Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:661

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
17/02384
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:222
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:2106, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Diefstal d.m.v. braak in woning, art. 311.1.5 Sr. Voldoende belang bij vernietiging, nu bewezenverklaard plegen niet uit b.m. volgt maar medeplegen wel? HR: Op gronden vermeld in CAG heeft verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van bestreden uitspraak. Volgt verwerping. CAG: Uit ’s Hofs vaststellingen kan worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij de tlgd. woninginbraak, maar niet blijkt daaruit dat het (juist) verdachte is geweest die alle delictsbestanddelen zelf heeft vervuld. Bewezenverklaring van plegen is daarom onvoldoende met redenen omkleed. Weinig twijfel lijdt echter dat Hof o.g.v. zijn in cassatie niet betwiste vaststellingen z.m. had kunnen komen tot bewijs van diefstal met braak in vereniging gepleegd. Wetgever heeft in art. 311.1.4 Sr tot uitdrukking gebracht dat het door "twee of meer verenigde personen" begaan van diefstal ernstiger is dan het als solo-pleger begaan van diefstal. Voorts heeft Hof in strafmotivering geen waarde toegekend aan omstandigheid dat verdachte diefstal met braak zelfstandig heeft gepleegd of daarin buitengewoon groot aandeel had. Daar staat wel tegenover dat Hof verdachte van medeplegen heeft vrijgesproken en oordeel of van bewuste en nauwe samenwerking sprake is geweest, is verweven met vaststellingen van feitelijke aard. Bij deze stand van zaken is niet uitgesloten dat verdachte rechtens te respecteren belang bij cassatie zou kunnen zien, maar dat belang is bepaald niet evident. Dan mag in redelijkheid worden verlangd dat belang in cassatieschriftuur wordt toegelicht. Zo een toelichting ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/580
SR-Updates.nl 2019-0225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/02384

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 mei 2017, nummer 20/001185-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 02-800839-15 onder 1 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.

Op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde gronden heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van

vier maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de in de zaak met parketnummer 02-800839-15 onder 1 opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2019.