Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:8

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
18/00279
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1220
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

(Gekwalificeerde) diefstallen, art. 310 en 311.1.5 Sr. Klacht dat de pleegplaats van één diefstal niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en de bewezenverklaring in strijd is met in aanvulling op verkort arrest opgenomen overweging m.b.t. die pleegplaats. HR: art. 80a RO, met schriftelijk standpunt AG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2019

Strafkamer

nr. S 18/00279

EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 18 december 2017, nummer 21/002875-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.