Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:724

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
17/03467
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:71
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2030, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanhouding anti-zwarte-pietdemonstrant tijdens landelijke intocht van Sinterklaas in Gouda in 2014. Wederspannigheid met lichamelijk letsel tot gevolg (art. 180 jo. 181.1 Sr). Recht om te demonstreren, WOM en art. 10 en 11 EVRM. Was opsporingsambtenaar bij aanhouding van verdachte werkzaam 'in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening' a.b.i. art. 180 Sr, nu burgemeester door de door hem aan demonstratie gestelde beperking op ontoelaatbare wijze inbreuk heeft gemaakt op demonstratierecht van verdachte? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:2919 m.b.t. bestanddeel 'ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening'. Opvatting dat, indien door burgemeester gestelde beperking aan recht van demonstratie van verdachte (achteraf gezien) niet toelaatbaar was, dit meebrengt dat i.h.k.v. aanhouding van verdachte verrichte handelingen van opsporingsambtenaar niet zouden zijn verricht in rechtmatige uitoefening van zijn bediening a.b.i. art. 180 Sr, is mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in zijn algemeenheid onjuist. Omstandigheid dat Hof heeft vastgesteld dat verdachte werd aangehouden wegens verdenking van overtreding van art. 11 WOM maakt dit niet anders. Indien sprake was van ontoelaatbare beperking van demonstratierecht, kan dit tot gevolg hebben dat verdachte niet kan worden veroordeeld wegens overtreding van art. 11 WOM, maar kan die enkele omstandigheid nog niet meebrengen dat opsporingsambtenaar t.t.v. aanhouding niet in rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was. Een redelijk vermoeden van schuld a.b.i. art. 27 Sv kan immers ook hebben bestaan indien na aanhouding mocht blijken dat iemand feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet volgens wet strafbaar feit oplevert (vgl. ECLI:NL:HR:1987:AB8324). Bovendien steunt verweer dat opsporingsambtenaar bij aanhouding van verdachte niet in rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was, i.h.b. op stelling dat door burgemeester aangebrachte beperking op demonstratierecht van verdachte in strijd was met art. 10 en 11 EVRM. Hof heeft die beperking toelaatbaar geoordeeld. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat Hof op niet-onbegrijpelijke gronden heeft vastgesteld dat door burgemeester ex art. 5 WOM aangebrachte beperking werd gerechtvaardigd door in art. 2 WOM genoemd belang van voorkomen van wanordelijkheden, dat vrees daarvoor reëel was en dat veiligheid van verschillende demonstranten en van toeschouwers, onder wie kinderen, vergde dat niet op locatie A te Gouda maar op gescheiden plaatsen werd gedemonstreerd. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1328
NJ 2019/231
RvdW 2019/676
NBSTRAF 2019/185
SR-Updates.nl 2019-0112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 mei 2019

Strafkamer

nr. S 17/03467

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 juli 2017, nummer 22/004605-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe en F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft in haar conclusie van 29 januari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:71, onder 3 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat.

"Het draait in deze strafzaak om de vraag of de verdachte zich op 15 november 2014 tijdens de landelijke intocht van Sinterklaas in Gouda heeft schuldig gemaakt aan het zich met geweld verzetten tegen zijn aanhouding, waardoor een opsporingsambtenaar een overbelaste pols heeft opgelopen. Tot aanhouding van de verdachte werd overgegaan omdat hij samen met anderen demonstreerde tegen zwarte piet en - ondanks vorderingen daartoe van de politie - weigerde van De Markt naar een andere locatie in Gouda te vertrekken, terwijl de burgemeester het recht tot demonstratie van de actiegroep "Kick out Zwarte Piet" had beperkt."

Oordeel van het Hof

3 Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 15 november 2014 te Gouda toen de aldaar dienstdoende [betrokkene 1] (brigadier van politie Eenheid Den Haag) verdachte op verdenking van het gepleegd hebben van enig straf baar feit, op heterdaad ontdekt, vast had, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig:

- te verstarren en

- zijn spieren aan te spannen en

- zijn lichaam in een tegengestelde richting te bewegen dan die waarin die opsporingsambtenaar hem, verdachte, trachtte te bewegen en, ten gevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (te weten een overbelaste pols) bekwam."

3.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat de bij de aanhouding van de verdachte betrokken opsporingsambtenaren niet handelden in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de raadsman het volgende - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd:

- het optreden van de politie was in strijd met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), respectievelijk de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering en vereniging;

- niet is onderzocht of komen vast te staan of de aanhouding van de verdachte, die toen demonstreerde, op dat specifieke moment daadwerkelijk noodzakelijk was voor de bescherming van een van de in de artikelen 10 en 11 van het EVRM genoemde belangen.

Op het moment van de demonstratie zal, zo stelt de raadsman, moeten worden vastgesteld of de oorspronkelijke redenen om de demonstratie te verbieden nog steeds gelden, waarbij opnieuw moet worden gekeken naar de risico's die de demonstratie meebrengt;

- uit de stukken blijkt niet dat de burgemeester opdracht had gegeven tot beëindiging van de demonstratie, zoals is voorgeschreven in artikel 7 van de Wet op de openbare manifestaties (hierna WOM);

- het is niet toegestaan om demonstranten op grond van artikel 11 van de WOM aan te houden als die aanhouding het einde van de demonstratie tot gevolg heeft;

- waarom juist de verdachte uit de groep werd gehaald, is volstrekt onduidelijk;

- voor de verdachte was niet duidelijk dat hij was aangehouden en op grond waarvan hij was aangehouden;

- het optreden van de opsporingsambtenaren ten tijde van de aanhouding van de verdachte was disproportioneel; het gebruikte geweld was onaangekondigd en disproportioneel en dus in strijd met artikel 7 lid 1 Politiewet, omdat dit geweld in verhouding tot het beoogde doel niet redelijk was;

- de aanhouding was ook in strijd met het beginsel van subsidiariteit, omdat ook op een andere manier een einde aan de situatie had kunnen worden gemaakt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vaststaande feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van de zich in het dossier bevindende stukken, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, het volgende vast.

Op 11 november 2014 vond er een overleg plaats tussen de actiegroep "Kick Out Zwarte Piet" en de burgemeester van Gouda. Tijdens dat overleg heeft de actiegroep kenbaar gemaakt dat zij gebruik wilde maken van haar recht om tijdens de landelijke intocht van Sinterklaas op 15 november 2014 te Gouda te demonstreren op de Markt in Gouda. Er zouden ongeveer honderd demonstranten aanwezig zijn.

Bij besluit d.d. 12 november 2014 bepaalde de burgemeester dat de demonstratie diende plaats te vinden op het Burgemeester Jamesplein, voor het Huis van de Stad.

De verdachte is op 15 november 2014 in een bus met andere betogers in de richting van Gouda gereisd. In de bus bevonden zich ongeveer vijftig personen. De verdachte heeft deze personen in de bus toegesproken.

De bedoeling was dat vreedzaam, in stilte, individueel, zou worden gedemonstreerd. In de bus waren mensen aanwezig die een T-shirt droegen met teksten gericht tegen Zwarte Piet. De verdachte was er zo doende van op de hoogte dat deze tijdens de demonstratie zouden worden gedragen.

Op 15 november 2014 zagen opsporingsambtenaren die deel uitmaakten van de Anti Conflict Eenheid van de politie Den Haag dat groepjes demonstranten zich op de Markt in Gouda hadden verzameld. Er waren demonstranten die een spandoek met zich meedroegen. Andere demonstranten waren herkenbaar aan kleding met daarop de tekst: "Zwarte Piet Niet". De groepjes werden steeds groter.

In opdracht van een commandant van de Anti Conflict Eenheid werden leden van de verschillende groepjes door opsporingsambtenaren van de Anti Conflict Eenheid aangesproken, waarbij hun te verstaan werd gegeven dat zij zich van de Markt moesten verwijderen en zich moesten begeven naar de voor de demonstratie aangewezen locatie. Ook wezen de opsporingsambtenaren de demonstranten op het risico te worden aangehouden als zij zich niet van de Markt zouden verwijderen. In ieder geval is dat vanaf 11.30 uur gebeurd. Toen geen gehoor werd gegeven aan een vordering zich te begeven naar de aangewezen plek hebben, vanaf 11.44 uur, aanhoudingen plaatsgevonden.

Omstreeks 13.00 uur zag opsporingsambtenaar [betrokkene 2] een groep mensen met hun armen in elkaar gehaakt staan. In die groep bevonden zich zwartepiet-niet demonstranten die eerder door leden van de Anti Conflict Eenheid waren aangesproken. Voor [betrokkene 2] was duidelijk dat de groep bezig was met een vorm van protest.

[betrokkene 2] hoorde van ouders met kleine kinderen dat zij zich door de aanwezigheid van deze groep demonstranten niet veilig voelden. Bovendien bleken leden van de groep pro-zwartepieten de confrontatie te zoeken.

Op aanwijzing van de Anti Conflict Eenheid ging de politie rond 13.05 uur over tot aanhouding van veertien personen, onder wie de verdachte. De politie heeft daarbij geweld gebruikt tegen de verdachte.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij bij het overleg met de burgemeester aanwezig is geweest en dat hij de dag vóór de intocht heeft vernomen dat er niet mocht worden gedemonstreerd op de Markt maar wel op een andere plaats. De verdachte heeft toen geen verweer gevoerd tegen dit besluit, laat staan dat hij een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter heeft gevraagd naar aanleiding van het besluit van de burgemeester.

Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij deel uitmaakte van de groep waarin de leden met hun armen in elkaar gehaakt stonden.

Beoordelingskader

Bij de beoordeling van het gevoerde verweer stelt het hof voorop dat de vrijheid om te demonstreren een fundamenteel recht is. Dat recht wordt gewaarborgd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM.

Uit genoemde bepalingen volgt dat de vrijheid om te demonstreren mag worden onderworpen aan beperkingen of sancties die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van (onder meer) de openbare veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.

De WOM, een wet in formele zin, behelst de wettelijke bepalingen betreffende het recht tot vergadering en betoging. In artikel 2 van de WOM is bepaald in welke gevallen dat recht kan worden beperkt. De bevoegdheid tot beperking kan slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 5 van de WOM kan de burgemeester - naar aanleiding van een kennisgeving - voorschriften en beperkingen stellen.

In artikel 7 van de WOM is bepaald dat de burgemeester de opdracht kan geven een demonstratie terstond te beëindigen onder meer indien in strijd wordt gehandeld met een voorschrift of beperking.

Artikel 11 WOM behelst de strafbepaling. In het eerste lid, aanhef en onder b, is onder meer bepaald dat handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 5 wordt gestraft met hechtenis of een geldboete.

Oordeel hof

Om te komen tot de beantwoording van de vraag of de opsporingsambtenaren, waaronder de opsporingsambtenaar Oost, in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening waren/was, zal het hof eerst bezien of het recht om te demonstreren op de in de wet voorziene wijze was beperkt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de beschikking gekregen over het op 12 november 2014 genomen besluit van de burgemeester. Het besluit is gevoegd als bijlage bij het op schrift gestelde requisitoir van de advocaat-generaal, dat zich in het dossier bevindt.

Uit genoemd besluit blijkt dat de betoging waarop de kennisgeving van actiegroep "Kick Out Zwarte Piet" betrekking had als volgt is beoordeeld:

"De vrees van wanordelijkheden bij het plaats vinden van de door u voorgenomen demonstratie op de Markt is reëel te noemen vanwege de volgende omstandigheden:

- Er is sprake van een steeds meer polariserende samenleving en ook op dit thema verhardt de discussie;

- Zowel op social media als op andere plaatsen in het publieke debat is deze polarisatie en verharding zichtbaar;

- Op de Markt in Gouda zal het publiek vooral bestaan uit mensen die in ieder geval niets tegen Zwarte Piet hebben maar die zich wel gemakkelijk tegen het anti zwartepiet protest kunnen keren;

- Op diezelfde Markt, waar de ruimte beperkt is, is geen ruimte om groepen gescheiden van elkaar te houden. Capaciteit is niet het probleem maar massale politie-inzet heeft over het algemeen geen de-escalerend effect;

- Verstoring van de openbare orde heeft direct effect op de veiligheid van toeschouwers en in het bijzonder de kinderen. Hierbij is het onder de voet lopen van kinderen met alle gevolgen van dien reëel aanwezig".

Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden heeft de burgemeester een demonstratie op de Markt in Gouda op 15 november 2014 onverantwoord geacht.

Om de veiligheid van de verschillende demonstranten en het reguliere publiek in de directe omgeving te kunnen waarborgen en het risico op wanordelijkheden en verkeersproblemen te kunnen inperken, is de burgemeester tot de conclusie gekomen dat de verschillende demonstraties slechts statisch konden plaatsvinden op locaties die (fysiek) van elkaar waren gescheiden en die goed te overzien waren. Daarbij is gekozen voor het Burgemeester Jamesplein voor het Huis van de Stad.

Het hof concludeert op grond van de hierboven weergegeven inhoud van het Besluit dat het recht om te demonstreren op de bij de wet voorgeschreven wijze, te weten artikel 5 van de WOM, was beperkt en dat deze beperking noodzakelijk werd geacht in verband met de belangen genoemd in artikel 2 van de WOM.

Het hof is van oordeel dat door het stellen van de beperking de demonstratie anti Zwarte Piet niet onmogelijk is gemaakt. Dat de demonstratie op de aangewezen plek minder aandacht zou trekken doet daaraan niet af. Dat de actiegroep niet op een andere plaats dan de Markt wenste te demonstreren doet daaraan evenmin af.

De verdachte maakte vlak voor zijn aanhouding deel uit van een groep mensen die met de armen in elkaar gehaakt stonden. In deze groep bevonden zich ook mensen die een T-shirt met de tekst "Zwarte Piet Niet" droegen. Het hof is van oordeel dat de verdachte uiterlijk op het moment van inhaken bij deze groep is gaan deelnemen aan een demonstratie.

De demonstratie waaraan de verdachte deelnam was in strijd met de beperking die de burgemeester aan het recht om te demonstreren had gesteld. Dit leverde de verdenking op dat de verdachte artikel 11 van de WOM had overtreden en was een grond voor aanhouding van de verdachte. Dat de politie daarbij de verdachte uit de groep heeft getrokken, doet - gegeven de aannemelijkheid van de noodzaak om de aanhouding van de immers nog ingehaakte verdachte aldus te realiseren - geen afbreuk aan de rechtmatigheid van haar optreden.

De suggestie van de verdediging dat de politie het vooral op de verdachte gemunt had, door juist hem uit de groep te halen, vindt geen steun in het onderzoek ter terechtzitting. In dat verband wijst het hof op de verklaring van verdachte dat ook anderen uit de groep zijn aangehouden. Verder heeft de getuige [getuige 1] op 6 januari 2015 bij de rechter-commissaris, eveneens verklaard dat ook anderen werden vastgegrepen en dat de indruk die sommige getuigen hebben gehad, het beeld dat zij hebben geschetst dat agenten alleen op de verdachte afgingen, onjuist is.

Uit de stukken volgt dat, op het moment van de aanhouding van de verdachte, zich - verspreid over de Markt te Gouda - diverse (groepjes) personen bevonden, zoals o.a. die welke behoorden tot de die ochtend in de bus door de verdachte toegesproken personen. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat de aanhouding van de verdachte (met diens groep) feitelijk een beëindiging van de demonstratie was. Reeds hierom gaat het daarop gerichte verweer niet op.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was omdat deze niet noodzakelijk was voor de bescherming van een van de in artikelen 10 en 11 van het EVRM genoemde belangen, zoals de bescherming van de openbare orde of het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten.

Het hof verwerpt dit verweer. Voor de aanhouding bestond voldoende rechtmatige grondslag in de verdenking van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit. Naar het oordeel van het hof werd met de aanhouding geen inbreuk gemaakt op een fundamenteel recht van de verdachte, nu daartoe werd overgegaan op een moment dat juist die omstandigheden acuut dreigden, met het oog waarop de daartoe bevoegde Burgemeester een demonstratie daar ter plaatse enige dagen tevoren besloot te voorkomen. Voor de opvatting dat ook bij een dergelijke acute dreiging een aanhouding waartoe op zichzelf grond bestaat alsnog een afweging van de Burgemeester zou vergen, biedt het recht geen steun.

Ten aanzien van het punt dat voor de verdachte niet duidelijk was dat hij was aangehouden en op grond waarvan hij was aangehouden overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt vast dat uit de stukken niet blijkt dat de verdachte is medegedeeld dat hij werd aangehouden en op grond waarvan hij werd aangehouden. Dat levert een onherstelbaar vormverzuim op, waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt. Het hof ziet echter geen aanleiding aan dat vormverzuim een van de in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde consequenties te verbinden en zal volstaan met een constatering daarvan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet gesteld, noch gebleken is, dat de verdachte nadeel van dit vormverzuim heeft ondervonden. Gelet op hetgeen aan zijn aanhouding vooraf is gegaan heeft de verdachte kunnen en moeten begrijpen dat hij werd aangehouden omdat hij demonstreerde op een plek waar dat niet was toegestaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de agenten die naar de groep toe kwamen, hebben gezegd: "Jullie mogen hier niet demonstreren."

De verdediging heeft aangevoerd dat het geweld dat de politie bij de aanhouding van de verdachte heeft gebruikt disproportioneel was.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de aanhouding gezien. Op die beelden heeft het hof waargenomen dat opsporingsambtenaren de verdachte hebben gevraagd door te lopen. In plaats van aan het verzoek van de opsporingsambtenaren gehoor te geven, is de verdachte blijven staan.

De getuige [getuige 1] heeft daaromtrent op 6 januari 2016 bij de rechter-commissaris over de verdachte verklaard:

"(...) Hij probeerde, zoals van te voren afgesproken, zijn handen in zijn zij te houden. (...) [verdachte] bleef stil staan. Hij probeerde zoveel mogelijk zijn dood gewicht in de schaal te werpen, hij maakte zich zo zwaar mogelijk. (...) De agenten probeerden hem steeds vast te pakken en zijn armen recht te krijgen, maar elke keer probeerde hij weer de armen terug te brengen naar zijn zij. Hij veerde dan zijn armen terug".

Volgens de getuige [getuige 2] heeft de verdachte voordat hij naar de grond werd gewerkt zijn spieren aangespannen.

Op 6 januari 2016 heeft de getuige [getuige 3] bij de rechtercommissaris verklaard:

"(...) Drie of vier agenten trokken [verdachte] uit de groep. Agenten probeerden hem onder controle te krijgen. Het leek alsof hij aan het dansen was. Hij bewoog met zijn armen en benen".

Het hof komt op grond van zijn eigen waarnemingen, in samenhang bezien met de verklaringen van bovengenoemde getuigen, tot het oordeel dat de verdachte zijn aanhouding tegenwerkte.

Uit de verklaringen van opsporingsambtenaar Oost blijkt dat de verdachte zich in zijn ogen zodanig verzette dat het niet lukte hem onder controle te brengen. Voor Oost was dit aanleiding zijn collega's te hulp te schieten.

Uit de verklaringen van met name de getuige [getuige 1] blijkt voorts van een doelbewust verzet.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de politie geweld mocht gebruiken om de aanhouding te voltooien. Uit het dossier blijkt niet dat dit geweld disproportioneel is geweest. Het daarop gerichte verweer wordt derhalve verworpen.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat bij de aanhouding niet is voldaan aan het beginsel van subsidiariteit.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij denkt dat hij laat in de ochtend op de Markt aanwezig was. Hoewel uit het dossier niet blijkt dat de verdachte persoonlijk is aangesproken door de opsporingsambtenaren, acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte niet heeft gemerkt dat de politie aanwijzingen gaf dat demonstranten naar de aangewezen plek moesten gaan en dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat het risico bestond dat hij zou worden aangehouden als hij toch zou demonstreren op de Markt. Door onder deze omstandigheden op de Markt te blijven staan en op enig moment in te haken bij een groep die anti Zwarte Piet was, heeft de verdachte laten blijken niet van plan te zijn weg te gaan van de Markt. Nadat de politie tegen de groep had gezegd: "Jullie mogen hier niet demonstreren", zou de politie volgens de verdachte gezegd hebben: "lopen", hetgeen de groep gedaan zou hebben. Gelet op de wijze waarop de groep op dat moment ingehaakt stond en hetgeen de getuige [getuige 1] heeft verklaard over de vooraf gemaakte afspraak, acht het hof niet aannemelijk dat de groep gevolg gaf aan die aanwijzing en/of zich vrijwillig van de Markt zou (laten) verwijderen. De verdachte heeft daarover zelf ter terechtzitting in eerste aanleg ook verklaard dat de agenten zeiden dat ze weg moesten gaan, dat de groep vroeg: "waarom" en in gesprek wilde gaan. Daaruit blijkt reeds dat de groep niet voornemens was (onmiddellijk) gevolg te geven aan de aanwijzingen van de politie.

Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat van de politie niet kon werden gevergd om van een minder zwaar middel gebruik te maken, zodat met de beslissing om tot aanhouding over te gaan op het beginsel van subsidiariteit geen inbreuk is gemaakt. Het betreffende verweer wordt derhalve verworpen.

Samengevat komt het hof tot het oordeel dat de opsporingsambtenaren, en derhalve ook de opsporingsambtenaar Oost, verkeerde(n) in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening en dat het hierboven besproken verweer van de verdediging op alle onderdelen dient te worden verworpen."

Oordeel van de Hoge Raad

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt onder meer dat de opsporingsambtenaar bij de aanhouding van de verdachte niet werkzaam was 'in de rechtmatige uitoefening zijner bediening' als bedoeld in art. 180 Sr, omdat de burgemeester door de door hem aan de demonstratie gestelde beperking op ontoelaatbare wijze inbreuk heeft gemaakt op het demonstratierecht van de verdachte.

4.2.

In zijn arrest van 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het bestanddeel 'ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening' het volgende overwogen:

"Bij het antwoord op de vraag of de ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van de bediening heeft als uitgangspunt te gelden dat de politieambtenaar die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr. Bij de beoordeling of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken. (Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ2808)."

4.3.

De klacht kan niet tot cassatie leiden. De klacht berust op de opvatting dat, indien de door de burgemeester gestelde beperking aan het recht van demonstratie van de verdachte (achteraf gezien) niet toelaatbaar was, dit meebrengt dat de in het kader van de aanhouding van de verdachte verrichte handelingen van de opsporingsambtenaar niet zouden zijn verricht in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als bedoeld in art. 180 Sr.

Deze opvatting is, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, in zijn algemeenheid onjuist.

4.4.

Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, maakt de omstandigheid dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte werd aangehouden wegens verdenking van overtreding van art. 11 WOM dit niet anders. Indien, zoals het middel veronderstelt, sprake was van een ontoelaatbare beperking van het demonstratierecht, kan dit tot gevolg hebben dat de verdachte niet kan worden veroordeeld wegens overtreding van art. 11 WOM, maar kan die enkele omstandigheid nog niet meebrengen dat de opsporingsambtenaar ten tijde van de aanhouding niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was. Een redelijk vermoeden van schuld, zoals bedoeld in art. 27 Sv, kan immers ook hebben bestaan indien na de aanhouding mocht blijken dat iemand het feit waarvan hij is verdacht niet heeft begaan of dat feit niet een volgens de wet strafbaar feit oplevert (vgl. HR 3 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AB8324).

4.5.

Bovendien kan de klacht ook om de volgende redenen niet tot cassatie leiden. Het verweer van de verdediging dat de opsporingsambtenaar bij de aanhouding van de verdachte niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was, steunt in het bijzonder op de stelling dat de door de burgemeester aangebrachte beperking op het demonstratierecht van de verdachte in strijd was met de art. 10 en 11 EVRM. Het Hof heeft, blijkens zijn hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen, die beperking toelaatbaar geoordeeld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof op niet-onbegrijpelijke gronden heeft vastgesteld dat de door de burgemeester op de voet van art. 5 WOM aangebrachte beperking werd gerechtvaardigd door het in art. 2 WOM genoemde belang van het voorkomen van wanordelijkheden, dat de vrees daarvoor reëel was en dat de veiligheid van de verschillende demonstranten en van toeschouwers, onder wie kinderen, vergde dat niet op de Markt te Gouda maar op gescheiden plaatsen werd gedemonstreerd.

5 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2019.