Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:780

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
17/04607
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:228
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:3990, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde doodslag in Limburgs drugsverslaafden circuit door ander met kogel door achterhoofd te schieten en hem vervolgens van aanzienlijk geldbedrag te beroven, art. 288 jo. 287 Sr. Uos over onbetrouwbaarheid van voor bewijs gebruikte bekennende verklaringen van verdachte, die hij later heeft ingetrokken, onderbouwd met deskundigenrapport met als conclusie dat er meer steun is voor scenario dat bekentenissen van verdachte onjuist zijn dan voor scenario dat deze juist zijn. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AU9130, inhoudende dat selectie en waardering van beschikbaar feitenmateriaal is voorbehouden aan feitenrechter en motiveringsplicht voor rechter ex art. 359.2 Sv in geval van uos t.a.v. gebruikt bewijsmateriaal. Hof heeft in afwijking van hetgeen raadsman met een beroep op deskundigenrapport in h.b. heeft aangevoerd, bekennende verklaringen van verdachte betrouwbaar geacht. Daarbij heeft Hof in aanmerking genomen dat deze verklaringen steun vinden in andere b.m. Hof heeft ter motivering van die afwijking voorts o.m. overwogen dat bij beoordeling van betrouwbaarheid van bekennende verklaring, door politie uitgeoefende druk en gebruikte verhoortechnieken belangrijke oorzaken kunnen zijn voor totstandkoming van valse bekentenissen, doch dat deze factoren i.c. geen rol kunnen hebben gespeeld nu verdachte zich spontaan tot politie wendde, bekennende verklaring duidelijk en ondubbelzinnig was en op meerdere dagen is herhaald, en verdachte daaraan voorafgaand al t.o.v. derden bekennend heeft verklaard. Hof heeft voorts overwogen dat en waarom het, mede in het licht van omstandigheid dat deskundige in zijn rapportage buiten terrein van zijn deskundigheid is getreden, geen waarde toekent aan deskundigenoordeel over (on)betrouwbaarheid van bekennende verklaringen. Aldus heeft Hof t.a.v. naar voren gebracht uos redenen opgegeven a.b.i. art. 359.2 Sv die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door Hof is aanvaard. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoefde Hof niet nader in te gaan op hetgeen door raadsman voor het overige en m.b.t. deskundigenrapport is aangevoerd. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0108
NJB 2019/1274
RvdW 2019/645
NBSTRAF 2019/180
EeR 2019, afl. 4, p. 154
NJ 2019/338 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 mei 2019

Strafkamer

nr. S 17/04607

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 september 2017, nummer 20/000485-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De middelen zijn mondeling toegelicht.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebezigde bekennende verklaringen van de verdachte, zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 9 januari 2013 in de gemeente Weert opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een hoeveelheid geld, gepleegd op 9 januari 2013 in de gemeente Weert en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 samengevat weergegeven bewijsmiddelen, waaronder de volgende:

"5. Het proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 1 februari 2014,

dossierpagina's 297-299 van deeldossier A, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Hallo [verdachte] , je bent niet tot antwoorden verplicht en je wordt gehoord als verdachte. Je bent vrijwillig naar het politiebureau gekomen. Je hebt je gemeld omdat je iets wil vertellen over de moord in Weert. Wat wil je vertellen hierover?

A: Nou gewoon, dat ik ga zorgen dat die zaak opgelost gaat worden.

V: Over welke zaak spreek je dan?

A: De moord op [slachtoffer] .

V: Wat heb jij nu met de moord te maken?

A: Hij is door mij om het leven gekomen. Ik heb hem met een pistoolschot gedood. Dat schot is van mij afkomstig. Ik heb dat niet eerder verteld in verband met mijn moeder.

V: Wat kun je nog vertellen?

A: Na de moord heb ik het pistool weg gegooid.

A: [verdachte] , we stoppen nu met het verhoor. Je wordt nu, 23.57 uur, aangehouden. Wij gaan voor jou een advocaat waarschuwen.

6. Het proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 4 februari 2014, dossierpagina's 318-327 van deeldossiers A, met bijlagen, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

V: = Vraag of opmerking verbalisanten.

A: = Antwoord of opmerking verbalisanten.

V: [verdachte] vertel eens?

A: Volgens mij is het woensdag geweest, de 9e januari 2013. Ik ben toen naar Venlo vertrokken, alleen. Het wapen had ik al bij mij. Ik ben eerst naar Tegelen gegaan. Ik ben toen terug gereisd van Tegelen naar Roermond. Toen dacht ik weer, ik doe het gewoon. Ik kijk wat op mijn pad komt. Ik kwam toen weer in Venlo aan. Ik liep van het station richting OAC of hoe heet dat, waar die jongens gebruiken. Ik heb een bolletje gerookt. Toen kwam [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) naar buiten en hij vroeg of ik aan een wapen kon komen. Ik zei, dat lukt mij wel. Wij liepen toen richting de Kaldenkerkenweg. Wij kwamen aan in zijn woning en er waren twee jongens. Die gaf ik een hand. [slachtoffer] had spullen gekocht. Sokken, schoenen en een broek enzo. [slachtoffer] ging zich omkleden en wij rookten nog een pijpje. [slachtoffer] bleef lang bezig in de badkamer. [slachtoffer] was nog wat aan het vertellen over het PGB en zo. Wij liepen toen van zijn woning naar het station en wij liepen het station binnen. [slachtoffer] kocht een kaartje.

Ik belde de taxichauffeur. Dat was [betrokkene 1] . Ik heb hem gevraagd om ons bij de Graswinkel te Weert af te zetten. Wij stopten bij de brievenbus. Vanaf de brievenbus zijn [slachtoffer] en ik rechtdoor gelopen naar het JOP (het hof begrijpt: jongeren ontmoetingsplaats). [slachtoffer] had mij eerder in Venlo al iets verteld over een PGB of zo iets. Hij had iets geregeld en andere mensen hadden geld afgehaald of zoiets.

Hoe dan ook, [slachtoffer] stond buiten het JOP. Het ging zo snel. Ik raakte hem van achteren. [slachtoffer] viel achterover, het ging zo snel. Hij viel eigenlijk buiten het JOP. Ik trok hem iets naar binnen. Ik trok hem naar achteren, hier ongeveer (verdachte gaf aan bij de schouders). Ik heb toen zijn beurs gepakt en pakte zijn tas. Ik heb het wapen weggegooid. Ik keek in de tas maar er zat allemaal rotzooi in. Ik gooide de tas ergens in een water. Ik liep langs het spoor. Je komt dan uit bij de tunnel of zo. Ik ben toen naar [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ) gelopen.

Er zat 1600 a 1700 euro in die beurs. Die beurs heb ik ergens links in het water gegooid. Toen [slachtoffer] viel lag hij buiten het JOP. Ik pakte hem bij de schouders en trok hem naar achteren.

V: Toen jij [slachtoffer] het JOP in sleepte, hoe lag hij toen?

A: Op zijn rug.

V: Wij gaan even naar het wapen. Wat kan jij daar meer over vertellen?

A: Ik wist dat het een 9 mm was. Volgens mij hebben ze het serie nummer eruit geveild.

V: Waar heb jij de tas weggegooid?

A: Ook aan de linkerkant van mij uit gezien.

V: Waarom had jij dat vuurwapen bij je?

A: Ik had geld nodig. Ik wilde in eerste instantie iemand anders pakken.

Ik bid voor [slachtoffer] . Hij wist van niets. Hij is door mij om het leven gebracht.

V: Hoe kwam jij aan dat wapen?

A: Dat had ik al lang.

V: [verdachte] vertel eens. Jij stond met [slachtoffer] bij het JOP, wat gebeurde er toen?

A: Ik stond bij een zitting. Ik stond hier ongeveer een stukje van de muur af. Ik pakte dat ding eruit en deed de flap van de tas omhoog. Ik tilde mijn arm op en toen "beng". Ik raakte hem en [slachtoffer] viel buiten om. [slachtoffer] viel om en er was niet veel bloed. Ik trok [slachtoffer] toen achteruit, ik vond het raar dat [slachtoffer] achterover viel.

V: Waarom deed jij dat?

A: Ik had geld nodig. Ik wilde geld hebben. Ik wist dat hij geld bij zich moest hebben want hij wilde een wapen kopen. [slachtoffer] zou minstens 1300 euro bij zich moeten hebben, maar in zijn beurs zat 1600 à 1700 euro. Ik heb die tas gepakt en daar zaten papieren in of zo. Ik ben alleen in zijn jaszakken geweest. Ik heb in de binnenzakken van zijn jas gevoeld.

We hebben eerst een pijpje gerookt. Dat heeft 15 minuten geduurd. Het begon te schemeren. Daarna heb ik hem om het leven gebracht.

V: [verdachte] , als wij het wapen aantreffen. Hoeveel patronen zitten er dan nog in?

A: Dat weet ik niet. Ik weet niet of de houder helemaal vol zat. Er zaten er in elk geval een aantal in. Ik heb maar 1 keer geschoten."

2.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2017 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

"In hoger beroep heeft uw hof opdracht gegeven tot het opmaken van een deskundigenrapport ten aanzien van de bekentenissen (TMFI, Professor Dr. R. Horselenberg).

De deskundige heeft het hele dossier gelezen en bovendien de beelden bekeken van de verhoren van cliënt.

De deskundige beklaagt zich overigens in zijn rapport (p. 2 en 3) dat het erg lang geduurd heeft voordat hij de beschikking had over de dossierstukken die hij nodig had om met zijn onderzoek te kunnen beginnen. Hij merkt daarbij op dat hij nooit de beschikking heeft gekregen over "alle rapportages, zoals die van het NIFP aangaande geestelijke gesteldheid van [verdachte] ." Hetgeen opmerkelijk genoemd mag worden en bovendien moet worden betreurt, nu de 'geestelijke gesteldheid' van een verdachte vanzelfsprekend van invloed kan zijn op de validiteit, betrouwbaarheid (en geloofwaardigheid) van diens verklaringen.

(...)

De bevindingen van Horsselenberg ten aanzien van de 'vooringenomen' wijze van verhoor van cliënt roepen tegelijkertijd vragen op omtrent de gang van zaken bij de verhoren van de diverse (harddrugsverslaafde) getuigen en dus omtrent de betrouwbaarheid van de (verslaglegging van de) verklaringen van deze (belastende) getuigen (zoals [getuige 1] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] ). Ook om deze reden is bij de beoordeling van deze (verklaringen van deze) getuigen derhalve behoedzaamheid en terughoudendheid geboden."

2.2.4.

Het onder 2.2.3 genoemde proces-verbaal houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, voorts het volgende in:

"De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnota (...). In aanvulling daarop brengt de raadsman (...) nog het navolgende naar voren:

Horselenberg heeft iets gedaan wat velen in deze zaal niet hebben gedaan, namelijk alle beelden van de verhoren bekijken. Ik heb het niet gedaan, de advocaat-generaal ook niet, zo begrijp ik uit zijn woorden. Ook het hof heeft die beelden niet bekeken, zo leidde ik af uit een vraag van jongste raadsheer.

Horselenberg merkt op dat de verslaglegging te wensen overlaat en dat de politieagent typte met één vinger tegelijk en het tempo niet kon bijbenen en dat in zo'n zaak.

De advocaat-generaal heeft zijn waardering uitgesproken over het rapport van Horselenberg. Ik meen dat Horselenberg zijn uiterste best heeft gedaan om tot een goed rapport te komen. De advocaat-generaal heeft voorbeelden genoemd, maar die kunnen mij niet overtuigen, in elk geval niet wat betreft de onvolkomenheden in de verklaringen van cliënt.

Op pagina 17 rapport geeft Horselenberg een analyse van de verhoren van cliënt. Het gaat om een groot aantal verhoren. Ook beschrijft hij de omstandigheden die van invloed waren op de verhoren. De dag na zijn aanhouding kreeg cliënt te horen dat zijn dochter leukemie heeft. Daar is geen aandacht van de verhoorders voor. Het contact met zijn advocaat lijkt moeilijk te lopen. Ook daar was geen aandacht voor. Cliënt had het koud, had gezondheidsproblemen, buikloop, was verkouden enzovoort. Daar is weinig aandacht aan gegeven. Er is sprake geweest van vele, langdurige verhoren en de omstandigheden waren niet naar behoren of zelfs ondermaats, terwijl veel had kunnen worden opgelost.

De advocaat-generaal heeft een aantal dingen opgesomd over het rapport van Horselenberg. Zo heeft hij kritiek over de opmerking op pagina 5 van het rapport aangaande de informatie van de informant, die volgens Horselenberg niet bleek te kloppen omdat de envelop met geld nog onder de kleding van [slachtoffer] zat.

Misschien is dat te kort door de bocht, maar het is ook niet gek dat een persoon die deze informatie krijgt dat zegt. Het doet geen afbreuk aan de kwaliteit van het rapport.

Dat Horselenberg op pagina 15 van het rapport schrijft dat veel valse bekentenissen onder druk van de politie worden afgelegd, wil niet zeggen dat Horselenberg beweert dat dat hier het geval is. In dat stuk heeft hij niet willen zeggen dat de bekentenis van cliënt onder druk tot stand is gekomen.

Er mag best stevig worden verhoord, maar de politie mag niet een stap verder gaan en een conclusie voorhouden die verder gaat dan de feiten. Daar heeft Horselenberg gelijk in.

De advocaat-generaal heeft terecht opgemerkt dat het om ontkennende verklaringen ging, maar cliënt voelde buiten de druk steeds verder oplopen. Die druk zal ook zijn veroorzaakt door de druk die op hem is gelegd tijdens de politieverhoren. Vervolgens werd hij op straat geconfronteerd met de woorden "daar heb je die moordenaar". Ik vind het terecht dat Horselenberg dat het na-ijlen van de verhoren heeft genoemd.

De advocaat-generaal zegt dat Horselenberg zijn boekje te buiten is gegaan en zich als onderzoeker gediskwalificeerd heeft, maar ik vind juist de conclusie van de advocaat-generaal te ver gaat en ontspoort. We moeten gewoon nuchter blijven en integer naar de conclusies kijken, Als het hof het rapport terzijde wil stellen, is dat aan het hof, maar wel nadat u het van A tot Z heeft gelezen. Het is van belang een 'open mind' te houden en kritisch terug te kijken.

Daderwetenschap, wat is dat nou eigenlijk? Daderwetenschap is informatie die de dader geeft en die op dat moment nog niet bekend is bij onderzoeksteam en achteraf juist blijkt te zijn. Er is in dit dossier geen sprake van daderwetenschap, maar wel van een bekentenis van cliënt met een aantal onderdelen dat niet klopt. Daar heeft de raadsvrouwe van cliënt in eerste aanleg ook op gewezen. Als je iets weet wanneer je het hebt gedaan, is het wel op welke afstand je stond en hoe het slachtoffer ten opzichte van jou stond.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat rechters in dit soort zaken, als er maar één verdachte is, de neiging hebben om te denken "dan zal hij het wel gedaan hebben" en dat dat leidt tot een verkeerde beslissing. En natuurlijk speelt het aspect van de nabestaanden een rol, voor wie het heel onbevredigend zal zijn als cliënt wordt vrijgesproken en zij nog steeds niet weten wat er is gebeurd."

2.2.5.

Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, ten aanzien van de bewijsvoering nog het volgende overwogen:

"Betrouwbaarheid verklaringen verdachte

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van prof. dr. R. Horselenberg, rechtspsycholoog, d.d. 27 maart 2017 verbonden aan The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI). De uiteindelijke conclusie is:

'De omstandigheden tijdens de verhoren in 2014 geven meer aanleiding wijzen meer op een gebrek aan validiteit van de bekennende verklaringen van [verdachte] dan de ook al niet zo gunstige omstandigheden in 2013. Het gehele proces in aanloop tot zijn verklaringen zijn dusdanig ongunstig dat dat leidt tot meer steun aan het scenario dat de bekentenissen van [verdachte] onjuist zijn dan aan het scenario dat ze juist zijn.'

Zoals uit de bovenstaande weergave van de bewijsmiddelen blijkt, zijn door het hof wel de bekennende verklaringen van [verdachte] tot het bewijs gebezigd. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van valse bekentenissen. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol.

In 2013 is [verdachte] zestien keer verhoord en heeft hij enkele maanden in voorlopige hechtenis verbleven. In deze verklaringen heeft [verdachte] ontkend [slachtoffer] om het leven te hebben gebracht. Op 1 februari 2014 meldde [verdachte] zich bij de politie. Hij is toen direct op 1 februari kort gehoord en daarna nog driemaal verhoord in een bestek van enkele dagen. In drie van deze verhoren heeft hij een bekennende verklaring afgelegd. Op 31 maart 2014 ontkent hij wederom de moord gepleegd te hebben.

Op 1 februari 2014 meldt de verdachte zich bij de politie en legt onmiddellijk een verklaring af, onder andere inhoudend:

'Hij is door mij om het leven gekomen. Ik heb hem met een pistoolschot gedood. Dat schot is van mij afkomstig. (...) Na de moord heb ik het pistool weg gegooid, volgens mij kwam het aan de overkant van de vijver terecht.'

In de literatuur omtrent valse bekentenissen wordt bij de totstandkoming van valse verklaringen een belangrijke betekenis toegekend aan druk die uitgaat van de verhoorsituatie. Zo betoogt prof. mr. E. Rassin in Trema in een artikel waarin een overzicht wordt gegeven van het wetenschappelijk onderzoek naar valse bekentenissen dat (sociale) druk die wordt uitgeoefend tijdens het politieverhoor een rol speelt bij het ontstaan van valse bekentenissen (Trema, juni 2013, p. 203). Uit dit artikel komt naar voren dat verhoortechnieken, zoals het doen van beloftes of het minimaliseren van de feiten, tot gevolg heeft dat het aantal valse bekentenissen stijgt (Trema, juni 2013, p. 205).

In 2013 is er sprake geweest van het veelvuldig verhoren over een langere periode. Het kan niet anders zijn dan dat er alleen al door het aantal verhoren door de verdachte daarbij een druk is ervaren. Dit heeft er echter niet toe geleid dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de dood van [slachtoffer] . De verdachte werd op 3 juni 2013 in vrijheid gesteld.

Op 1 februari 2014 wendt de verdachte zich tot de politie en legt onmiddellijk een bekentenis af. Druk van de zijde van de verhoorders kan daarbij volgens het hof dus geen rol hebben gespeeld. Ook kan daarbij geen rol hebben gespeeld het al dan niet voorhouden van aanwezig bewijsmateriaal, of de wijze van vraagstelling, dan wel andere verhoortechnieken. Wat niet in de overwegingen van de deskundige Horselenberg wordt meegenomen maar wat zich wel kan voordoen, is het feit dat een persoon niet kan leven met hetgeen er is voorgevallen en zich daarom tot de politie wendt om schoon schip te maken.

Het zich tot de politie wenden om een verklaring af te leggen omdat de betrokkene niet meer kan leven de dood van een ander op zijn geweten, is niet uniek en komt vaker voor in zeer ernstige strafzaken. Het hof heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring die de verdachte 'spontaan' en duidelijk en ondubbelzinnig tegenover de politie aflegt, nu dit optreden daar het gevolg van kan zijn geweest, te meer nu verdachte in de daarop volgende dagen de bekentenis heeft herhaald.

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. In 2013 was de verdachte opgenomen in [B]. [B] is een laagdrempelige en christelijke woon- en leefgemeenschap in Beekbergen en is een locatie van ggz-instelling [C]. De verdachte is eind januari 2013 bij [B] gekomen. Vanuit deze leefgemeenschap heeft een tweetal personen onafhankelijk van elkaar contact opgenomen met de leiding van de leefgemeenschap in verband met uitlatingen die door de verdachte zijn gedaan. De eerste persoon die hierover heeft verklaard is [getuige 6] . Hij is een gepensioneerd ondernemer die als vrijwilliger naar [B] gaat om contact te leggen met de bewoners. [getuige 6] is onder ede door de raadsheer-commissaris gehoord, waarbij hij zijn eerdere verklaring bij de politie bevestigde, zijnde dat hij van [verdachte] had gehoord dat hij een groot probleem had, dat hij iemand had vermoord en hij die persoon had achtergelaten. De getuige [getuige 6] bracht naar voren dat hij normaal de vertrouwelijkheid van de bewoners niet wilde schenden, maar dat hij dit zodanig ernstig vond dat hij dit gemeld had aan [getuige 5] . De tweede getuige die hierover bij de politie heeft verklaard is [getuige 7] . Onder ede is deze verklaring bij de raadsheer- commissaris bevestigd en heeft hij verklaard dat
[verdachte] vertelde dat hij iemand had vermoord en daarbij reuze aan het huilen of aan het snotteren was.

Naar het oordeel van het hof zijn deze twee verklaringen om tweeërlei redenen van belang. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de verdachte worstelde met het feit dat hij een moord had gepleegd. Het zich een jaar later tot de politie wenden om van deze last bevrijd te zijn, past binnen deze gewetensnood. Ten tweede zijn deze verklaringen van belang omdat hieruit naar voren komt dat verdachte niet alleen jegens de politie, maar ook jegens anderen een levensdelict heeft erkend.

Dat een verdachte na bekentenissen te hebben afgelegd weer ontkent, is ook geen onbekend gegeven. Een ander aspect waarom het hof geen acht slaat op de ontkennende verklaringen van verdachte is het feit dat hij stelt in de namiddag van de dag waarop [slachtoffer] is overleden een persoon te hebben ontmoet, dan wel met een of meer personen een afspraak te hebben gehad, maar vervolgens de naam of namen van die persoon of personen niet wil noemen. Het gaat daarbij om de cruciale tijd waarin het slachtoffer om het leven is gekomen en om de cruciale vraag of de wegen van de verdachte en [slachtoffer] zich hebben gescheiden voor het overlijden van [slachtoffer] . Het hof gaat ervan uit dat wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn hij deze gegevens - die hem immers een alibi zouden kunnen verschaffen - aan het hof zou meedelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de betrokkene er niets mee te maken heeft dan wel dat hij die persoon of personen niet in moeilijkheden wil brengen. Dit antwoord overtuigt het hof niet. Het hof ziet niet in hoe de enkele vraag aan de betrokkene(n) of zij de verdachte die middag hebben getroffen, deze persoon of personen in moeilijkheden zouden kunnen brengen. Ook het feit dat de betrokkene(n) niets met deze zaak te maken hebben overtuigt niet als verklaring van het niet willen noemen van de namen, maar zou eerder een reden zijn om dat juist wel te doen. Het hof is dan ook van oordeel dat de persoon of personen die verdachte getroffen zou hebben, dan wel waarmee hij een afspraak had, niet bestaan. Er ligt een aanklacht van een levensdelict jegens verdachte, het hof gaat ervan uit dat onder die omstandigheden, wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn, hij op dit punt openheid van zaken zou geven. Het deskundigenrapport betrekt dit punt naar het oordeel van het hof ten onrechte niet in de beoordeling.

In de algehele conclusie van de deskundige is het volgende opgenomen:

'In zijn bekennende verklaringen ging [verdachte] steeds dichter naar het verhaal van de politie. De verhoorders moedigen hem daar ook toe aan door hem veelvuldig feedback te geven op de inhoud van zijn verklaringen. Hetgeen hij uiteindelijk inhoudelijk verklaarde, is waarschijnlijk tot stand gekomen op basis van die feedback, in combinatie met informatie uit het dossier, dat [verdachte] zowel in 2013 als in 2014 tot zijn beschikking had. Alle informatie die [verdachte] in zijn bekennende verklaringen gaf, kan op andere plaatsen - het dossier of de verhoren - worden teruggevonden.'

Het hof deelt deze conclusie met betrekking tot de bekennende verklaringen niet en wijst daarbij bijvoorbeeld op het volgende onderdeel.

In de bekennende verklaringen van verdachte wordt gesproken over het weggooien van een tas en van een wapen, hetgeen een aantal malen terugkomt; het ene zou links, het ander rechts zijn weggegooid en allebei in het water.

Op p. 330 van deeldossier A staat hierover:

'Aan [verdachte] wordt een foto van een luchtopname getoond met daarop de diverse vijvers gelegen langs het looppad waarover [verdachte] zou zijn weggelopen.

[verdachte] tekent vervolgens in dat hij in het water aan de rechterzijde van het pad het wapen heeft weggegooid. [verdachte] zegt verder: Hier ligt ook water (...), maar als je dan verder loopt heb je aan de linkerkant ook water meen ik. Dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet ook water zijn. En daar heb ik die tas gegooid. (...)

En hier zo vooraan vrij vooraan heb ik het wapen gegooid. Ik wilde het in de plomp gooien maar het kwam op de kant. Ik wilde teruglopen maar was bang dat iemand het zag, dus ik dacht, nee, loop maar door. Ik had die tas ook nog in mijn hand en daar zat allemaal rotzooi in. Ik heb ook nog handschoenen weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weg gegooid. (...)

En toen had ik die tas van [slachtoffer] en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant in het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja, eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechter kant weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weggegooid.

En toen had ik die tas van [slachtoffer] en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant van het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechterkant weggegooid. Eén is volgens mij in het water terecht gekomen. Ik weet het niet meer. Die heb ik dezelfde kant uitgegooid als het wapen maar dan misschien ietsjes verder op. Daarna heb ik de tas weggegooid in elk geval aan de linkerkant. Daar moet ook ergens een vijvertje zijn of een water. Daar heb ik die tas zo in geflikkerd.

V: Daar waar ik de tas weg heb gegooid was aan twee kanten water. Zeg ik dat zo goed?

A: Dat weet ik niet meer zeker maar links was in elk geval water en daar heb ik die tas gegooid. Dat weet ik zeker. Aan de linkse kant. Niet aan de rechterkant waar ik dat wapen en die handschoenen heb gegooid.

V: Ik heb hier nog een klein stukje uitvergroot voor me liggen, maar dan van een andere hoek uit.

Opmerking verbalisant: [verdachte] kijkt mee op de luchtopname en zegt: Aan de linkse kant moet ook water zijn. Als je hier loopt moet er aan de linkerkant ook water zijn. Dat weet ik zeker. Vooraan heb ik dat wapen gegooid maar verderop aan de linker ook zo'n slootje of zo waar water was. Of ben ik nu gek aan het worden. Nee dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet je ook water hebben.'

Het verhoor gaat verder over andere kwesties maar komt later terug op het weggooien van de goederen, op p. 334 van deeldossier A:

'V: Ik heb nog een luchtfoto. We zijn aan het kijken of we de plek kunnen zien waar aan twee kanten water is. Maar dat kunnen we op deze foto niet zien.

(Opmerking verbalisant: [verdachte] kijkt mee op de foto.)

A: Ik ben echt in de veronderstelling [verbalisant 1] , dat ik aan de linkse kant die tas heb gegooid en aan de rechterkant het wapen.

Het kan niet zijn, dat ik zeg maar zo of is hier nog een pad tussen het waar daar en? Als ik van het Job af kom ligt aan de rechtse kant water waar ik het wapen heb gegooid, niet direct aan het begin, maar verder door, daar is aan de linkerkant ook water.

V: Dat is op deze kaarten niet te zien.

A: Dat weet ik zeker dat daar water is. Daar heb ik hem ingegooid. Jawel, weet ik zeker. Ik ben toch niet gek.

V: Ben je het wapen ooit gaan zoeken?

Nee, Ik zeg toch, toen ik het wapen gooide en aan de kant kwam wou ik eigenlijk, [verbalisant 2] , terug, maar omdat ik dan helemaal terug moest lopen, dacht ik nee laat maar, ik loop door. Want voor hetzelfde geld, het was schemerig dit en dat, mensen kunnen je zien of wat dan ook, ben ik door gelopen. De afstand was niet zo groot, dus in paniek gooide ik het wapen weg, Ik dacht die komt in die plomp, maar hij kwam aan de zijkant. Maar als ik hier zo dinge, moest ik helemaal terug lopen.

Maar hier moet ook water zijn. Hier zo.

Opmerking verbalisant: [verdachte] wijst op een luchtopname naar een gebied aan het einde van de drie driehoekige vijvers. Hij is er stellig van overtuigd dat daar aan de linkerkant ook water moet zijn.

[verdachte] wijst aan en zegt:

A: Hier zo, hier moet aan de linkerkant ook water hebben gestaan. Maar jullie kunnen toch na kijken waar jullie die tas hebben gevonden.

V: Ja daar zijn foto 's van maar die moeten we nog nakijken.

A: Ja moet aan de linkse kant gevonden zijn. Of ik moet me zo vergissen dat ik die ook aan de rechtse kant heb gegooid. Nee. Ik heb die aan de linkse kant gegooid.'

Uit deze verklaring van verdachte komt niet naar voren dat hij gesouffleerd wordt door de verbalisanten of uit eerdere kennis uit het dossier citeert. Hij vraagt nog aan de verbalisanten om het na te kijken waar de tas gevonden is. De verbalisanten merken op dat de bekeken luchtfoto's zich niet eerder in het dossier hebben bevonden. Wanneer de verbalisant samenvat dat er dus aan beide kanten water was, wordt dat door de verdachte niet beaamd. Hij stelt: 'ik weet zeker, dat er links water was.'

Uit een opmerking van de verbalisanten in het proces-verbaal blijkt dat het inderdaad klopt wat de verdachte naar voren brengt. Er wordt namelijk opgemerkt dat als het pad eerst gevolgd wordt aan de linkerzijde van de drie driehoekige vijvergedeelten, het pad daarna over een duiker verder loopt en zich vervolgens vervolgd aan de rechterzijde van het water. Het water bevindt zich dan dus links van de verdachte, gezien zijn looprichting.

Met betrekking tot het rapport merkt het hof het volgende op:

In het rapport van Horselenberg wordt niet alleen een oordeel gegeven over de verklaringen van verdachte, maar wordt ook een oordeel gegeven over het optreden van de politie en de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Niet alleen strekt de vraagstelling zoals deze aan de deskundige is gesteld, zich daar niet toe uit, de expertise van de deskundige ligt ook niet op het vlak van de beoordeling van deze bewijsmiddelen of het al dan niet juist functioneren van de politiefunctionarissen. Het lijkt erop dat de deskundige zich gaandeweg het rapport meer tot zijn taak heeft gezien aan te tonen dat de politie in het onderzoek van deze zaak broddelwerk heeft verricht, dan zich te concentreren op de vraagstelling van het gevraagde onderzoek.

Het hof geeft hiervan een - niet uitputtend - overzicht van enkele in het rapport genoemde punten. Hierbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat de opdracht van het onderzoek, zoals door de raadsheer-commissaris geformuleerd is: "te rapporteren over de geloofwaardigheid c.q. betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde verklaringen, zowel de bekennende als de ontkennende".

Door de deskundige Horselenberg wordt kritiek geleverd op het optreden van de politie in 2013. Zoals gezegd de verdachte heeft in 2013 steeds ontkend.

In het rapport staat op p. 20 met betrekking tot de verklaring van de getuige [getuige 7] het volgende:

'De politie gaat er van uit dat het verhaal van de getuigen klopt. Het verhoor van [getuige 7] , de bron van polities kennis over [verdachte] daderschap, verliep echter als volgt:

"V: Wat zei [verdachte] tegen jou toen hij bij je kwam?

A: Hij zei dat hij niet kon bidden. Toen zat hij daar en toen hoorde ik dat in mijn geest. Zo helder als u tegen mij praat.

V: Wat hoorde jij?

A: 'Hij heeft iemand vermoord.'

V: Is hetgeen jij gehoord hebt eerder besproken in woorden?

A: Met niemand."

Die verklaring vergt veel additionele vragen die door de politie niet zijn gesteld. Blijkbaar hoorde de getuige stemmen in zijn hoofd en legde [verdachte] niet daadwerkelijk een bekentenis tegen hem af. Dat was voor de politie geen probleem. Ze beoordeelden de getuige zelfs als eerlijk. Dat is wederom een aanwijzing dat de verhoorders ervan overtuigd zijn dat belastende getuigen de waarheid spreken en [verdachte] liegt.'

De getuigenverklaring van [getuige 7] wordt daarmee enigszins in het belachelijke getrokken en de mening dat de politie toch wel erg dom is om dit te geloven, komt duidelijk naar voren. Echter uit de weergave van het verhoor p. 419 tot 421 (deeldossier B) van [getuige 7] komt naar voren dat wel degelijk is doorgevraagd en is op p. 420 het volgende opgenomen:

"Toen brak hij en begon te huilen. En dat ik tegen hem zij "Zullen we bidden" en dat hij had beleden. Ik hoorde dat hij zei: "Vader vergeef me dat ik die persoon heb vermoord". Toen begon hij te huilen en brak hij nog meer. Ik heb hem niet meer vragen daarover gesteld, behalve dat ik daarna met hem heb gebeden."

Bovendien is de stelling van de deskundige dat verdachte niet daadwerkelijk een bekentenis jegens [getuige 7] heeft afgelegd gezien bovenstaande tekst, niet juist. Deze verklaring heeft [getuige 7] bovendien onder ede bij de raadsheer-commissaris bevestigd.

Daarnaast lag er nog de hierboven aangehaalde verklaring van [getuige 6] , dat verdachte in een gesprek tegenover hem eveneens tijdens het verblijf in [B] had meegedeeld dat hij een moord had gepleegd. Een verklaring die eveneens onder ede tegenover de raadsheer-commissaris is herhaald.

Over het optreden van de politie wordt vervolgens op p. 20 van het rapport gezegd:

'De overtuiging van de verhoorders blijkt ook uit hoe ze omgaan met het andere bewijs in de zaak. Ze presenteren de belastende waarde van het bewijs te stellig. Zo zeggen ze tegen [verdachte] dat collega's uit Weert hem met 100% zekerheid op camerabeelden hebben herkend. Uit het proces-verbaal van bevindingen van die herkenning blijkt echter een meer genuanceerde formulering:

"Aan collega [verbalisant 3] werd gevraagd of hij de persoon die in gezelschap was van [slachtoffer] kende. Collega [verbalisant 3] verklaarde daarop dat hij de persoon die in gezelschap was van [slachtoffer] niet herkende. Na het bekijken van de beelden verklaarde [verbalisant 3] dat hij wel kon zeggen dat de bedoelde persoon op de beelden vermoedelijk een Aziatisch uiterlijk had en dat hij 1 persoon uit het Weert kende uit de drugscène met een Aziatisch uiterlijk. [verbalisant 3] noemde daarbij de naam van [verdachte] . [verbalisant 3] kon echter niet zeggen of de bedoelde persoon op de camerabeelden [verdachte] was omdat hij [verdachte] al bijna een jaar niet meer gezien had en hem ook niet meer goed voor de geest kon halen."

Ik heb zelf de betreffende camerabeelden bekeken en daarbij gezien dat het lastig is om daarop een persoon te herkennen, zelfs als van tevoren een signalement bekend is. De vermeende herkenning van de agenten uit Weert is derhalve eerder gebaseerd op het feit dat [verdachte] de enige bij de politie bekende Aziatische persoon in Weert is, dan op een daadwerkelijke herkenning.'

Waar het echter voor wat betreft het onderzoeksrapport en het beoordelen van de afgelegde verklaringen door de verdachte om gaat, is de vraag of de politie de verdachte door het presenteren van het bewijsmateriaal al dan niet op het verkeerde been heeft gezet en vervolgens de vraag of die wijze van verhoren de verdachte bij het afleggen van zijn verklaringen heeft beïnvloed en al dit al dan niet heeft geleid tot een valse bekentenis. Het is niet de taak van de deskundige om te beoordelen of het koppelen van de beelden aan een persoon al dan niet terecht is en of de wijze waarop dat proces-verbaal wordt voorgehouden aan de verdachte wel op een juiste wijze is geschied nu deze niet overeenkomstig de tekst is van het proces-verbaal.

Het gaat erom dat wordt voorgehouden aan de verdachte dat hij op het station in Venlo op de camerabeelden staat samen met [slachtoffer] . Dit is juist. Uit het gehele procesdossier weet het hof dat die mededeling van de politie juist is geweest. Verdachte heeft samen met [slachtoffer] in Venlo een kaartje gekocht en is naar Weert gereisd. Daar hebben zij samen een taxi genomen. Dit is door de verdachte ook bij de politie verklaard en ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.

Ook in de volgende passage gaat de deskundige in op de kwaliteit van het politie onderzoek en de conclusies die de politieambtenaren trekken:

'De politie had kennelijk geen probleem met de matige kwaliteit van de camerabeelden en meende daarop te zien welke schoenen [verdachte] die dag aanhad. De verhoorders gaan er op basis van de beelden vanuit dat [verdachte] die dag schoenen van het merk Converse aan had. Ze proberen [verdachte] dat te laten toegeven door hem te confronteren met een foto van de zool van zijn Converse schoen. Die zool is echter niet op de camerabeelden te zien. Dat het Converse-schoenen zijn, kan alleen worden afgeleid uit een witte rand op de beelden. De verhoorders gaan daarbij voorbij aan de mogelijkheid dat andere (sport)schoenen ook een dergelijke witte rand hebben.'

Het hof benadrukt nogmaals: het is niet de taak van de deskundige om het politieonderzoek over te doen en zelf te gaan speuren of datgene wat de politie opschrijft wel klopt met hetgeen op de beelden te zien is. Het is niet de bedoeling dat de deskundige al het bewijsmateriaal nog eens onder de loep neemt. Het dient blijkens de opdracht van de raadsheer-commissaris in het rapport te gaan om de beoordeling van de verklaringen van de verdachte.

In de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 28 februari 2013 staat hierover het volgende (p. 69 van deeldossier A).

'V: [verdachte] , jij hebt ons verklaard dat jij op woensdag 9 januari 2013 schoenen droeg. Wij hebben schoenen bij jou in beslag genomen van het merk Converse. Droeg jij die schoenen op woensdag 9 januari 2013?

A: Ik weet zeker dat die ik die dag die schoenen niet aanhad. U laat mij een foto zien en ik weet niet of dat mijn schoen is. Ik heb zeker schoenen van het merk Converse.

V: Waar zijn jouw Converse schoenen?

A: Weet ik niet. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Zoek het maar allemaal uit.

V: Ik deel jou mede dat die schoenen bij jou in beslag genomen zijn? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Als het mijn schoenen zijn dan zijn het mijn schoenen. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht.

V: Jij gaf gisteren aan dat jij een keer van de zomer bent geweest bij de Jongeren opvang plek (JOP), klopt dat?

A: Ik ben het niet geweest bij [slachtoffer] . Ik heb daarop niets toe te voegen. Ik heb niets te doen met de moord van [slachtoffer] . Gisteren heb ik verklaard dat ik maar een keer bij het Job ben geweest. Misschien ben ik er vaker geweest. In bijzin van [betrokkene 2] en noem maar op. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Andere mensen kunnen dat ook bevestigen.

M: Deze schoenen worden op het laboratorium onderzocht. Ook vindt er een vergelijkend schoenspoor onderzoek plaats.

Jij hebt ons ook verklaard dat jij niet meer hebt omgekleed die middag. Jij hebt ons ook verklaard dat je slechts een keer in het Job in Weert bent geweest, alwaar het stoffelijk overschot is gevonden van [slachtoffer] en dat dit in de zomer was.

Op de plaats waar [slachtoffer] is gevonden heeft uitgebreid sporenonderzoek plaats gevonden. Uit dit onderzoek is vast komen te staan dat zich in het bloedspoor wat zich bij het hoofd van [slachtoffer] bevond een schoenspoor staat afgedrukt. Uit de eerste optische onderzoeken lijkt het hier te gaan om een schoenafdruk gelijkend op de schoenen die jij op dat moment droeg. Ik toon je nu een foto van de onderzijde van jouw schoen. Je kan hierop duidelijk het profiel zien. Ik toon je nu ook een foto van het schoenspoor wat gevonden is in het bloedspoor van [slachtoffer] .

V: Wat kan jij daarop verklaren?

A: Mooi maar het kan niet mijn schoen zijn geweest. Ik ben daar niet geweest. Het kan niet van mij zijn. Ik ben het niet geweest.

V: Jij zegt als deze schoen onderzocht wordt dan is het onmogelijk dat die gelijkend is aan de afdruk gevonden op de plaats waar [slachtoffer] dood aangetroffen werd? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Ik zou niet weten hoe dat kan. Nee dat kan gewoon echt niet.'

De stelling van de onderzoeker is dat de conclusies door de verbalisanten te snel zijn genomen en zij niet zorgvuldig met het bewijs omspringen. Daarom rijst de vraag of de mededeling van de verbalisant met betrekking tot de schoenen juist is geweest. Het hof is van oordeel dat uit het voorhanden zijnde procesdossier inderdaad kan worden afgeleid dat verdachte de betreffende schoenen droeg op de bewuste dag.

Uit het proces-verbaal van verhoor (p. 145 van deeldossier A) komt naar voren dat verdachte een beperkt aantal schoenen bezat.

'V: Wij tonen jou een foto van 3 paar schoenen. Deze foto wordt als bijlage 8 bij dit proces-verbaal gevoegd. Deze schoenen stonden onder jouw bed. Van wie zijn deze schoenen?

A: Er moet nog een paar schoenen zijn toch? Alle drie de paren zijn van mij.

V: En welke schoenen mis je hier dan op?

A Zwarte bergschoenen. Die stonden onder het bed of in de kast.

V: We laten jou even bijlage 20 zien. In die kast zien we een paar bergschoenen staan. Bedoel je deze?

A: Ja die bedoel ik. En die hebben jullie ook niet leeggehaald?

V: Welke andere schoenen heb je nog meer?

A: Die ik aan had, maar die hebben ze toch ook? Zwart met groene strepen. Nike airmax of zo.'

Door de verdachte is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij op de betreffende dag een paar schoenen van een andere persoon zou hebben gedragen. De vraag is dus niet of een willekeurig paar sportschoenen er op de camera eveneens zo uitziet, maar of je uitgaande van de vijf paren schoenen die de verdachte had, de conclusie kan trekken dat verdachte deze schoenen droeg, mede in het licht van het overige bewijsmateriaal zoals hierboven aan de orde gekomen.

De vraag of de deskundige vindt dat de politie op basis van het beschikbare materiaal al dan niet een bepaalde conclusie mag trekken, is geen onderdeel van de onderzoeksvraag en bovendien wordt de conclusie naar het oordeel van het hof door de deskundige op bovenstaande gronden ten onrechte getrokken.

Dit geldt ook voor het volgende onderdeel van het rapport. De deskundige (p. 21 van het rapport) heeft het volgende opgenomen:

'Een ander bewijsmiddel dat de verhoorders wel erg stellig presenteren, zijn de telecomgegevens. Tijdens een confrontatie met de gebeurtenissen van de bewuste middag zeggen ze tegen [verdachte] dat zijn telefoon zich onder de mast van de plaats delict bevond. Daarmee wordt geïmpliceerd dat hij op de plaats delict is geweest. [verdachte] beweert echter dat hij op een andere plaats in Weert was. Uit een plattegrond die het bereik van de verschillende zendmasten rondom de plaats delict weergeeft met cirkels, blijkt dat de plaats delict onder twee verschillende cirkels valt, waarvan één meer dan drie keer zo groot is als de andere vier cirkels op de kaart. Daarnaast blijkt uit een onderzoek dat op de plaats delict via alle op de kaart weergegeven masten een gesprek gevoerd kon worden. De aanstraling, die de politie gebruikt als ondersteuning voor de aanwezigheid van [verdachte] op de plaats delict, lijkt niet aan te duiden waar [verdachte] zich daadwerkelijk bevond. De stelligheid waarmee die bevinding aan [verdachte] wordt gepresenteerd, kan niet worden verantwoord en past niet bij de conclusies in het proces-verbaal van bevindingen van de technische recherche. Daar valt het volgende te lezen:

"Tijdens de door mij gehouden test en uit de opgevraagde verkeersgegevens van deze test is gebleken dat op de plaats delict (A) er via cell id […] , […] , […] en 12740 een gesprek gevoerd kon worden. Kortom rondom deze plaats delict is sprake van kleine overlappingen van cellen waarover een verbinding ontvangen kan worden of worden opgebouwd."

Zoals reeds hiervoor opgemerkt: het gaat er in het rapport niet om of de politie wel of niet uit het proces-verbaal bepaalde conclusies mocht trekken, maar om de vraag van de waardering van de verklaringen van [verdachte] . In het kader daarvan kan een rol spelen of de politie de verdachte al dan niet van onjuiste informatie heeft voorzien, of daar onzorgvuldig mee is omgegaan. Vandaar dat op deze passage van de deskundige wordt ingegaan.

Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie ( [verdachte] ), opgenomen op p. 466 en verder van deeldossier C, is veel uitgebreider dan de enkele zinnen die de rapporteur hieruit aanhaalt. Met betrekking tot de plaatsbepaling in relatie tot het gebruik van een mobiele telefoon wordt op p. 466 en 467 het volgende opgemerkt.

"Het signaal van een mobiele telefoon wordt opgevangen door een zendmast. Een zendmast bestaat hoofdzakelijk uit drie antennes. Een antenne wordt Cell id genoemd. Een Cell id bestrijkt over het algemeen een gebied van 120 graden, de drie Cell id's samen zijn altijd 360 graden. Het gebied dat een Cell id bestrijkt wordt een sector genoemd. De richting van de Cell id is bepalend welk gebied (sector) deze cell id bedekt. De drukte van het te verwachten telefoonverkeer in een gebied is bepalend hoe groot deze sector is. In een stedelijk gebied is dat vaak enkele honderden meters en in een landelijk gebied enkele kilometers. De zendmasten staan zodanig opgesteld dat de sectoren van de Cell id's elkaar overlappen zodat er altijd sprake is van een dekking.

Per provider heeft elke Cell id een uniek nummer. De nummers zijn opgeslagen bij het ULI (Unit Landelijke Interceptie) zodat naar aanleiding van een Cell id nummer de plaats van de zendmast bekend is en de richting van de Cell id."

Er is onderzoek gedaan naar de zendmastgegevens van het GSM-nummer dat destijds werd gebruikt door [verdachte] . Voor zover relevant is hierover het volgende in het dossier opgenomen (p. 468 en verder van deeldossier C):

- dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 15.30 uur belde naar een telefoonnummer in gebruik van [betrokkene 1] (taxichauffeur) met een gespreksduur van 52 seconden. [verdachte] bevond zich toen onder bereik van een cell id te Roermond.

- dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.06.26 belde naar het telefoonnummer [telefoonnummer 1] met een gespreksduur van 22 seconden. (..) [verdachte] was toen in Weert, onder bereik van cell id […] .

- dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.07.09 uur belde naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] met een gespreksduur van 11 seconden. (..) [verdachte] was toen in Weert, onder bereik van cell id […] .

- dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.07.40 gebeld wordt door een telefoonnummer dat in gebruik is bij [betrokkene 3] , met een gespreksduur van 11 seconden.
[verdachte] was toen in Weert, onder bereik van Cell id […] .

- dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.32.05 gebeld wordt door een vaste telefoonaansluiting die op naam staat van [betrokkene 4] doch waarvan bekend is dat
[betrokkene 5] ook dit telefoonnummer gebruikt.
[verdachte] was toen in Weert onder bereik van cell id […] .

- dat [verdachte] op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.32.27 uur een sms-bericht heeft ontvangen doch onbekend van wie. [verdachte] was toen in Weert onder bereik van cell id […] .

- dat [verdachte] op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.39.04 gebeld werd door het vaste telefoonnummer van diens moeder en dat er een gesprek plaatsvond met een duur van 59 seconden. [verdachte] was toen in Weert, onder bereik van cell id […] .

[verdachte] verplaatste zich, nadat hij samen met [slachtoffer] was uitgestapt, te voet. Uit de bijlage bij het proces-verbaal is op p. 482 van deeldossier C een kaart opgenomen waarop is ingetekend onder andere de plaats delict en de plaats waarop verdachte en [slachtoffer] uit de taxi zijn gestapt. Op deze kaart is te zien dat de plaats delict zich bevindt op een plaats die kan worden aangestraald met een Cell id met de nummers […] , […] en […] .

Uit het bovenstaande komt naar voren dat binnen een tijdsbestek van één minuut (16.06/16.07) de telefoon van verdachte de mast […] heeft aangestraald en de mast met Cell id […] . Op de kaart is tevens te zien dat het gebied waarop de telefoon zowel de mast met Cell id […] en […] kan hebben aangestraald, maar een beperkt gebied is, waarbinnen de plaats delict valt. Gezien het tijdsbestek tussen beide telefonische contacten kan de verdachte zich in dat korte tijdsbestek en te voet niet over een groot gebied hebben verplaatst. Om 16.32 uur straalt de telefoon de mast met cell id […] aan en om 16.39 uur de mast met cell id […] . De plaats delict valt in het gebied dat door beide masten kan worden aangestraald. Duidelijk is dat de telefoon zich in ieder geval moet bevinden in het grensgebied dat door beide masten wordt bestreken.

De politie houdt de verdachte voor (p. 228 van deeldossier A):

'De plaats delict. Jij bent bekend met die plek. Jouw telefoon komt onder de mast van de plaats delict voor.'

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat deze mededeling juist is. De deskundige merkt op dat de verdachte heeft verklaard dat hij op een andere plaats in Weert was (p. 82 van deeldossier A). Uitgaande van de telefoongegevens kan worden geconcludeerd dat hetgeen verdachte daar over verklaart, inderdaad niet te verenigen is met de mastgegevens zoals hierboven vermeld; in het bijzonder is het aanstralen van de mast met cell id […] dan niet begrijpelijk. Deze cell idd straalt in het bijzonder het buitengebied aan en voor wat betreft de gemeente Weert, slechts een klein gebied, waarin de plaats delict is gelegen, en niet de plekken waar verdachte op p. 82 zegt te zijn geweest.

Ook hier merkt het hof op dat het beoordelen van de bewijsmiddelen niet een taak is van de deskundige. Ook hier is het hof van oordeel dat het oordeel dat de deskundige hierover velt, niet juist is.

Met betrekking tot het bezigen tot het bewijs van de bekennende verklaringen van verdachte overweegt het hof voorts nog het volgende:

In 2013 heeft de verdachte ontkennende verklaringen afgelegd. Verdachte heeft op de 9de januari 2013 opgetrokken met [slachtoffer] , ze hebben elkaar gesproken, ze hebben met elkaar gereisd, ze hebben samen een taxi genomen.

Wanneer verdachte onschuldig zou zijn geweest, zou het naar het oordeel van het hof in de rede hebben gelegen dat verdachte naar de politie zou zijn gestapt en de politie zou hebben geïnformeerd over het verloop van de dag. Niets is minder waar. De verdachte wordt op 26 februari 2013 aangehouden. Voor die datum heeft hij niet het initiatief genomen om aan de politie mee te delen dat hij degene is geweest die met [slachtoffer] op de dag van zijn overlijden heeft opgetrokken en wanneer hij is aangehouden liegt hij in zijn eerste verklaringen op onderdelen aantoonbaar over de gang van zaken. De deskundige verwijt de politie dat de verdachte is meegedeeld dat hij in zijn verklaringen van 2013 op onderdelen liegt. Maar het is juist dat hij liegt. Wanneer verdachte zegt dat zij op het station in Weert uit elkaar zijn gegaan en achteraf blijkt dat er een gezamenlijke taxirit is geweest, dan is die eerdere verklaring inderdaad gelogen. De opstelling van de verdachte waarbij hij de politie tijdens de verhoren van 2013 herhaaldelijk op het verkeerde been heeft gezet, past niet in het scenario van een onschuldige verdachte. Een onschuldige verdachte zou de politie juist hebben geïnformeerd en hebben meegedeeld wanneer en waar hij het slachtoffer voor het laatst in levende lijve had gezien.

Dat het hof uitgaat van de bekennende verklaring van verdachte, hangt tenslotte in het bijzonder samen met het feit dat deze verklaring steun vindt in de hierboven gegeven bewijsmiddelen.

Ook hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd ten aanzien van de bekennende verklaringen van de verdachte vormt voor het hof geen reden om deze geheel terzijde te stellen. Het hof bezigt de verklaringen van de verdachte d.d. 1 en 4 februari 2014 voor het bewijs, op de wijze zoals hierboven bij het bewijs is weergegeven.

Het verweer wordt verworpen."

2.3.

Vooropgesteld moet worden dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De invoering van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv in 2005 heeft geen wijziging gebracht in het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de rechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal.

Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU9130.)

2.4.

Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman met een beroep op het deskundigenrapport van R. Horselenberg in hoger beroep is aangevoerd, de bekennende verklaringen van de verdachte betrouwbaar geacht. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat deze verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het Hof heeft ter motivering van die afwijking voorts onder meer overwogen dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een bekennende verklaring, door de politie uitgeoefende druk en gebruikte verhoortechnieken belangrijke oorzaken kunnen zijn voor de totstandkoming van valse bekentenissen, doch dat deze factoren in het geval van de verdachte geen rol kunnen hebben gespeeld nu hij zich spontaan tot de politie wendde, de bekennende verklaring duidelijk en ondubbelzinnig was en op meerdere dagen is herhaald, en de verdachte daaraan voorafgaand al ten overstaan van derden bekennend heeft verklaard. Het Hof heeft voorts, zoals hiervoor onder 2.2.5 is weergegeven, overwogen dat en waarom het, mede in het licht van de omstandigheid dat de deskundige in zijn rapportage buiten het terrein van zijn deskundigheid is getreden, geen waarde toekent aan het deskundigenoordeel van Horselenberg over de (on)betrouwbaarheid van de bekennende verklaringen. Aldus heeft het Hof ten aanzien van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het Hof is aanvaard. Mede gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen behoefde het Hof niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsman voor het overige en met betrekking tot het rapport van de deskundige is aangevoerd.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijftien jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze veertien jaren en acht maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, A.L.J. van Strien, M.T. Boerlage en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2019.