Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:810

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
17/02315
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:570
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed door beginnend bestuurder (art. 8.3.a WVW 1994) en gevaar op weg veroorzaken door te proberen te ontkomen aan aanhouding (art. 5 WVW 1994). Aanhoudingsverzoek gemachtigde raadsvrouwe ttz. op de grond dat verdachte verhinderd is omdat hij is afgereisd naar Brussel vanwege betrokkenheid van zijn oom en tante bij auto-ongeluk, door Hof afgewezen o.g.v. belangenafweging, waarbij belangen van adequate en snelle afdoening van zaken zwaarder wegen dan belangen van verdachte om zijn persoonlijke situatie toe te lichten. HR: art. 81 RO. Samenhang met 17/02316, 17/02318 en 17/02319.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/680
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/02315

Datum 28 mei 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 februari 2017, nummer 21/001915-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte ter zake van feit 1 opgelegde gevangenisstraf van één week, alsmede de ter zake van feit 2 opgelegde hechtenis van één week, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2019.