Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:766

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
18/00049
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:532
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op auto onder klaagster in strafzaak tegen klaagsters zus t.z.v. verdenking van diefstal van auto-onderdelen, terwijl auto, die eerst aan zus toebehoorde, tijdens detentie van zus is overgeschreven op naam van klaagster. Verhaalsfrustratie en wetenschap daarvan bij klaagster, art. 94a.4 Sv. Heeft Rb kunnen oordelen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat auto aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel om uitwinning hiervan te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/671
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/00049

Datum 21 mei 2019

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 november 2017, nummer RK 17/2111, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: klaagster.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2019.