Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:79

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
16/03365
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1376
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr) en samen met anderen zonder vereiste registratie werkzaam zijn als geldtransactiekantoor, meermalen gepleegd (art. 3 Wet inzake de geldtransactiekantoren). Laatste woord, art. 311.4 Sv. Uit p-v’s ttz. in h.b. en gedingstukken blijkt dat (a) ttz. van 23-05-2016 verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken en onderzoek is onderbroken tot tz. van 24-05-2016 waar formele sluiting zou plaatsvinden, (b) ttz. van 24-05-2016 onderzoek is hervat in de stand waarin het zich op tijdstip van onderbreking op 23-05-2016 bevond, (c) raadsman aldaar een beroep heeft gedaan op nietigheid van dagvaarding m.b.t. feit 3 en AG heeft geconcludeerd tot verwerping van dat verweer, waarna onderzoek is gesloten, (d) Hof bij eindarrest het gevoerde verweer heeft gehonoreerd en dagvaarding m.b.t. feit 3 nietig heeft verklaard en (e) cassatieberoep niet is gericht tegen die (gedeeltelijke) nietigverklaring van dagvaarding. Onder die omstandigheden heeft verdachte geen in rechte te respecteren belang bij zijn klacht, ook al blijkt uit p-v niet dat hem ttz. van 24-05-2016 het recht is gelaten het laatst te spreken. Volgt verwijzing naar rolzitting teneinde AG in gelegenheid te stellen zich uit te laten over overige middelen. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2019

Strafkamer

nr. S 16/03365

NA/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenarrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 juni 2016, nummer 22/002057-08, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de verdachte niet het recht is gelaten het laatst te spreken, wat op grond van het vierde lid van art. 311 Sv tot nietigheid leidt.

2.2.

Uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep waarvan de inhoud – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 en 3.2 en de overige stukken van het geding, blijkt dat

- op de terechtzitting van 23 mei 2016 de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken en vervolgens het onderzoek is onderbroken tot de terechtzitting van 24 mei 2016 waar de formele sluiting zou plaatsvinden,

- op de terechtzitting van 24 mei 2016 het onderzoek is hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de onderbreking op 23 mei 2016 bevond,

- de raadsman vervolgens aldaar een beroep heeft gedaan op de nietigheid van de dagvaarding wat betreft het onder 3 tenlastegelegde en de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van dat verweer, waarna het onderzoek is gesloten,

- het Hof bij eindarrest het gevoerde verweer heeft gehonoreerd en de dagvaarding wat betreft het onder 3 tenlastegelegde nietig heeft verklaard,

- het cassatieberoep blijkens de daarvan opgemaakte akten niet is gericht tegen die (gedeeltelijke) nietigverklaring van de dagvaarding.

2.3.

Onder de zo-even geschetste omstandigheden heeft de verdachte in dit geval geen in rechte te respecteren belang bij zijn klacht, ook al blijkt uit het proces-verbaal niet dat hem op de terechtzitting van 24 mei 2016 het recht is gelaten het laatst te spreken.

2.4.

Het middel is vruchteloos voorgesteld.

2.5.

De Advocaat-Generaal heeft zich niet uitgelaten over de overige voorgestelde middelen. De Hoge Raad is van oordeel dat de Advocaat-Generaal daartoe alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld. Met het oog daarop dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

3 Beslissing

De Hoge Raad:
verwijst de zaak naar de rolzitting van 29 januari 2019;
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2019.