugweg?

A: [verdachte] heeft gezegd, ik zie allemaal boten bijeenkomen. [betrokkene 8] zat toen al achter me. [verdachte] heeft het wel gezien. Ik weet het zeker. Hij zei: ‘ik zie allemaal boten naar elkaar toe varen.’

V: Wat gebeurde er toen?

A: Toen zijn we naar huis gevaren. Ik weet dat [verdachte] meerdere keren achterom heeft gekeken.

(...)

28. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op de pagina 989 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 3] :

Ik was aan het varen op de Vinkeveense Plassen ter hoogte van eiland 8. Ik zag op het water een sloep varen welke verlichting voerde. Ik zag dat er een boot zonder verlichting met een enorme snelheid aan kwam varen. Ik hoorde hierna een enorme klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. Hierbij kwam de boot zonder verlichting volledig uit het water, klapte over de sloep en kwam daarna weer in het water terecht. Ik zag dat de boot zonder verlichting vervolgens stil kwam te liggen. Ik heb nog geroepen naar de mensen op de boot zonder verlichting en ik ben richting de boot zonder verlichting gevaren, maar deze kreeg zijn motor weer aan de praat en voer met hoge snelheid weg.

29. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 28 september 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 3] :

De persoon die getroffen werd had verlichting aan. Uit het bootje dat geraakt was hoorde ik iemand om hulp roepen. U vraagt mij of ik verlichting heb gezien toen de speedboot stil lag. Nee, hij had niets aan, geen bakboord, geen stuurboord, niets. De persoon die geraakt was had een wit rond achterlicht.

30. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op de pagina 1048-1050 van het proces-verbaal genummerd 2014212616) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :

Op die bewuste zaterdagavond, ik hoor u nu zeggen dat het 2 augustus 2014 was, bevond ik mij met mijn gezin op een motorkruiser op de Vinkeveense Plassen. Wij lagen afgemeerd aan eiland 8 aan de noordzijde. Tussen 22.30 uur en 22.45 uur hoorde ik een zwaar, brommend geluid van een boot. Op een gegeven moment zag ik de boot om de punt van het eiland komen. Ik zag dat de boot voor eiland 8 voer. Hij voer in de richting van de doorgang van eiland 7 en 8. Op het moment dat ik de boot zag naderen zag ik dat de boot in plané voer. Plané betekent voor mij dat de boot door de snelheid uit het water komt. Ik zag dat de boot schuin uit het water kwam. Ik heb zelf een rubberboot en die gaat ongeveer 47 kilometer per uur. De snelheid van deze boot lag beduidend hoger. Toen de boot naderde zag ik dat het een speedboot was. Ik zag dat deze speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag ik dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer. Ik zag dat dit sloepje licht voerde. Ik zag dat de speedboot met hoge snelheid op dit sloepje invoer. Ik hoorde een doffe klap, toename van motorgeluid alsof de schroeven van de motoren uit het water kwamen en daarna werd het doodstil. Ik hoorde mensen gillen. Ik hoorde: ‘help ons toch, help ons toch, kom alstublieft terug’. Terwijl ik tussen eiland 7 en 8 doorvoer zag ik daar de speedboot liggen. Op de plaats waar de speedboot vermoedelijk stil lag, kon ik vanuit mijn rubberbootje de sloep zien. Toen ik eenmaal de sloep aan de kant had en in de richting keek van de speedboot, zag ik dat deze er niet meer lag. Ook was hij niet teruggekeerd naar de sloep om hulp te verlenen.

31. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 1] :

Ik zag dat het half 11 geweest was. Ik hoorde dat geluid van zware motoren, iets wat aan kwam. Inderdaad kwam er een speedboot aan met hoge snelheid. We zeiden nog: wat onverantwoordelijk zo hard zonder verlichting.

32. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 7] :

U vraagt mij wat ik ’s avonds heb waargenomen. Ik hoorde een enorme zware, doffe klap. Wij zijn naar de punt van het eiland gelopen, het was een enorm geschreeuw daarna, het ging door merg en been: ‘help ons, help ons.’

33. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 5] :

Ik heb een zwart varend voertuig over het water zien schieten, wat heel snel ging.

Hij kwam voor ons vanaf de linkerkant en rechts zagen wij ook een bootje varen en dat ging zo ongelooflijk snel, het was een keiharde klap, ronkende motoren waarna daar de volledige paniek was uitgebroken. U, mr. Nooitgedagt, zegt mij dat ik heb verklaard dat een van de twee boten geen verlichting voerde. Ja, dat is de zwarte schim over het water. De andere boot had verlichting.

34. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 4] :

Het was avond. Op een gegeven moment zag ik een speedboot aan komen varen en toen zei ik nog: wat vaart hij hard en geen verlichting. Er was ook een sloep en op een gegeven moment hoorde ik geschreeuw van ‘he keek uit’ en toen boem een grote klap. Er was een hoop geschreeuw. De boot ging best wel hard, harder dan normaal is. Naar mijn mening was het rond de 50 kilometer per uur. U vraagt mij wat ik van de sloep heb gezien. Ik zag wel dat hij een lampje had.

35. Het proces-verbaal verhoor van getuige van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [getuige 2] :

Ik was op de avond van het ongeluk op eiland 8. ‘s Avonds hoorden we een boot aankomen zonder licht en hard varend. Hij kwam hard langs het eiland, de golven sloegen over het eiland heen. Ik zei tegen mijn vader: dat gaat straks fout. In een keer hoorden we een hele harde klap. We hoorden ineens geschreeuw om hulp. Er schoten bootjes op het water om te hulp te schieten. Toen we de sloep zagen was die total loss. De speedboot hebben we toen niet meer gezien. De speedboot is zeker in plané gegaan. De boot ligt dan op het water en dan heb je een hoge snelheid. Als hij in plané gaat hoor je de golven tegen de onderkant van de boot gaan. Als hij op een bepaalde snelheid komt, komt de boot op het water te liggen en dan hoor je het water tegen de onderkant aan klappen en dat hoorden wij op dat moment ook. Hij kwam met een noodgang voorbij, we hoorden de motor brullen, het water tegen de onderkant slaan en het water sloeg de kant op. Toen we bij het ongeval aankwamen was de boot nergens meer te bekennen. Op de sloep brandde verlichting.”

2.2.3

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:

“Oordeel hof

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 augustus 2014 is om 22.43 uur een melding binnengekomen bij de politie van een aanvaring tussen twee boten op de Vinkeveense Plassen. Ter plaatse werd een beschadigde sloep aangetroffen met daarin twee overleden personen, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Door de twee andere opvarenden van de sloep, [benadeelde 6] en [benadeelde 4] , is aangifte gedaan van poging tot doodslag. De speedboot die bij de aanvaring betrokken is geweest werd de volgende dag aangetroffen, aangemeerd bij een woonark aan de [a-straat 2] te Vinkeveen. De boot had verse schade aan de voorzijde. Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 augustus 2014 bestuurder is geweest van de speedboot. Hij heeft hiermee over de Vinkeveense Plassen gevaren. Op een gegeven moment hoorde hij een klap. Hij heeft het gas even teruggenomen, de boot heeft even stil gelegen en vervolgens zijn ze doorgevaren. Hij heeft een klap gevoeld onder zijn boot.

(...)

Ten aanzien van feit 1 en 2 subsidiair

Niet alleen bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid als bedoeld in artikel 175 lid 2 Wegenverkeerswet 1994, maar ook bij de vraag of sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 307 Wetboek van Strafrecht, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, komt het volgens de rechtspraak van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en van de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Het hof is van oordeel dat op grond van de volgende factoren het handelen van verdachte en het hem te maken verwijt als roekeloos moeten worden aangemerkt.

Snelheid speedboot

Verdachte heeft verklaard dat hij harder heeft gevaren dan de toegestane maximumsnelheid van 6 km/u en dat hij ook tussen de eilanden harder heeft gevaren dan is toegestaan. Door verbalisant [verbalisant 1] is een onderzoek ingesteld naar onder meer de vaarsnelheid van de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring. Om de snelheid vast te kunnen stellen zijn vaarproeven uitgevoerd. De sloep van de slachtoffers was dermate beschadigd dat deze niet meer kon worden gebruikt. Met een vervangende boot zijn 6 vaarproeven gehouden. Met de speedboot van verdachte zijn 25 vaarproeven gehouden. Uit het onderzoek komt naar voren dat er een verband is tussen de snelheid van beide vaartuigen, aangezien op het moment van eerste aanraking beide punten van eerste impact op gelijke hoogte van elkaar waren. Als niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring, kan de snelheid van de speedboot gelegen hebben tussen de 39 en 68 km/h (tabel p. 1439 dossier). Aangezien niet bekend is wat de snelheid was van de sloep op het moment van de aanvaring gaat het hof ervan uit dat verdachte minimaal 39 km/h moet hebben gevaren op het moment van de aanvaring. Aangezien een snelle motorboot, ongeacht grootte of gewicht, begint te planeren vanaf een snelheid van ongeveer 20 km/h (p. 1141 dossier) heeft verdachte dus in plané gevaren op het moment van aanvaring. Dat verdachte zeer hard en in plané heeft gevaren wordt bevestigd door verschillende getuigen, onder wie getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Dat er ook anderen zijn die over de stand van de boot anders hebben verklaard, doet daaraan niet af.

De raadsman heeft aangevoerd dat het onderzoek van [verbalisant 1] niet voor het bewijs kan worden gebruikt aangezien bij de vaststelling van de snelheid niet is uitgegaan van de snelheid van de sloep. Volgens de raadsman komt uit het dossier naar voren dat de sloep een aanzienlijke snelheid heeft gehad, namelijk 15 km/u.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat uit het onderzoek van [verbalisant 1] volgt dat de exacte snelheid van de speedboot niet kan worden vastgesteld aangezien de snelheid van de sloep niet bekend is, maar dat in elk geval kan worden vastgesteld dat de snelheid van de speedboot tussen de 39 km/u en de 68 km/u heeft gelegen waarbij in het voordeel van verdachte wordt uitgegaan van de hoogste snelheid van de sloep (16 km/u), hetgeen neerkomt op een minimale snelheid van de speedboot van 39 km/u, ruim zes keer de maximum toegestane snelheid ter plaatse.

Verlichting speedboot en sloep

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij een sloep welke verlichting voerde op het water zag varen en dat er een boot zonder verlichting met enorme snelheid aan kwam varen. Hij hoorde een klap op het water en zag dat de boot zonder verlichting over de sloep met verlichting heen knalde. De persoon die getroffen werd had wel verlichting aan, een wit rond achterlicht. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij een speedboot aan zag komen varen en dat hij nog zei: ‘wat vaart hij hard en geen verlichting’. Hij zag dat de sloep een lampje had. Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij een zwart varend vaartuig over het water heen zag schieten. Rechts zag hij ook een bootje varen. De zwarte schim over het water voerde geen verlichting. De andere boot had verlichting. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat de speedboot geen verlichting voerde. Plotseling zag hij dat voor de boeg van de speedboot een sloepje voer en dat dit sloepje licht voerde. Toen de speedboot aan kwam met hoge snelheid zeiden ze volgens de getuige: ‘wat onverantwoord zo hard zonder verlichting’.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de speedboot van verdachte op het moment van de aanvaring geen verlichting voerde en dat de sloep van de slachtoffers wel verlichting voerde. Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte de verlichting als een ‘standaardhandeling’ tevoren zou hebben aangezet noch acht het hof aannemelijk dat de groene en blauwe navigatieverlichting waarover door sommige personen is gesproken betekent dat zijn boot wel verlichting voerde.

Alcoholgebruik

Verdachte heeft verklaard dat hij ’s middags twee glazen champagne heeft gedronken en ’s avonds bij restaurant [A] nog twee biertjes. Na de aanvaring heeft hij geen alcohol meer gedronken, aldus verdachte. Het hof overweegt dat het exacte alcoholgehalte bij verdachte ten tijde van de aanvaring niet meer kan worden vastgesteld. Met de rechtbank gaat het hof er echter vanuit dat verdachte veel meer heeft gedronken dan de hoeveelheid die hij zelf stelt te hebben gedronken, op grond van het volgende. Op 3 augustus 2014 om 08.54 uur is bij verdachte een ademanalyse afgenomen. Het resultaat hiervan bedroeg 60 mg/l. Het NFI heeft een herberekening gedaan van het ademalcoholgehalte. Het NFI heeft het volgende gerelateerd over de eliminatiesnelheid: ‘Door het lichaam wordt de opgenomen alcohol omgezet en daarnaast voor een gering deel uitgescheiden. Deze omzetting en uitscheiding vindt plaats met een snelheid, die individueel verschillend is en in verreweg de meeste gevallen gelegen is tussen de grenzen 0,10 en 0,25 mg alcohol per ml bloed per uur (...) Tussen het bloed- en het ademalcoholgehalte bestaat een numeriek verband; de zogenaamde omrekeningsfactor.’

Het NFI berekent het bloedalcoholgehalte, uitgaande van een ademalcoholgehalte van 60 mg/l, op 0,14 mg/ml bloed. Rekening houdend met vertraagde afbraak in lage concentraties wordt de afname van het bloedalcoholgehalte in de tijd tussen de aanvaring en de ademanalyse (10,3 uur) geschat op ongeveer 1,3 tot 2,5 milligram per milliliter. Hieruit volgt volgens het NFI dat het bloedalcoholgehalte op het tijdstip van de aanvaring ongeveer zal hebben gelegen tussen de 1,4 en 2,6 mg/ml.

Het hof gaat op grond van het bovenstaande, in het voordeel van verdachte, uit van een bloedalcoholgehalte van 1,4 mg/ml ten tijde van de aanvaring. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte na de aanvaring geen alcohol meer heeft gedronken, zoals hij zelf heeft verklaard.

De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de uitslag van het bloedonderzoek onbesproken heeft gelaten, terwijl daaruit naar voren is gekomen dat er geen alcohol is aangetroffen in het bloed van verdachte. Het hof overweegt hierover dat de ademanalyse, waaruit een resultaat van 60 mg/l naar voren is gekomen, heeft plaatsgevonden om 08.54 uur en dat het bloedonderzoek pas is uitgevoerd om 12.37 uur, derhalve ruim 3,5 uur na de ademanalyse, toen de restalcohol uit het bloed van verdachte was verdwenen. Dat verdachte wel had gedronken wordt onder meer bevestigd door de verklaring van [betrokkene 7] , een van de opvarenden van de speedboot, die verklaarde dat ze allemaal dronken, dan wel aangeschoten waren, dat ze op Dance Valley veel hadden gedronken en dat verdachte niet had mogen varen.

Roekeloosheid

Dat verdachte ter plekke minimaal 39 kilometer per uur heeft gevaren levert - zowel in aard, ernst als de overige omstandigheden - in verband met de grootte van de daardoor veroorzaakte gevaren een bijzonder ernstige gedraging op. Het gaat daarbij immers om ruim zes keer de maximum snelheid van 6 kilometer per uur. Die maximumsnelheid ter plekke - zowel overdag als bij nacht - was er natuurlijk niet voor niets. De hoogte van de maximumsnelheid - zo begrijpt het hof - houdt verband met de gevaren van zowel het varen bij nacht als van de relatieve engte van de doorgangen tussen de eilanden met hun begroeiing en bebouwing. De door verdachte gevaren bijzonder hoge snelheid maakt het zeer veel moeilijker voor verdachte als bestuurder om andere vaartuigen in de nabijheid tijdig te zien en zo nodig uit te wijken en voor bestuurders van andere vaartuigen om tijdig en adequaat te reageren, in het bijzonder als het donker is, zoals het op het tijdstip van de aanvaring was. Die hoge snelheid is niet - voor zover dat al mogelijk is - gecompenseerd door een bijzondere hoge mate van oplettendheid. Integendeel. Verdachte heeft immers de sloep niet gezien, zoals hij heeft verklaard. Dat heeft er echter niet aan gelegen dat de sloep niet verlicht was, want dat was de sloep wel. Het hof leidt daaruit af dat verdachte in hoge mate onoplettend, althans in hoge mate onachtzaam is geweest, terwijl zijn gezichtsveld aanzienlijk groter was dan wanneer hij op het punt stond in plané te gaan varen. Omgekeerd beroofde de grote snelheid van de speedboot de opvarenden van de sloep van elke mogelijkheid om tijdig te reageren, uit te wijken of zo nodig voorrang te verlenen. Dit effect werd nog versterkt doordat de speedboot geen verlichting voerde. Het was de combinatie van de hoge snelheid van de door verdachte bestuurde speedboot en de onoplettendheid, althans onachtzaamheid van verdachte die ertoe heeft geleid dat de speedboot in de juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang tussen de eilanden over de sloep heen is gevaren.

Het bijzonder ernstige verwijt dat verdachte op grond van het voorgaande reeds wordt gemaakt wordt nog vergroot door de omstandigheid dat verdachte onder invloed van een hoeveelheid alcohol verkeerde die ongeveer drie maal de maximaal toegestane hoeveelheid oplevert. Het hof heeft geen aanleiding te twijfelen aan de beschrijving van [betrokkene 7] dat ook verdachte aangeschoten dan wel dronken was.

Daar komt verder nog bij dat verdachte op die avond ermee rekening had behoren te houden:

- dat het op het water drukker zou zijn dan op andere momenten als gevolg van een aantal evenementen, de zomervakantie en het mooie weer,

- dat zijn speedboot verhoudingsgewijs groot en zwaar is en een groot vermogen heeft terwijl er aanzienlijk lichtere en minder snelle vaartuigen op het water of mensen in het water konden zijn,

- dat er verkeer van de kant kon komen waar de sloep vandaan kwam en - bij afwezigheid van een verplichting daartoe - zonder dat dit stuurboord zou houden,

- dat hij niet meer dan weinig ervaring had met het varen in het donker.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust had moeten zijn.

Op grond van al het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid (...).”

2.3

De tenlastelegging onder 1 subsidiair is toegesneden op art. 307 Sr. De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term ‘roekeloos’ moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 307, tweede lid, Sr.

2.4

Zoals de Hoge Raad in onder meer zijn arrest van 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960 heeft overwogen met betrekking tot art. 175, tweede lid aanhef en onder a, WVW 1994, geldt voor de schuldvorm ‘roekeloosheid’ dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat daarvan sprake is, waarbij het aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als ‘de zwaarste vorm van het culpoze delict’ wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder ‘roekeloos’ - in de betekenis van ‘onberaden’ - wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

2.5

Het Hof heeft zijn oordeel dat in dit geval sprake is van roekeloosheid voorzien van een motivering als hiervoor bedoeld.

2.6

Voor zover het middel klaagt dat die motivering tekortschiet nu de door het Hof vastgestelde omstandigheden niet toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte ‘roekeloos’ in de zin van art. 307 Sr heeft gevaren, faalt het. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de door het Hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat het Hof in het bijzonder acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van de verdachte. Dat samenstel bestaat, kort gezegd, hieruit dat de verdachte als bestuurder van een grote en zware speedboot die geen verlichting voerde, in het donker terwijl de verdachte ermee rekening had behoren te houden dat het die avond op het water drukker zou zijn dan anders als gevolg van onder meer een aantal evenementen, in plané en met een mede daardoor beperkt gezichtsveld heeft gevaren in de richting van een doorgang tussen enkele recreatie-eilandjes, met een snelheid van tenminste 39 kilometer per uur - en daarmee met aanzienlijke overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 6 kilometer per uur -, dit terwijl de verdachte ongeveer drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken en hij weinig ervaring had met varen in het donker. Daarbij is de verdachte, met die hoge snelheid in die juist tot extra alertheid en voorzichtigheid nopende doorgang, over de (verlichting voerende) sloep van de slachtoffers heengevaren.

Aldus heeft het Hof toereikend in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een uitzonderlijk geval in de hiervoor onder 2.4 bedoelde zin voordoet.

2.7

Het middel faalt.

3. Beoordeling van het eerste namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] ,
[benadeelde 2] en [benadeelde 3] voorgestelde middel

3.1

Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654, en mede op die grond heeft geoordeeld dat de benadeelde partijen gedeeltelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen wat betreft de post ‘gederfd levensonderhoud’, zodat zij hun vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

3.2

In het heden uitgesproken arrest in de zaak 17/02033, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

“Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in - kort gezegd - een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).

De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. (Vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654).”

3.3

De opvatting van het middel dat het zojuist genoemde arrest uit 2006 zijn betekenis heeft verloren doordat het criterium van art. 361, derde lid, Sv is gewijzigd ten opzichte van het ten tijde van het wijzen van dat arrest geldende criterium, is onjuist, mede gelet op de nog steeds bestaande, hiervoor omschreven verplichting voor de strafrechter. In zoverre faalt het middel.

4. Beoordeling van het derde namens de benadeelde partij [benadeelde 5] voorgestelde middel

4.1

Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de door de benadeelde partij gevorderde legeskosten en notariskosten niet als kosten van lijkbezorging in de zin van
art. 6:108, tweede lid, BW toewijsbaar zijn.

4.2.1

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2017 heeft de advocaat van de benadeelde partij aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de als bijlage II aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“1. De verdediging heeft op voorhand een schriftelijk standpunt ingenomen over de vordering van cliënte (pagina 9 en 10 van de conclusie van de verdediging), waarvan cliënte kennis heeft genomen. Namens cliënte wordt in het hiernavolgende gereageerd op de conclusie van de verdediging. Alvorens dit te doen, wordt nadrukkelijk naar voren gebracht dat cliënte het eerder namens haar ingediende standpunt handhaaft. Ook hetgeen namens haar reeds bij de Rechtbank is aangevoerd, wordt gehandhaafd. Nu een aantal zaken niet is betwist door de verdediging zal louter op die schadeposten worden gereageerd die de verdediging ter discussie heeft gesteld.

Kosten van lijkbezorging

(...) Verwezen wordt naar het eerder namens cliënte ingediende schriftelijke standpunt en met name naar de daarin gewezen jurisprudentie. (...)”

4.2.2

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich het hiervoor bedoelde schriftelijke standpunt van de benadeelde partij. Dit houdt omtrent de door de benadeelde partij gevorderde kosten van lijkbezorging in:

“De rechtbank heeft een bedrag toegewezen van € 4.391,--, te weten griffiekosten, nota Monuta en kosten grafmonument. De overige kosten kunnen volgens de rechtbank niet onder de noemer “lijkbezorging” worden gekwalificeerd en het restant wordt dan ook afgewezen.

Cliënte kan zich niet vinden in die motivering en meent dat de overige resterende posten wél als kosten van lijkbezorging kunnen worden gekwalificeerd. Wat houden die resterende posten in?

- Legeskosten gemeente Zaltbommel ad € 12,00

- Legeskosten gemeente Leusden ad € 12,50

- Nota notaris […] ivm afwikkelingskosten over 2014 ad € 4.671,21

- (...)

- Notaris […] kosten 2015 tot 1/11/2015 incl. BTW ad € 3.297.08

- Idem restant 2015 en 2016 tot algehele afwikkeling begroot op ad € 3.751,-- (...).

Resteert een bedrag van € 16.102,71. Cliënte verzoekt dit bedrag alsnog toe te wijzen.

Cliënte was op het moment dat haar vader plotseling overleed 18 jaar oud. Zoals uit haar spreekrecht in eerste aanleg blijkt, wist zij niet wat er allemaal op haar afkwam. Zij had als erfgenaam in die tijd deskundige bijstand nodig om het overlijden van haar vader te kunnen afwikkelen. Dit betreft niet slechts het verzorgen van de begrafenis en het regelen van een grafmonument. De legeskosten zijn kosten voor registratie van het overlijden van de vader van cliënte alsmede het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. De notaris heeft vervolgens werkzaamheden moeten verrichten om de nalatenschap af te kunnen wikkelen. Met name de hoge kosten die hiermee gepaard gingen, moesten op een of andere wijze met de erfenis worden verrekend, zo ook de kosten voor de begrafenis en het grafmonument. Die kosten komen wel degelijk voor toewijzing in aanmerking zoals blijkt uit de jurisprudentie.”

4.2.3

Het bestreden arrest houdt omtrent de door de benadeelde partij gevorderde kosten van lijkbezorging in:

“Ten aanzien van de schadepost die is opgevoerd als ‘kosten van lijkbezorging’ ad € 19.399,79 is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat één maal griffiekosten, de nota van Monuta en de kosten van het grafmonument kunnen worden gekwalificeerd als kosten voor lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. In totaal kan dus € 4.391,- worden toegewezen. Voor het overige betreffen de opgevoerde kostenposten naar het oordeel van het hof kosten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene en komen zij derhalve niet op grond van art. 6:108 van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Het meer gevorderde zal daarom worden afgewezen.”

4.3

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 51f, eerste en tweede lid (oud), Sv

“1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

2. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.”

- art. 6:108, tweede lid, BW:

“Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.”

4.4

Het Hof heeft vastgesteld dat de in het middel genoemde legeskosten en notariskosten strekten ter afwikkeling van de nalatenschap van de overledene. Het Hof heeft daarop zijn oordeel gebaseerd dat die kosten niet als kosten van lijkbezorging in de zin van art. 6:108, tweede lid, BW toewijsbaar zijn. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de legeskosten en de notariskosten niet in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene.

4.5

Het middel faalt.

5 Beoordeling van de middelen voor het overige

De namens de verdachte voorgestelde middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. De namens de benadeelde partijen voorgestelde middelen kunnen evenmin voor het overige tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier
H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2019.