Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:679

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
17/03449
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:245
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben munitie, art. 26.1 WWM. Levert aanwezigheid tas met 100 patronen in ouderslaapkamer van woning verdachte voorhanden hebben munitie op? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1999:ZD1169 m.b.t. vereisten voor veroordeling t.z.v. voorhanden hebben wapen of munitie in de zin van art. 26 WWM. In ‘s Hofs overwegingen ligt als vaststelling besloten dat verdachte moet hebben geweten dat zich in slaapkamer van verdachte en zijn vriendin rode tas met opdruk bevond. Hof heeft voorts geoordeeld dat ook indien deze tas verdachte niet bekend was voorgekomen, het op zijn weg had gelegen naar de inhoud onderzoek te doen. De enkele omstandigheid dat verdachte zo een onderzoek achterwege heeft gelaten, brengt echter niet met zich dat verdachte zich ook in meerdere of mindere mate bewust is geweest van aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie en daarmee die munitie voorhanden heeft gehad. Bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/590
SR-Updates.nl 2019-0229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/03449

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 juni 2017, nummer 20/002856-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het "voorhanden hebben" van, kort gezegd, munitie ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"op 03 mei 2014 te [woonplaats] , voorhanden heeft gehad 100 patronen (kaliber 9 mm), zijnde munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van binnentreden woning

d.d. 3 mei 2014 (pg. 19), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 3 mei 2014, omstreeks 03:40 uur, werd er binnengetreden in de woning, [a-straat 1] , [postcode] [woonplaats] , bewoond door [verdachte] . In de woning werd inbeslaggenomen: 2 dozen à 50 patronen 9 mm.

2. Het proces-verbaal betreffende aangetroffen munitie van Regionaal Bureau Wapens en Munitie d.d. 25 juni 2014 (pg. 27-28), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 25 juni 2014 werd aan mij munitie voor nader onderzoek aangeboden. Deze munitie was op 3 mei 2014 bij een doorzoeking in een woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] aangetroffen en in beslag genomen.

De honderd in beslag genomen patronen zijn centraalvuur eenheidspatronen van het kaliber 9 mm. Al deze patronen hebben een volmantel kogel met loden kern en een cilindrische messinghuls met groef, een nitrokruit vulling en zijn als zodanig voor direct gebruik geschikt en bestemd om te worden afgevuurd met een 9 mm centraalvuur (semi) automatisch pistool.

De hierboven omschreven munitie betreft munitie die geschikt is voor vuurwapens van de categorie III en derhalve munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III, van de WWM.

3. De kennisgeving van inbeslagneming d.d. 3 mei 2014 (pg. 25-26), voor zover inhoudende:

Plaats: [a-straat 1] , [postcode]

[woonplaats]

Datum en tijd: 3 mei 2014 te 05:00 uur

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1973

Object: Munitie

Aantal: 100

Kaliber: 9 mm

Inhoud: 2 dozen à 50 patronen per doos

Bijzonderheden: aangetroffen in ouder slaapkamer in rode dirk v/d broek tas

4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgenomen als pagina 13 in het eindproces-verbaal nr.

PL2000-2014088582 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, voor zover dit inhoudt:

O: tijdens de doorzoeking zijn twee dozen met daarin 100 patronen in de slaapkamer aan de achterzijde van de woning aangetroffen. Van wie is die slaapkamer?

V: dat is mijn slaapkamer. Van mij en mijn vriendin."

2.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Er zijn meerdere scenario's denkbaar. Er zijn meerdere mensen aanwezig in de woning, zoals de vrouw van verdachte en een volwassen zoon. Bij cliënt komen vrij veel mensen over de vloer. Dat heeft ook vaak geresulteerd in vervelende incidenten. Cliënt weet niets van de patronen af. Ze worden weliswaar in de slaapkamer aangetroffen, maar zijn vrouw slaapt daar ook en het is een zoete inval in huis. Het is een rotzooitje bij hem thuis. De een verkoopt wat en de ander komt met wat rommeltjes aanzetten. Het is dus niet raar dat hij niet weet wat er in de zak zit. Er is geen DNA afgenomen van cliënt."

2.2.4.

Het Hof heeft dat verweer als volgt verworpen:

"Naar het oordeel van het hof kan de bewoner in beginsel verantwoordelijk worden gehouden voor de goederen die zich in zijn woning bevinden. Dat is geen onweerlegbaar uitgangspunt (vandaar de toevoeging "in beginsel"). Van de verdachte mag voor het aantreffen van die goederen dan wel een redelijke verklaring worden gevergd.

In casu is in de ouderslaapkamer in de woning van de verdachte een rode tas met opdruk Dirk van den Broek aangetroffen. De enkele verklaring van de verdachte dat hij die tas niet heeft gezien komt het hof, evenals de politierechter, niet geloofwaardig voor. Een eventueel alternatief scenario waarin zonder wetenschap van de verdachte een ander de tas met munitie in zijn slaapkamer heeft geplaatst, kan als hoogst onwaarschijnlijk terzijde worden geschoven. Hiervoor is nog geen begin van aannemelijkheid gebleken.

In geval de rode tas de verdachte onbekend was voorgekomen had het op zijn weg gelegen om de tas en de inhoud daarvan te onderzoeken. In geval de tas hem wel bekend was voorgekomen, houdt het hof het er voor dat hij ook bekend was met de inhoud daarvan.

Dat de slaapkamer ook door de vriendin van de verdachte werd gebruikt en de meerderjarige zoon van de verdachte ook in de woning verbleef, doet aan het voorgaande niet af."

2.3.

Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van art. 26 WWM is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:
1999:ZD1169).

2.4.

In de hiervoor onder 2.2.4 weergegeven overwegingen ligt als vaststelling van het Hof besloten dat de verdachte moet hebben geweten dat zich in de slaapkamer van de verdachte en zijn vriendin de rode tas met opdruk Dirk van den Broek bevond. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat ook indien deze tas de verdachte niet bekend was voorgekomen, het op zijn weg had gelegen naar de inhoud onderzoek te doen. De enkele omstandigheid dat de verdachte zo een onderzoek achterwege heeft gelaten, brengt echter niet met zich dat de verdachte zich ook in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie en daarmee die munitie voorhanden heeft gehad. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.

2.5.

Het middel slaagt.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof

's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2019.