Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:707

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
18/00773
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1444, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Relatievermogensrecht. Samenwoning zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract. Vrouw investeert geld in verbouwing woning van de man. Recht op vergoeding van de investering? Analoge toepassing van art. 1:87 BW? Gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW? Ongerechtvaardigde verrijking door besparing van kosten? Redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/1138
AA20190477 met annotatie van Nuytinck A.J.M. André
RvdW 2019/610
RN 2019/53
NJ 2019/248 met annotatie van L.C.A. Verstappen
JIN 2019/102 met annotatie van Derks, A.M.E.
PFR-Updates.nl 2019-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 mei 2019

Eerste Kamer

18/00773

TT/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

t e g e n

[de man],
wonende te [woonplaats 2],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. S. Kousedghi, thans mr. H.J.W. Alt

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/10/469898/HA ZA 15-169 van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2015 en 9 september 2015;

b. het arrest in de zaak 200.182.136/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 november 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander gerechtshof.

De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen hebben vanaf eind 2007 of begin 2008 tot augustus 2012 met elkaar samengewoond in [de woning] (hierna: de woning). De woning behoort in eigendom toe aan de man.

(ii) Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten. Uit hun relatie is in oktober 2008 een zoon geboren.

(iii) De woning is in 2011 verbouwd. De kosten van deze verbouwing zijn betaald door de vrouw of – uit hoofde van geldlening dan wel schenking aan de vrouw – door haar moeder.

3.2.1

In dit geding vordert de vrouw, na vermindering van eis, betaling door de man van een bedrag van € 74.056,90. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de verbouwing van de woning van de man tot dit bedrag uit haar privévermogen heeft gefinancierd, en dat zij daarom recht heeft op vergoeding van het door haar gefinancierde nominale bedrag.

3.2.2

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw toegewezen tot een bedrag van € 66.917,93.

Het hof heeft de vordering alsnog afgewezen. Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof daartoe als volgt overwogen:

“5. In tegenstelling tot de rechtbank is het hof van oordeel dat boek 3 titel 7 BW niet op de onderhavige rechtsbetrekking van toepassing is. De woning (…) behoort uitsluitend in eigendom toe aan de man. Tussen partijen bestaat geen goederenrechtelijke gemeenschap. Er kan derhalve voor de vrouw op basis van boek 3 titel 7 BW jegens de man geen vergoedingsrecht ontstaan.

6. Uit de inleidende dagvaarding in eerste aanleg (…) volgt impliciet dat de vrouw haar vordering op de man baseert op een vergoedingsrecht. Zij stelt voorts dat nu de investering is gedaan voor 1 januari 2012 de nominaliteitsleer geldt. In (…) haar memorie van antwoord stelt de vrouw dat art. 1:87 BW naar analogie kan worden toegepast bij samenlevers met en zonder contract. Het hof wijst erop dat art. 1:87 BW alleen van toepassing is op gehuwde en geregistreerde partners. Samenlevers kunnen met elkaar overeenkomen dat art. 1:87 BW naar analogie op hun rechtsrelatie moet worden toegepast. De grondslag is dan het verbintenissenrecht. (…)

(…)

11. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen is boek 3 titel 7 BW niet van toepassing aangezien het eigendom van de woning uitsluitend toekomt aan de man. Er is derhalve niet sprake van een eenvoudige gemeenschap. Op basis van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld kan het hof niet vaststellen of, en zo ja welke afspraken partijen hebben gemaakt met betrekking tot de verbouwing van de woning en de draagplicht van de kosten. Uit de stukken volgt dat de moeder van de vrouw de verbouwing heeft gefinancierd. Uit productie 3 bij de memorie van antwoord volgt dat de vrouw en haar moeder eerst op 26 april 2013 een overeenkomst van geldlening hebben vastgelegd met betrekking tot de verbouwing van het woonhuis. Deze schriftelijke vastlegging dateert van ruimschoots na de verbouwing en nadat partijen uit elkaar zijn gegaan. In de visie van de man hebben de ouders van de vrouw het geld aan haar geschonken als een vervroegd deel op haar erfenis. Voorts heeft de man gesteld dat hij nooit geld heeft ontvangen dan wel rekeningen heeft gezien met betrekking tot de verbouwing. Facturen werden rechtstreeks door de moeder van de vrouw aan de aannemer betaald.

12. De vrouw heeft haar vordering expliciet gebaseerd op een vergoedingsrecht naar analogie van artikel 1:87 BW. Voor samenwonenden geldt het algemene verbintenissenrecht. Wat zijn partijen met elkaar overeengekomen in het kader van hun samenleving: wie moet welke kosten dragen die verbonden zijn aan de samenleving, wie moet welke kosten dragen met betrekking tot de huishouding, zijn er verzorgingsplichten over en weer enz. Op basis van hetgeen de vrouw heeft gesteld kan het hof niet vaststellen dat er tussen partijen afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de kosten van hun samenleving. Ook op basis van feitelijk gedrag van partijen kan het hof niet vaststellen of er een overeenkomst tussen partijen bestaat met betrekking tot de kosten van de verbouwing. Niet bestreden is door de vrouw dat de man financieel niet in staat was om de kosten van de verbouwing van ruim € 80.000,- te kunnen voldoen.

13. Op grond van art. 25 Rv moet het hof de rechtsgronden van partijen aanvullen. Op basis van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden kan het hof evenmin vaststellen dat er sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de man als gevolg van de verbouwing. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een verrijking aan de kant van de man.

14. Het hof is van oordeel dat op basis van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden geen rechtsgrond is op basis waarvan zij een vordering heeft op de man met betrekking tot de verbouwing van het woonhuis van de man.”

3.3

De onderdelen 1.1 en 1.2 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4

Volgens onderdeel 1.3 heeft het hof (in de rov. 5 en 11) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, in gevallen van samenwoning als de onderhavige waarin de ene partner (de vrouw) tijdens de samenwoning de verbouwing van de aan de andere partner (de man) in eigendom toebehorende woning heeft gefinancierd en daarmee in de woning heeft geïnvesteerd, te oordelen dat ten aanzien van de uitsluitend aan de man in eigendom toebehorende woning tussen partijen geen gemeenschap in de zin van titel 7 van Boek 3 BW bestaat, en dat voor de vrouw dus geen vergoedingsrecht op basis van titel 7 van Boek 3 BW is ontstaan.

Deze klacht faalt omdat het oordeel van het hof juist is. Blijkens art. 3:166 lid 1 BW is een gemeenschap in de zin van titel 7 van Boek 3 BW aanwezig wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Nu vaststaat dat de woning uitsluitend aan de man in eigendom toebehoort, kan met betrekking tot deze woning geen gemeenschap in de zin van titel 7 van Boek 3 BW bestaan, en derhalve ook niet een uit zodanige gemeenschap voortvloeiend vergoedingsrecht. De omstandigheid dat de vrouw in de woning heeft geïnvesteerd, maakt dat niet anders.

3.5.1

Onderdeel 1.4 klaagt over het oordeel van het hof in rov. 12 dat voor samenwonenden (uitsluitend) het algemene verbintenissenrecht geldt. Volgens het onderdeel wordt de rechtsbetrekking tussen samenwonenden, ook voor zover zij niet van verbintenissenrechtelijke aard is, beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid, op grond waarvan een vergoedingsrecht kan ontstaan, ook als partijen hierover vooraf niets geregeld hebben.

3.5.2

In het oordeel van het hof ligt – terecht – als uitgangspunt besloten dat de vermogensrechtelijke verhouding tussen partners die op basis van een affectieve relatie samenwonen zoals in deze zaak aan de orde (hierna: informeel samenlevenden), niet wordt bepaald door de regels die in de titels 6-8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn opgenomen, en dat die regels zich niet lenen voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen informeel samenlevenden.

3.5.3

Het hof heeft daarom terecht geoordeeld dat het beroep van de vrouw op overeenkomstige toepassing van art. 1:87 BW niet opgaat, en dat aan de hand van het algemene verbintenissenrecht (waarmee het hof kennelijk het oog heeft op de in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren) beoordeeld moet worden of de vrouw ter zake van haar investering in de woning een vergoedingsrecht jegens de man geldend kan maken.

Daarbij ligt het in de rede te onderzoeken of tussen informeel samenlevenden een overeenkomst bestaat die, mede in aanmerking genomen de in art. 6:248 lid 1 BW bedoelde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, (ook) de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving regelt (art. 6:213 BW). Van een dergelijke overeenkomst kan sprake zijn doordat de informeel samenlevenden met betrekking tot de vraag voor wiens rekening de kosten van hun samenleving of van specifieke uitgaven moeten komen, een schriftelijke samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan, of uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt.

Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.

3.5.4

In lijn met het voorgaande heeft het hof in de eerste plaats onderzocht of tussen partijen afspraken zijn gemaakt of anderszins een overeenkomst bestaat met betrekking tot de kosten van hun samenleving of de kosten van de verbouwing. Daarbij is het hof tot de conclusie gekomen dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om een dergelijke afspraak of overeenkomst aan te nemen (rov. 12). Dat oordeel is in cassatie niet bestreden.

3.5.5

Voorts heeft het hof in rov. 13 geoordeeld dat op basis van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de man als gevolg van de verbouwing. Volgens het hof is gesteld noch gebleken dat sprake is van een verrijking aan de kant van de man.

Het tegen dat oordeel gerichte onderdeel 2 klaagt uitsluitend dat het hof hiermee heeft miskend dat de man is verrijkt doordat hij zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard. Die klacht faalt op grond van het volgende.

Voor het oordeel dat de man zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat, als de vrouw die kosten niet voor haar rekening had genomen, de man die kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken. In het licht van het – in cassatie onbestreden – oordeel van het hof dat de man financieel niet in staat was om de kosten van de verbouwing zelf te voldoen (slotzin van rov. 12), bestaat echter geen feitelijke grondslag om te kunnen aannemen dat de man die kosten zelf zou hebben gemaakt. Voorts laten de stukken van het geding geen andere conclusie toe dan dat op de man geen verplichting rustte zijn woning te verbouwen of daarvoor kosten te maken. Een en ander brengt mee dat in dit geding niet kan worden gesproken van een ‘besparing’ van kosten aan de zijde van de man. Opmerking verdient nog dat het in het onderdeel gedane beroep op HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4745 geen doel treft, aangezien in die zaak – anders dan in deze zaak – geen grond bestond om in cassatie tot uitgangspunt te nemen dat de tot vergoeding aangesproken partij (in dat geval de vrouw) de kosten van de verbouwing niet zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken.

Het voorgaande brengt mee dat in dit geding, anders dan onderdeel 2 betoogt, niet op de enkele grond dat de vrouw de kosten van de verbouwing voor haar rekening heeft genomen, geconcludeerd kan worden dat de man zich de kosten daarvan heeft bespaard. Ook voor het overige heeft de vrouw – naar de in zoverre onbestreden vaststelling van het hof in rov. 13 – geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het oordeel kunnen dragen dat sprake is van een verrijking aan de kant van de man.

3.5.6

Het voorgaande laat evenwel onverlet dat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding bestaat die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Dat informeel samenlevenden ervan hebben afgezien een wettelijk geregelde vorm van samenleving (huwelijk of geregistreerd partnerschap) aan te gaan of over de vermogensrechtelijke aspecten van hun samenleving uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraken te maken, staat daaraan niet in de weg. De afspraak om te gaan samenleven, raakt in de praktijk onvermijdelijk ook hun vermogensrechtelijke verhouding.

Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid.

3.5.7

Nu in dit geval de vrouw aanspraak maakt op vergoeding van haar investering, ligt het op haar weg om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat zij een vergoedingsrecht jegens de man heeft. Zij heeft haar vordering echter uitsluitend gebaseerd op overeenkomstige toepassing van art. 1:87 BW, welke grondslag ontoereikend is (zie hiervoor in 3.5.2-3.5.3). De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de vrouw geen bijzondere feiten en omstandigheden heeft gesteld die, ervan uitgaande dat de man financieel niet in staat was om de kosten van de verbouwing zelf te voldoen en door de verbouwing niet is verrijkt, kunnen meebrengen dat zij desalniettemin een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiend vergoedingsrecht jegens de man heeft.

Het voorgaande betekent dat onderdeel 1.4 niet tot cassatie kan leiden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 10 mei 2019.