Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:683

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-05-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
17/05713
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:738
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:739
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:4668
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Art. 8, lid 1, Wet Vpb 1969 jo. art. 3.8 Wet IB 2001. Rentecompensatie/saldoverrekening. Vindt het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van andere concernvennootschappen zijn oorzaak in de vennootschapsrechtelijke betrekkingen tussen de betrokken vennootschappen? Reikwijdte van het paraplukredietarrest (ECLI:NL:HR:2013:BW6520). Verbreking van het concernverband niet van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-05-2019
V-N Vandaag 2019/1085
FutD 2019-1269 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/23.10 met annotatie van Redactie
NLF 2019/1168 met annotatie van Fred van Horzen
NTFR 2019/1429 met annotatie van Drs. M. Nieuweboer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 mei 2019

Nr. 17/05713

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 26 oktober 2017, nr. 15/00467, op het hoger beroep van [X1] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 14/2979) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de voor dat jaar gegeven beschikking bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 19 juni 2018 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:738 met bijlage ECLI:NL:PHR:2018:739).

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende en [X2] B.V. hielden elk 50 procent van de aandelen in Beheermaatschappij [C] B.V., die op haar beurt middellijk of onmiddellijk (nagenoeg) alle aandelen hield in zes andere vennootschappen. Alle hier bedoelde vennootschappen samen vormden de [N] -groep (hierna: de groep). In 2008 en 2009 hebben belanghebbende en [X2] B.V. hun aandelenbelang in de overige vennootschappen (hierna: de dochtervennootschappen) verkocht aan derden. [X2] B.V. is de belanghebbende in de zaak met nummer 17/05714, waarin heden uitspraak wordt gedaan onder verwijzing naar de gronden vermeld in dit arrest.

2.1.2.

Elke tot de groep behorende vennootschap had op 1 augustus 2007 een afzonderlijke bankrekening bij de Rabobank (hierna: de bank). Op die datum zijn alle groepsvennootschappen ter zake van deze bankrekeningen een overeenkomst tot “rentecompensatie/saldoverrekening” aangegaan met de bank (hierna: de overeenkomst).

2.1.3.

De overeenkomst houdt in dat de bank op de bankrekeningen kredieten verstrekt en dat de hoogte van deze kredieten tezamen is beperkt tot het totaalbedrag van, kort gezegd, de aan de bank verpande creditsaldi op die rekeningen. Elke vennootschap heeft zich door middel van de overeenkomst hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor alle vorderingen die de bank uit hoofde van de overeenkomst heeft op de andere vennootschappen van de groep. Op grond van de overeenkomst is de bank bevoegd om creditsaldi van de vennootschappen te verrekenen met debetsaldi van andere vennootschappen, mits het betreft debet- en creditsaldi op in de overeenkomst betrokken bankrekeningen. Voorts is in de overeenkomst bepaald dat eventuele regresvorderingen van een vennootschap op een andere vennootschap worden achtergesteld bij alle vorderingen van de bank op de laatstbedoelde vennootschap.

2.1.4.

Enkele vennootschappen behoorden op 14 oktober 2009 niet meer tot de groep als gevolg van de verkoop van de aandelen in 2008. Deze vennootschappen hadden op 14 oktober 2009 negatieve banksaldi. Zij hebben die negatieve banksaldi niet aangezuiverd, ondanks diverse verzoeken van de bank. De bank heeft op 14 oktober 2009 gebruik gemaakt van de in de overeenkomst opgenomen mogelijkheid om rekeninghouders met positieve banksaldi, namelijk belanghebbende en [X2] B.V., hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de aanzuivering van voornoemde debetsaldi. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor, in totaal, een bedrag van € 104.822. Op 14 oktober 2009 heeft de bank de overeenkomst ook opgezegd.

2.1.5.

Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2009 het bedrag van € 104.822 in aftrek gebracht. De Inspecteur heeft die aftrek niet toegelaten.

2.2.

Het geschil voor het Hof betrof het antwoord op de vraag of de Inspecteur die aftrek terecht heeft geweigerd.

2.3.

Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het heeft daartoe geoordeeld dat het arrest van de Hoge Raad van 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6520 (hierna: het paraplukredietarrest), in dit geval toepassing mist. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur ook voor het overige niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de overeenkomst vanwege aandeelhoudersmotieven is aangegaan. Tegen deze oordelen keert zich het middel.

2.4.

Bij de behandeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. In het paraplukredietarrest is een bijzondere rechtsregel gegeven voor gevallen waarin (i) een vennootschap deelneemt aan een kredietarrangement waarin tevens wordt deelgenomen door andere vennootschappen van het concern waartoe die vennootschap behoort, en (ii) die vennootschap zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor alle vorderingen die de bij het arrangement betrokken schuldeiser of schuldeisers uit hoofde van dat arrangement heeft of hebben op die andere vennootschappen, en voorts (iii) een regresvordering die uit die aansprakelijkheid ontstaat niet zal worden opgeëist zolang de gehele uit het arrangement voortvloeiende schuld niet is voldaan. In zodanige gevallen moet voor de heffing van vennootschapsbelasting ervan worden uitgegaan dat het aanvaarden door de vennootschap van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schulden van die andere vennootschappen zijn oorzaak vindt in de vennootschapsrechtelijke betrekkingen tussen die vennootschap en die andere vennootschappen. In dergelijke gevallen vindt ten behoeve van de kredietverlening zowel aan de zijde van de crediteur(en) als aan de zijde van de vennootschappen feitelijk een consolidatie plaats. Daarbij stellen de desbetreffende vennootschappen de financiering met vreemd vermogen van de door hen in stand gehouden ondernemingen en de daarbij over en weer gelopen risico’s in functie van het groepsbelang en aanvaarden zij een aansprakelijkheid die groter is dan de aansprakelijkheid die bestaat bij het zelfstandig aantrekken van vreemd vermogen.

2.5.1.

In de bestreden uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat de overeenkomst de hiervoor in 2.4 onder (ii) en (iii) vermelde eigenschappen bezit, doch het onder (i) genoemde kenmerk ontbeert. Het Hof heeft aan dat laatste oordeel ten grondslag gelegd dat de hoogte van de kredieten op grond van de overeenkomst beperkt is tot, kort gezegd, het totaalbedrag van de aan de bank verpande creditsaldi, zodat naar zijn oordeel geen sprake is van een kredietarrangement als bedoeld in het paraplukredietarrest.

2.5.2.

Daarmee geeft het oordeel van het Hof blijk van een te beperkte uitleg van het begrip kredietarrangement in de zin van het paraplukredietarrest. Een kredietarrangement als in dat arrest bedoeld, voldoet al aan het onder (i) genoemde criterium indien afzonderlijke, aan het arrangement deelnemende concernvennootschappen door het arrangement in staat worden gesteld krediet op te nemen bij een niet tot het concern behorende schuldeiser. Reeds door de mogelijkheid dat een concernvennootschap krediet opneemt onder het arrangement, lopen de overige deelnemende concernvennootschappen immers risico’s in functie van het groepsbelang, en aanvaarden zij een aansprakelijkheid die groter is dan de aansprakelijkheid die bestaat bij het zelfstandig aantrekken van vreemd vermogen.

2.5.3.

Voor de beoordeling of een arrangement voldoet aan de criteria van het paraplukredietarrest, is niet van belang of het arrangement (mede) ertoe dient te voorkomen dat rente verschuldigd wordt indien een aan het arrangement deelnemende vennootschap een debetstand heeft op een bij de schuldeiser (een bank) aangehouden bankrekening, terwijl deze debetstand gecompenseerd wordt door creditsaldi op bij die bank aangehouden rekeningen van andere aan het arrangement deelnemende vennootschappen. Evenmin is van belang of het arrangement voorziet in de mogelijkheid van een (geringe) rentevergoeding voor een deelnemende groepsvennootschap met een creditsaldo.

Ook door bij de beoordeling van de overeenkomst aan die omstandigheden belang te hechten, is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

2.5.4.

Gelet op hetgeen in 2.5.2 en 2.5.3 is overwogen, slaagt het middel in zoverre.

2.6.

De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

De overeenkomst voldoet ook aan het hiervoor in 2.4 onder (i) aangeduide criterium. Daarom dient de bijzondere rechtsregel uit het paraplukredietarrest in dit geval toepassing te vinden.

Voor het Hof heeft belanghebbende verder gesteld dat de overeenkomst, zo die onzakelijk zou zijn, alsnog zakelijk is geworden toen de aandelen in de dochtervennootschappen aan derden werden verkocht. Belanghebbende heeft hieraan toegevoegd dat op het moment van verkoop geen sprake zou zijn van negatieve banksaldi. Het Hof is aan de behandeling van die stelling niet toegekomen. Die stelling kan belanghebbende niet baten, omdat de bijzondere rechtsregel uit het paraplukredietarrest inhoudt dat buiten aanmerking blijven uitgaven die hun oorsprong vinden in de aanvaarding van aansprakelijkheid voor de aldaar bedoelde schulden van andere concernvennootschappen. Daarbij geldt niet de eis dat het concernverband met die vennootschappen nog bestaat op het moment waarop de uit de aansprakelijkheid voortvloeiende lasten tot uitdrukking komen. De uitspraak van de Rechtbank moet daarom worden bevestigd.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2019.