Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:715

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
14-05-2019
Zaaknummer
15/03052
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:507
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:4783, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag door vanuit personenauto meermalen te schieten op inzittende van andere auto in Almere in oktober 2012, art. 287 Sr. Noodweer, aanvallende gedraging en culpa in causa. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. voorwaarden voor aanvaarding beroep op noodweer, gedraging die niet kan worden aangemerkt als “verdediging” maar als aanvallend moet worden gezien en culpa in causa. Indien Hof heeft geoordeeld dat gedragingen verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend moeten worden gezien, is dat oordeel niet z.m. begrijpelijk. Blijkens bewijsvoering heeft Hof vastgesteld dat op PD2 niet alleen vanuit auto van verdachte en medeverdachte is geschoten op andere auto maar dat eveneens is geschoten op auto van verdachte en medeverdachte, terwijl - mede gelet op voor bewijs gebruikte verklaringen van verdachte, die inhouden dat verdachte op PD2 werd beschoten en dat er werd teruggeschoten - niet is komen vast te staan dat verdachte en/of medeverdachte als eerste heeft/hebben geschoten. Indien Hof heeft geoordeeld dat sprake is geweest van “culpa in causa”, is oordeel evenmin z.m. begrijpelijk, in aanmerking dat Hof heeft vastgesteld dat op PD1 is geschoten door aangever richting auto van verdachte en medeverdachte, waarop die hard is weggereden en dat verdachte en medeverdachte hun auto op PD2 weliswaar op betrekkelijk korte afstand van andere auto zichtbaar hebben stilgezet, maar dat uit ’s Hofs motivering niet naar voren komt dat verdachte en medeverdachte zich voorafgaand aan vuurwapengeweld zodanig hebben gedragen, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aan slagen van beroep op noodweer in de weg staan. Ontkenning van verdachte dat hij heeft geschoten of schieten heeft willen medeplegen, kan verwerping verweer niet zelfstandig dragen. Die omstandigheid kan wel van belang zijn voor door rechter te verrichten onderzoek of aan voorwaarden voor aanvaarding van beroep op noodweer(exces) is voldaan, in welk verband immers betekenis kan toekomen aan inhoud en indringendheid van door of namens verdachte aangevoerde argumenten. Volgt partiele vernietiging (t.a.v. strafbaarheid bewezenverklaring, strafbaarheid verdachte en strafoplegging) en terugwijzing. Samenhang met 15/03070.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1212
NJ 2019/218
RvdW 2019/646
NBSTRAF 2019/172
SR-Updates.nl 2019-0234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 mei 2019

Strafkamer

nr. S 15/03052

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 juni 2015, nummer 21/002156-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - wat betreft de beslissingen ter zake van feit 1A alsmede de strafoplegging en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer ten aanzien van het onder 1A bewezenverklaarde feit.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1A bewezenverklaard dat:

"hij op 25 oktober 2012 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet meermalen, in/op/nabij de [c-straat] en de [e-straat] vanuit een personenauto met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring
- voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:

"Vast staat dat er een conflict is ontstaan tussen enerzijds [medeverdachte] en anderzijds de broers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Hoewel er in het dossier aanwijzingen voor zijn dat de reden voor het conflict te maken heeft met criminele activiteiten aan beide zijden (afpersing in de horeca, handel in goud, drugs, anabolen en nep-medicijnen), heeft het onderzoek in deze zaak daarover geen duidelijkheid opgeleverd. Geen van de betrokkenen heeft over de achtergrond van het geschil een aannemelijke verklaring willen geven. Wel staat vast dat verdachte [slachtoffer 1] , bijgenaamd " [slachtoffer 1] ", op zondag 21 oktober 2012 in de horecagelegenheid [A] te [plaats] flink is toegetakeld (gebroken neus, gekneusde vinger en gaten in het hoofd) door [medeverdachte] , bijgenaamd " [medeverdachte] ". [slachtoffer 2] , de broer van [slachtoffer 1] , is na de mishandeling direct naar Amsterdam gereden en wordt onderweg geflitst (p. 1757). [slachtoffer 1] heeft zich in het ziekenhuis voor zijn verwondingen laten behandelen, maar heeft geen aangifte bij de politie gedaan.

Op 22 oktober 2012 stuurt [slachtoffer 2] een bericht aan zijn vriend [betrokkene 1] (p. 3077-3079): "Ik volg, maar [medeverdachte] ga ik wel pakken. Ik kan niet wachten tot ik die flikker pak." Op 23 oktober 2012 wordt er tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte] acht keer telefonisch contact gezocht. Die dagen hebben [medeverdachte] en verdachte veel telefonisch contact en op 24 oktober 2012 brengen ze een belangrijk gedeelte van de dag met elkaar door. Ze kennen elkaar van het trainen in de sportschool en als celgenoten in 2006 in de koepel te Haarlem. Verdachte weet van het probleem dat [medeverdachte] heeft met de broers [slachtoffers] . Op 24 oktober 2012 is het laatste telefonisch contact tussen [medeverdachte] en verdachte om 23.22 uur. Ze zijn dan nog in Amsterdam. Nadat [slachtoffer 1] om 23.45 uur telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte] (p. 1558), rijden [medeverdachte] en verdachte in een Opel Signum van Amsterdam naar het [B] aan [a-straat] in Almere voor een ontmoeting met [slachtoffer 2] .

[medeverdachte] en verdachte arriveren op 25 oktober 2012, iets na middernacht in de shop van het [B] . Op de camerabeelden van het pompstation is te zien dat [medeverdachte] binnen blijft wachten. Verdachte loopt een paar keer van binnen naar buiten en gaat de auto wassen. Zichtbaar is dat hij een tasje op de linkerheup draagt.

De broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] rijden met tenminste twee auto's naar het [B] . [slachtoffer 1] wacht in zijn witte Fiat 500 op een industrieterrein in de buurt van het pompstation, zoals hij ter zitting van het Hof heeft verklaard. Er zitten nog anderen bij hem in de auto, maar hun namen heeft hij niet willen noemen.

[slachtoffer 2] rijdt in een VW Jetta. Hij komt om 00.15 uur de shop van het pompstation binnen. De VW Jetta blijft op dezelfde plaats voor de ingang van de shop staan met de lichten aan tot het vertrek om 00.24 uur.

Op de camerabeelden in de shop is te zien dat [slachtoffer 2] afwerend reageert op toenaderingen van [medeverdachte] (p. 1547). Er is ruzie tussen de twee en er wordt geduwd (p. 1493). Verdachte bemoeit zich niet met deze ontmoeting, die ongeveer 8 minuten duurt.

Om 00.24 uur stapt [slachtoffer 2] aan de passagierszijde in de VW Jetta en vertrekt. Deze auto valt op door een fellere kentekenverlichting aan de linkerzijde (achteruitrijcamera) en wordt direct gevolgd door een grijskleurige Mitsubishi Lancer (p. 1497).

Om 00.26 uur rijdt de Opel Signum weg met verdachte als bestuurder en met [medeverdachte] als passagier (p. 1501), direct gevolgd door een Renault Megane en een VW Polo (p. 1502). Ze rijden de [b-straat] op en slaan linksaf naar [a-straat] . Ze doen over de rit naar de [wijk 1] 11 minuten, waar normaal 8 minuten voor staat. Volgens de verklaring van verdachte is [medeverdachte] onderweg nog bij een café uitgestapt, maar die ontkent dat.

Om 00.31 uur belt [slachtoffer 1] naar [medeverdachte] (p. 1558). [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij wist dat de andere partij wapens had en een kogelwerend vest.

[slachtoffer 2] sms't naar zijn goede vriend [betrokkene 2] om 00.32 uur: "Bid voor me, ik hou van je broer."

Kort hierna vinden er in de nacht van 25 oktober 2012 in Almere drie schietincidenten plaats, hierna ook kort aangeduid met Plaats Delict (PD) 1, 2 en 3.

PD1 hoek [c-straat] en [d-straat]

De Opel Signum met verdachte als bestuurder en [medeverdachte] als passagier parkeert om ongeveer 00.37 uur in de [c-straat] op de hoek met de [d-straat] , vlakbij een doorgang naar de woning van de moeder van [medeverdachte] aan het [f-straat 1] . De Fiat 500 met [slachtoffer 1] als bestuurder stopt in de [c-straat] naast de passagierskant van de Opel Signum. Vervolgens rijdt [slachtoffer 1] met de Fiat achteruit en gaat achter de Opel staan.

Getuige [getuige 3] , wonende in de [c-straat] , heeft verklaard dat ze een auto hoorde stoppen voor haar deur. Ze kijkt uit het zolderraam en ziet een man met zwarte kleding uit een kleine witte auto stappen. Hij pakt een pistool en schiet met de arm naar voren (verklaring bij de RC) meerdere malen in de richting van de hoek [c-straat] / [d-straat] . De donkergrijze auto (Opel Signum) rijdt hard weg de [d-straat] in richting de [e-straat] . De schutter loopt terug naar zijn auto.

Getuige [getuige 4] (p. 1316) ziet de Opel voorbijrijden en rechtsaf slaan de [e-straat] op naar de kruising met de [c-straat] .

Getuige [getuige 1] en [getuige 2] horen deze eerste schoten en zien dan vervolgens het tweede schietincident op PD 2.

Om 00.39 uur komt de eerste melding over het schieten binnen bij de politie, net na het eerste schietincident (p. 0018).

Op de hoek van de [c-straat] en de [d-straat] vindt de politie later 7 hulzen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de Opel door de [d-straat] is weggereden en dat [slachtoffer 1] in zijn Fiat is gekeerd en door de [c-straat] is teruggereden naar de [e-straat] .

PD2 hoek [e-straat] en [c-straat]

Van de camerabeelden van het Shell-pompstation in de buurt van PD2 is een beschrijving gegeven met de beweging van auto's. Daaruit kan worden afgeleid dat om ongeveer 00.39 uur de Opel Signum en de Fiat 500 ongeveer 10 seconden stilstaan bij de kruising. De Fiat staat aan het eind van de [c-straat] met de neus richting de [e-straat] en de Opel staat daar haaks op aan de [e-straat] bij een lantaarnpaal met de neus richting het Shell-pompstation.

Getuige [getuige 1] en [getuige 2] zien eerst de Fiat en de
VW Jetta naast elkaar staan op de [c-straat] . Ze horen schoten en zien de VW Jetta hard achteruit rijden. Na het schieten rijdt de VW Jetta weer naast de Fiat. Daarna rijden de beide auto's achter elkaar hard weg richting de Shell en de [wijk 1] , de VW Jetta voorop ( [getuige 1] p. 1217).

De getuige [getuige 3] ziet dezelfde man als de eerste schutter (PD 1) met één been uit de witte auto staan. Het portier is open. Ze hoort meerdere schoten door elkaar (p. 1204).

Op PD 2 worden, vlakbij de plaats waar de Fiat 500 heeft gestaan, 5 hulzen gevonden, een verwrongen kogelmantel met loden kogelkop en een wieldop Fiat 500 met schotinslag (p. 1137). Bij nader onderzoek blijken deze hulzen met hetzelfde wapen te zijn afgeschoten als de 7 hulzen op PD 1.

De Opel Signum blijkt schotbeschadigingen te hebben aan de passagierszijde: haaks op de bovenkant van het voorportier, op het achterwiel, schuin midden op het voorportier en (waarschijnlijk als ricochet) schuin op de onderstijl en het voorwiel.

Voorts is er een inslag op de gevel van New York Pizza gevonden (in een rechte lijn met de plaats van de Fiat 500 via de plaats van de Opel Signum, op ongeveer 1.20 m. hoog) en zijn bloedsporen van de inzittende [medeverdachte] gevonden, onder meer op de kofferdeksel van de Opel Signum.

Voor het schieten in de tegenovergestelde richting, vanuit de Opel Signum naar de Fiat 500 zijn de volgende bewijzen:

- een inschot in de motorkap van de Fiat 500 (door een vervanging van het rechter portier konden mogelijke beschadigingen daar niet meer worden getraceerd);

- een schampschot en een inschot op een boom in één lijn van de [e-straat] (lantaarnpaal) naar de [c-straat] (plaats Fiat);

- kruitsporen in de Opel Signum en schiethanden van verdachte, die wijzen op een betrokkenheid bij een schietincident;

- in totaal 9 gevonden hulzen in en bij de Opel Signum, zeer waarschijnlijk afgeschoten met het Steyr-wapen, één van de drie aangetroffen vuurwapens;

- een deel van de 9 hulzen en de drie vuurwapens zijn vlakbij de Opel Signum gevonden in een tasje met DNA-sporen van [medeverdachte] en verdachte;

- DNA-sporen in de kolf van het Steyr-wapen matchen met verdachte en een bloedspoor aan de onderzijde met [medeverdachte] .

Uit de camerabeelden van het Shell-pompstation blijkt dat eerst de Opel Signum wegrijdt van PD 2, 11 sec. later de VW Jetta en 5 sec. later de Fiat 500, deze laatste met lekke band en een benzinelek.

PD3 [g-straat] en rotonde bij [B] aan [a-straat]

De Opel Signum is op de rotonde uit de bocht gevlogen en iets verder gestrand met twee lekke banden en een kapot wiel. Verdachte is eerst bellend naast de auto gezien en later is hij daar aangehouden.

In de Opel Signum is in het opbergvak achter de bestuurdersstoel een tas gevonden met 3 geprepareerde tie-wraps. Voorts zijn gevonden in deze auto onder de voorstoelen 2 hulzen, een bloedspoor op het kofferdeksel, één huls naast de auto bij het bestuurdersportier en één huls in de groenstrook bij de auto.

Op het talud bij de Opel Signum, waar [medeverdachte] en verdachte naartoe zijn gelopen, zijn een kogelwerend vest en een tasje door de politie gevonden. In dit tasje van verdachte werden drie vuurwapens aangetroffen:

- een semi-automatisch werkend pistool van het merk Sundance Industries, model Laser 25. kaliber 6,35 mm Browning, voorzien van serienummer […] ;

- een (niet werkend) pistool met de uiterlijke kenmerken van een semi-automatisch alarmpistool van het merk BBM, model 315 AUTO, waarbij de loop is vervangen, zodat het wapen geschikt is gemaakt voor het verschieten van scherpe patronen van het kaliber 6,35 mm Browning;

- een semi-automatisch werkend pistool van het merk Steyr, model S9, kaliber 9 mm parabellum (p. 1519 en 1520).

Op het talud is één schot in de lucht afgeschoten (met de Sundance). De getuige ziet de schutter ( [medeverdachte] ) wegvluchten (p. 1362).

Op grond van forensisch onderzoek is komen vast te staan dat de hulzen die in en bij (onder meer in voornoemd tasje) de Opel Signum zijn aangetroffen alle zeven goed kunnen zijn verschoten met voornoemd pistool van het merk Steyr en dat nagenoeg kan worden uitgesloten dat ze met een ander vuurwapen zijn verschoten.

Ten tijde van deze gebeurtenissen waren verdachte en [medeverdachte] respectievelijk bestuurder en bijrijder van de Opel Signum en was [slachtoffer 1] bestuurder van de Fiat 500.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 24 oktober 2012 twee vuurwapens, beide van kaliber 6,35 mm, van huis heeft meegenomen en dat hij die wapens gedurende de gehele dag onder handbereik heeft gehad. Deze wapens droeg hij op 25 oktober 2012 rond 00:30 uur nog steeds bij zich. Direct nadat [medeverdachte] en verdachte, zittend in de Opel Signum van verdachte, op de hoek van de [c-straat] en de [d-straat] in Almere door
[slachtoffer 1] waren beschoten, zijn zij in de Opel weggereden. Eenmaal op de [e-straat] zagen [medeverdachte] en verdachte de auto van [slachtoffer 1] bij de kruising met de [c-straat] staan. Verdachte bracht de Opel tot stilstand. [medeverdachte] zou toen naar eigen zeggen hebben willen schieten met zijn zwarte pistool met geluiddemper, maar dit wapen weigerde dienst. Volgens [medeverdachte] werd er vervolgens vanuit de auto (waarin hij alleen met verdachte zat) in de richting van de auto met [slachtoffer 1] geschoten. Hij deed dat zelf niet en over het wapen waarmee dat gebeurde en over wie dat wapen hanteerde wil [medeverdachte] niet verklaren.

Vast staat dat de Fiat 500 meerdere keren is getroffen door kogels. Uit onderzoek is gebleken dat in de motorkap een kogel is ingeslagen, terwijl in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar deze auto op de kruising van de [c-straat] met de [e-straat] heeft stilgestaan een wieldop is aangetroffen die ook door een kogel is geraakt. Daarnaast staat vast dat op deze kruising van PD 2, gezien vanaf de plaats waar de
Opel Signum heeft stilgestaan, in één lijn via de plaats waar de Fiat 500 heeft stilgestaan een kogel is ingeslagen in de stam van een boom. Het hof neemt aan dat ook deze kogel is afgevuurd vanuit de Opel Signum op de Fiat 500.

Bij verdachte werden kort na zijn aanhouding op 25 oktober 2012 zogenaamde schiethanden afgenomen (SIN: AAFG3265NL). Door het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag is in de bemonsteringen van de rechter- en linkerhand respectievelijk 155 en 30 categorie A deeltjes aangetroffen. Deze categorie A deeltjes hebben een elementsamenstelling die karakteristiek is voor schotrestdeeltjes.

Onderzoek door het NFI, weergegeven in een rapport d.d. 10 januari 2013, heeft uitgewezen dat DNA van verdachte is aangetroffen aan de binnenzijde van de kolf en op de randen van de patroonhouder van het Steyr 9 mm pistool, welk pistool is aangetroffen in het tasje waarin eveneens het Sundance Industries pistool en het omgebouwde BBM pistool, beide 6,35 mm, werden aangetroffen. De sporen van verdachte op het Steyr-wapen passen bij het gebruik van dit wapen, bijvoorbeeld bij het laden.

Het met het DNA van [medeverdachte] matchende bloedspoor aan de onderzijde van hetzelfde wapen wijst niet direct op een schiethandeling, maar het bevestigt wel dat ook hij dit wapen in handen heeft gehad.

Gelet op het voorgaande, kan worden aangenomen dat in ieder geval verdachte op 25 oktober 2012 op PD 2 vanuit de Opel Signum heeft geschoten in de richting van de Fiat 500 en [slachtoffer 1] .

Het hof concludeert voorts op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden dat verdachte en [medeverdachte] in de Opel Signum, kort na de eerste confrontatie met [slachtoffer 1] op PD 1, op PD 2 een nieuwe confrontatie met [slachtoffer 1] hebben opgezocht of op zijn minst niet uit de weg zijn gegaan. In het bijzonder is daarbij van belang dat zij, met drie vuurwapens en een kogelwerend vest in hun bezit, hun auto op betrekkelijk korte afstand van de Fiat 500 met [slachtoffer 1] hebben stilgezet, dat vanuit de voertuigen vrij zicht was op het andere voertuig en dat daarna over en weer is geschoten.

Het hof concludeert op grond van al deze feiten en omstandigheden, zoals hiervoor vastgesteld, dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] bij het schieten op [slachtoffer 1] in de zin van medeplegen. Onder de gegeven omstandigheden is het immers slechts toeval dat het wapen van [medeverdachte] niet en het wapen van verdachte wel goed functioneerde. Hun gezamenlijke opzet was gericht op dit schieten op PD 2, waarbij op zijn minst een aantal kogels op een zodanige plaats en hoogte terecht zijn gekomen, dat het slechts aan toeval te danken is dat de inzittende van de Fiat 500 niet dodelijk door die kogels is getroffen. Dat daarmee de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat [slachtoffer 1] fataal letsel zou oplopen behoeft geen betoog. Verdachte heeft door zo met zijn medeverdachte [medeverdachte] te handelen op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] door hun schoten gedood zou worden.

Daar komt nog bij dat de houding van verdachte direct na de schietincidenten niet past bij de rol die hij volgens zijn eigen verklaring zou hebben gespeeld. Ook op de terechtzitting van het hof heeft hij verklaard slachtoffer te zijn van het hele gebeuren op 25 oktober 2012. Hij zou daar alleen door toeval aanwezig zijn geweest, zich er niet aan hebben kunnen onttrekken en van de aanwezigheid van vuurwapens niet op de hoogte zijn geweest.

Deze gestelde slachtofferrol past naar het oordeel van het hof niet bij de wijze waarop verdachte op de komst van de politie reageerde, toen die hem aanspraken kort nadat verdachte met zijn auto was gestrand. In plaats van zich bekend te maken als getuige en/of slachtoffer van verschillende schietincidenten, zei de verdachte alleen tegen de agenten dat hij een lekke band had. Daarvoor had hij volgens zijn eigen verklaring bij het hof de kogelgaten in de voorruit van de Opel Signum met een soort karatetrap onherkenbaar gemaakt. Hij liet daarop de politie ook weer vertrekken."

2.2.3.

De bewezenverklaring steunt voorts op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof van 12 juni 2015, blijkens het proces-verbaal van die zitting - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

Naast [medeverdachte] was er niemand bij mij in de auto.

Ik zette de auto neer op de hoek met de [c-straat] , links bij een lantaarnpaal. [medeverdachte] zei "stop" maar hij kreeg niet eens de kans om uit te stappen. Ik heb toen die man wel gezien, maar ik kende hem niet. Ik ben, toen er op ons werd geschoten, gebukt weggereden, de [d-straat] in. Ik had in mijn gedachten dat ik in de richting van het Shell tankstation moest rijden, omdat daar de uitgang van de wijk was. U houdt mij voor dat uit onderzoek blijkt dat ik daar op enig moment zeventien seconden heb stilgestaan. Er stond daar toen een auto verdekt opgesteld en daar kwamen allemaal lichtflitsen vandaan. Ik was kort daarvoor beschoten en werd nu weer beschoten.

(...)

7. De verklaring van verdachte ( [verdachte] ) als getuige in de zaak van zijn medeverdachten tegenover de rechter-commissaris in de rechtbank Midden Nederland op 13 september 2013, - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

(...)

[medeverdachte] is met mij van Amsterdam weer meegereden naar Almere. Bij de [B] had hij een gesprek met [slachtoffer 2] . We reden daarna naar de [wijk 1] . Ik bestuurde de auto en [medeverdachte] zat op de passagiersstoel. Daar kwam een witte Fiat naast mij staan. Hij reed achteruit en [medeverdachte] schreeuwde: "rijd weg, hij heeft een wapen." Hij (hof: bestuurder Fiat) stond naast zijn auto. Ik zie hem de arm strekken en gelijk schieten. Ik zag de flitsen van het schieten. Ik zag de Shell. Ik hoorde een inslag. Ik zag [medeverdachte] twee pistolen onder zijn kleding vandaan halen. Ik zag lichten van knallen op mij afkomen. [medeverdachte] ging terugschieten. Vanuit de Fiat werd ook geschoten. De VW reed achteruit en kwam toen weer dichterbij. Ik reed met hoge snelheid weg. Ik werd achterna gezeten door de VW. Ik hoorde inslagen in de auto. De inslag in de voorruit van mijn auto was op de [e-straat] .

(...)

10. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2012075980, d.d. 8 november 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door een opsporingsambtenaar (p. 1456 tot en met p. 1514), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 1 en 2 november 2012 werden de tussen 24 oktober 2012 te 23:20 uur en 25 oktober 2012 te 01:00 uur opgenomen beveiligingsbeelden van de [B] aan de [b-straat 1] te [plaats] veiliggesteld door collega [verbalisant] . Op 5 november 2012 stelde ik een onderzoek in naar deze veiliggestelde beveiligingsbeelden van in en rond het benzinestation [B] aan de [b-straat 1] te [plaats] . Ik zag dat er beelden waren veiliggesteld van 16 camera's.

(p. 1489 e.v.) Op camera 1 (binnenkomst tankstation) is te zien dat een grijskleurige Volkswagen Jetta voorzien van het kenteken [kenteken] snel aan komt rijden en op de parkeerplaats voor de tankshop, nabij de in/uitgang stopt (werkelijke tijd 00:14:59 uur). Kort hierop is te zien dat een manspersoon uit de bestuurderszijde van de voornoemde Volkswagen Jetta stapt en op de verdachte [medeverdachte] afloopt. Opmerkelijk is dat de verlichting van de auto blijft branden. Kort hierop is te zien dat de manspersoon en de verdachte [medeverdachte] kennelijk onenigheid hebben. De verdachte [medeverdachte] wil de manspersoon kennelijk met zijn linkerarm omarmen, echter dit wordt direct door de manspersoon afgeweerd.

(p. 1493) Op camera 5 (koffiehoek) is te zien dat de verdachte [medeverdachte] en de manspersoon al discussiërend weer richting de in/uitgang verplaatsen, daar op een gegeven moment kennelijk een kort handgemeen plaatsvindt waarbij over en weer geduwd wordt.

(p. 1494) Op camera 1 (binnenkomst tankstation) is te zien dat de voornoemde Volkswagen Jetta achteruit wegrijdt. Opmerkelijk is dat de manspersoon niet aan de bestuurderszijde instapt, kort voordat de Volkswagen Jetta wegrijdt. De bestuurderszijde blijft gesloten (werkelijke tijd 00:23:58 uur).

(p. 1501) Op camera 15 (stofzuigers) is te zien dat de Opel Signum de wasstraat uitrijdt, gaande in de richting van de [b-straat] te [plaats] (werkelijke tijd 00:26:05 uur).

(p. 1502) Op camera 16 is te zien dat achter de voornoemde Opel Signum vrijwel direct twee personenauto's volgen, te weten een Renault Megane en een Volkswagen Polo.

Met als noot van de verbalisant:

(p. 1497) Aan de achterzijde van de voornoemde Volkswagen Jetta is te zien dat de linker kentekenplaatverlichting feller brandt dan de rechter kentekenplaatverlichting. [...] Te zien is dat de voornoemde Volkswagen Jetta vrijwel direct gevolgd wordt door een grijskleurige Mitsubishi Lancer.

(...)

19. Een proces-verbaal "Zaaksdossier 1" betreffende "schietincidenten donderdag 25 oktober 2012" met nummer 2012075980 en documentcode 2013011411305621, d.d. 4 april 2013 in de wettelijke vorm opgemaakt door een opsporingsambtenaar (p. 1108 tot en met p. 1154)

- zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisant:

(p. 1115) Op de beelden van de Shell [e-straat] te [plaats] verschijnen er op 25 oktober 2012 om 00:38:56:203 uur koplampen van, naar later blijkt, de Opel Signum in beeld die op de [e-straat] komt aanrijden vanuit de richting [d-straat] . De Opel stopt net voor de kruising [c-straat] / [e-straat] , nabij de lantaarnpaal. Om 00:39:06:562 uur komt de Fiat aanrijden vanuit de [c-straat] richting [e-straat] . De Fiat stopt net voor de kruising op de plaats waar de wieldop van de Fiat 500 en de hulzen zijn aangetroffen. De Opel rijdt om 00:39:25:437 uur weg in de richting van de [wijk 1] . Om 00:39:36:593 uur gevolgd door de Volkswagen Jetta. Om 00:39:37:671 uur gevolgd door de Fiat 500.

(p. 1137) Op de plaats delict [c-straat] / [e-straat] te [plaats] werd naast een vijftal hulzen een wieldop van een Fiat 500 aangetroffen.

20. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012075980, d.d. 27 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaren (p. 1225 tot en met p. 1229) - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van J. [getuige 1] :

Op 25 oktober 2012 werd ik wakker van een aantal knallen. Vanuit het raam van mijn badkamer zag ik dat twee auto's naast elkaar op de [c-straat] stonden, vlak voor de drempel naar de [e-straat] . De linker auto was een witte wat kleinere auto, gelijkend op een Fiat. Ik zag en hoorde dat de rechterauto 15 tot 20 meter hard achteruit kwam rijden. Toen hoorde ik schoten. Ik denk dat er een keer of twaalf is geschoten. Ik zag dat de rechterauto met piepende banden rechtsaf ging, de [e-straat] op, richting de [wijk 1] . Toen vertrok ook de linker auto met hoge snelheid in dezelfde richting.

21. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012075980, d.d. 26 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaren (p. 1209 tot en met p. 1213) - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Op 25 oktober 2012 was ik in de achtertuin op [c-straat 1] te Almere. Ik had vanaf mijn positie zicht op de [c-straat] en de kruising [c-straat] / [e-straat] , maar ook op de kruising [c-straat] / [d-straat] . Ik zag een kleine witte auto wegrijden in de richting van de [e-straat] . Ik zag dat deze geheel stopte voor de verkeersdrempel. Ik zag dat deze auto aan de linkerkant van de weg tot stilstand kwam. Vervolgens zag ik dat de grotere auto ook naar de kruising toe reed en naast de kleinere auto ging staan. Ik zag dat ze daar niet zo lang stonden. Ongeveer gelijktijdig zag ik dat de grotere auto achteruit reed en hoorde ik dat er weer geschoten werd. Na twee seconden zag ik de grotere auto weer naar voren rijden, dat hij heel even naast de witte auto bleef staan en dat hij vervolgens met grote snelheid en met piepende banden wegreed, rechtsaf, de [e-straat] op in de richting van de [g-straat] . Vervolgens zag ik de kleine auto ook snel wegrijden."

2.2.4.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt weergegeven en verworpen:

"Namens verdachte heeft de raadsman aangevoerd dat in het geval het hof tot een bewezenverklaring van feit 1 komt, verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsman aangevoerd dat op de kruising van de [c-straat] en de [e-straat] de Fiat 500 en de Volkswagen Jetta de Opel Signum van verdachte stonden op te wachten en dat het voor de hand ligt dat vanuit deze auto's als eerste is geschoten.
[slachtoffer 1] stapte immers uit zijn auto om te schieten. Dat zou hij niet hebben gedaan wanneer er eerst op hem zou zijn geschoten. Verder was er voor verdachte en [medeverdachte] niet een andere optie, omdat noch achteruitrijden noch vooruit wegrijden ertoe zou leiden dat zij zich aan een aanval konden onttrekken.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ook in het geval dat niet kan worden vastgesteld wie als eerste heeft geschoten, een beroep op noodweer moet slagen.

Het hof verwerpt dit verweer op grond van de navolgende overwegingen.

Hiervoor is vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte] in de Opel Signum, kort na de eerste confrontatie met [slachtoffer 1] op PD 1, op PD 2 een nieuwe confrontatie met [slachtoffer 1] hebben opgezocht of op zijn minst niet uit de weg zijn gegaan en dat zij, met drie vuurwapens en een kogelwerend vest in hun bezit, hun auto op betrekkelijk korte afstand van de Fiat 500 met [slachtoffer 1] hebben stilgezet, dat vanuit de voertuigen vrij zicht was op het andere voertuig en dat daarna over en weer is geschoten.

Een van de getuigen heeft verklaard dat hij de Fiat 500 en de Volkswagen Jetta enkele seconden op PD 2 naast elkaar zag stilstaan, dat hij de Volkswagen slingerend naar achteren zag rijden terwijl hij tegelijkertijd schoten hoorde. Ook dat wijst niet op een verdedigende actie van de zijde van verdachte en [medeverdachte] .

Verdachte heeft bovendien ontkend te hebben geschoten of het schieten te hebben willen medeplegen. Er komt hem onder de gegeven omstandigheden geen beroep op noodweer toe en het hof verwerpt het verweer."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten, al behoeft de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg te staan.

Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr.

Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces - op de grond "culpa in causa" -, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.

(Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)

2.4.1.

Het Hof heeft aan de verwerping van het beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] kort na de confrontatie op PD1, "op PD2 een nieuwe confrontatie met [slachtoffer 1] hebben opgezocht of op zijn minst niet uit de weg zijn gegaan". Daarbij heeft het Hof in het bijzonder van belang geacht dat de verdachte en de medeverdachte, met drie vuurwapens en een kogelwerend vest in hun bezit, hun auto op betrekkelijk korte afstand van de Fiat 500 met daarin [slachtoffer 1] hebben stilgezet, dat vanuit de voertuigen vrij zicht was op het andere voertuig en dat daarna over en weer is geschoten. Het Hof heeft voorts overwogen dat de verklaring van een getuige die inhoudt dat de Fiat 500 en de Volkswagen Jetta enkele seconden op PD 2 naast elkaar stilstonden en dat daarna de Volkswagen slingerend naar achteren is gereden terwijl de getuige tegelijkertijd schoten hoorde, ook niet duidt op een "verdedigende actie van de zijde van de verdachte en [medeverdachte] ".

2.4.2.

Indien het Hof aldus heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte niet als verdedigend maar - in de kern - als aanvallend moeten worden gezien en dat het beroep op noodweer daarop afstuit, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof vastgesteld dat op PD2 niet alleen vanuit de Opel Signum, met daarin de verdachte en de medeverdachte, is geschoten op de Fiat 500, maar dat eveneens is geschoten op de Opel Signum, terwijl - mede gelet op de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de verdachte (bewijsmiddelen 1 en 7), die inhouden dat de verdachte op PD2 werd beschoten en dat er werd teruggeschoten - niet is komen vast te staan dat de verdachte en/of [medeverdachte] als eerste heeft/hebben geschoten.

2.4.3.

Indien het Hof heeft geoordeeld dat sprake is geweest van "culpa in causa", in de hiervoor onder 2.3 bedoelde zin, is dat oordeel evenmin zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat op PD1 is geschoten door [slachtoffer 1] richting de Opel Signum, waarop de Opel Signum hard is weggereden en dat de verdachte en de medeverdachte hun auto, de Opel Signum, op PD2 weliswaar op betrekkelijk korte afstand van de Fiat 500 zichtbaar hebben stilgezet, maar dat uit de motivering van het Hof niet naar voren komt dat de verdachte en de medeverdachte zich voorafgaand aan het vuurwapengeweld zodanig hebben gedragen, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aan het slagen van het beroep op noodweer in de weg staan.

2.4.4.

Ook de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte heeft ontkend te hebben geschoten of het schieten te hebben willen medeplegen, kan de verwerping van het verweer niet (zelfstandig) dragen, omdat zo een omstandigheid op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan het slagen van een beroep op noodweer. Die omstandigheid kan overigens wel van belang zijn voor het hiervoor onder 2.3 aangeduide door de rechter te verrichten onderzoek of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer(exces) is voldaan, in welk verband immers betekenis kan toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede middel

Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de strafbaarheid van het onder feit 1A bewezenverklaarde, de strafbaarheid van de verdachte ter zake van dat feit en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2019.