Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:637

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-04-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
18/01583
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:126, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:118, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Procesrecht. Verrekening op grond van niet-nagekomen periodiek verrekenbeding (art. 1:141 BW). Vaststelling omvang overgespaard vermogen; stelplicht en bewijslast. Bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW; HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605. Beschrijving van het vermogen van andere echtgenoot; art. 1:143 BW en art. 679 Rv. Devolutieve werking hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0110
NJB 2019/929
RvdW 2019/525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 april 2019

Eerste Kamer

18/01583

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1],

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. R.W. Keus en thans mr. J.P. van den Berg,

t e g e n

[de man],
wonende te [woonplaats 2],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak C/03/189819/HA ZA 14-172 van de rechtbank Limburg van 27 mei 2015;

b. de arresten in de zaak 200.179.403/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 december 2015 en 16 januari 2018.

Het arrest van het hof van 16 januari 2018 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 16 januari 2018 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de man is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 januari 2018 en tot verwijzing.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1–1.10. Deze komen, samengevat weergegeven, op het volgende neer.

  • -

    i) Partijen zijn in 1999 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In de huwelijkse voorwaarden is elke gemeenschap van goederen uitgesloten en is ter zake van overgespaarde inkomsten een periodiek verrekenbeding opgenomen, waaraan tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven.

  • -

    ii) De woning waarin partijen gedurende hun huwelijk woonden, is eigendom van de vrouw. In 2000 zijn partijen ten behoeve van deze woning een hypothecaire geldlening op beider naam van f. 520.000,-- (€ 235.965,71) aangegaan.

  • -

    iii) Tijdens het huwelijk exploiteerde de vrouw een hotel-pension (hierna: het hotel). In de jaarcijfers van de exploitatie van het hotel is over de jaren 2001 tot en met 2008 een meewerkbeloning voor de man opgenomen, variërend tussen nihil (in 2003 en 2006) en € 24.000,-- (in 2002).

  • -

    iv) Het huwelijk van partijen is op 10 april 2013 door echtscheiding ontbonden.

  • -

    v) Ingevolge art. 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW is 17 februari 2012 (de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek) de datum waarop de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen wordt bepaald (hierna: de peildatum).

3.2.1

De man vordert in dit geding, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van de vrouw tot betaling van € 133.836,--, althans tot beschrijving van haar te verrekenen vermogen op de peildatum en betaling van een op grond daarvan in rechte vast te stellen bedrag.

De man heeft hieraan ten grondslag gelegd dat aan de zijde van de vrouw sprake is van overgespaarde inkomsten, die de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden dient te verrekenen. De overgespaarde inkomsten bestaan volgens de man onder meer uit niet uitgekeerde meewerkbeloningen en aflossingen op de hypothecaire geldlening.

De rechtbank heeft de vorderingen van de man afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 66.918,--. Daartoe heeft het, kort samengevat, als volgt overwogen.

Aangezien de man noch de vrouw grieven heeft gericht tegen de desbetreffende oordelen van de rechtbank, staat vast dat de niet uitgekeerde meewerkbeloningen overgespaarde inkomsten zijn en dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening zijn voldaan met overgespaarde inkomsten. (rov. 6.5.1)

Het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed gevormd te zijn uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW). Het bewijsvermoeden heeft slechts betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet is gefinancierd uit hetgeen verrekend had moeten worden. (rov. 6.6.1)

Geen van partijen heeft zich beroepen op de in art. 1:141 lid 3 BW vervatte uitzondering (de ‘tenzij-clausule’). (rov. 6.6.2)

De man heeft onbetwist gesteld dat hij op de peildatum niet over enig, positief dan wel negatief, vermogen beschikte, zodat het hof daarvan zal uitgaan. (rov. 6.6.4)

De man heeft aan zijn stelplicht voldaan nu hij heeft aangevoerd dat er een verrekenverplichting is en dat daaraan niet is voldaan. Anders dan de vrouw stelt, behoort het niet tot de stelplicht en bewijslast van de man (ook nog) te stellen (en zo nodig te bewijzen) op welke wijze het vermogen van de vrouw zich tijdens het huwelijk heeft gevormd en wat de omvang van het vermogen van de vrouw op de peildatum is. (rov. 6.6.6)

De vrouw heeft de stellingen van de man niet genoegzaam weersproken, nu zij heeft volstaan met de stelling dat de man heeft nagelaten de omvang van de waarde van het vermogen inzichtelijk te maken, hetgeen niet van de man kan worden gevergd. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling dat op de peildatum sprake kan zijn van vermogensbestanddelen die in waarde zijn afgenomen of van negatieve vermogensbestanddelen, genoegzaam te onderbouwen. (rov. 6.6.7)

Nu de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft betwist, is komen vast te staan dat op de peildatum sprake was van een overgespaard vermogen van in ieder geval € 133.836,--. Dat bedrag komt voor finale verrekening in aanmerking. Ingevolge art. 1:135 BW is de man tot de helft daarvan gerechtigd, zodat de vordering van de man tot een bedrag van € 66.918,-- kan worden toegewezen. (rov. 6.6.8)

3.3.1

Middel 2 is gericht tegen de oordelen van het hof (in de rov. 6.6.6 en 6.6.7) dat het niet aan de man is om te stellen en zo nodig te bewijzen wat de omvang van het vermogen van de vrouw op de peildatum is, en dat het op de weg van de vrouw had gelegen om haar stelling dat op de peildatum sprake kan zijn van vermogensbestanddelen die in waarde zijn afgenomen of van negatieve vermogensbestanddelen, genoegzaam te onderbouwen.

De onderdelen (b) tot en met (e) van het middel klagen, naar de kern genomen, dat het hof met die oordelen heeft miskend dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omvang en samenstelling van het op de peildatum aanwezige vermogen rusten op de echtgenoot die een beroep doet op verrekening van dat vermogen, en dat die echtgenoot daartoe zo nodig gebruik kan maken van de in art. 1:141 lid 3 BW in verbinding met art. 1:143 BW gegeven mogelijkheid om de rechter te verzoeken dat het vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven.

3.3.2

Op grond van art. 1:141 leden 1 en 2 BW wordt, kort gezegd, een tijdens het huwelijk niet nagekomen periodieke verrekenverplichting omgezet in een finale verrekenverplichting op het in art. 1:142 BW bepaalde tijdstip (de peildatum). In zodanig geval wordt op grond van art. 1:141 lid 3 BW het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW). Dit bewijsvermoeden brengt mee dat de tot verrekening gerechtigde echtgenoot in beginsel kan volstaan met te stellen en aannemelijk te maken dat de andere echtgenoot op de peildatum bepaalde vermogensbestanddelen heeft. Het ligt dan op de weg van de andere echtgenoot om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het op de peildatum aanwezige vermogen, of bepaalde bestanddelen daarvan, niet gevormd is uit hetgeen verrekend had moeten worden.

Zoals het hof terecht heeft overwogen (rov. 6.6.1), heeft het in art. 1:141 lid 3 BW omschreven bewijsvermoeden uitsluitend betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden (zie rov. 3.4.3 van HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9605). Ten aanzien van de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels voor stelplicht en bewijslast. Dat brengt enerzijds mee dat de rechter daarop betrekking hebbende stellingen van de ene echtgenoot die door de andere echtgenoot niet of niet voldoende zijn betwist, in beginsel als vaststaand moet aannemen (art. 149 lid 2 Rv). Anderzijds dient een echtgenoot wiens stellingen met betrekking tot de omvang (waarde) van het te verrekenen vermogen voldoende betwist zijn, in beginsel de juistheid van zijn stellingen te bewijzen. In dit verband is echter van belang dat ingevolge de slotzin van art. 1:141 lid 3 BW in verbinding met art. 1:143 BW echtgenoten jegens elkaar verplicht zijn om tot beschrijving van het vermogen over te gaan. Aldus kan de verrekenvordering worden vastgesteld, waarbij zo nodig op grond van art. 1:143 lid 2 BW in verbinding met art. 679 Rv een deskundige kan worden benoemd om de waarde van bepaalde goederen te schatten.

Opmerking verdient dat de verzoeken tot beschrijving van het vermogen en tot het benoemen van een deskundige weliswaar volgens de zojuist genoemde bepalingen tot de kantonrechter moeten worden gericht, maar dat dit ook op verlangen van een der partijen kan worden bevolen door de rechter voor wie een geding op de voet van art. 1:141 BW aanhangig is (vgl. aldus art. 679 lid 2 Rv voor het geval van een geding over de verdeling van een gemeenschap).

3.3.3

In het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, heeft het hof (in rov. 6.6.6 en 6.6.7) ten onrechte geoordeeld dat de man niet behoefde te stellen en zo nodig te bewijzen wat de omvang (waarde) van het vermogen van de vrouw op de peildatum is, en dat het op de weg van de vrouw ligt om te onderbouwen dat op de peildatum sprake is van vermogensbestanddelen die in waarde zijn afgenomen of van negatieve vermogensbestanddelen. De daarop gerichte klachten van de onderdelen (b) tot en met (e) van middel 2 (zie hiervoor in 3.3.1) zijn derhalve gegrond.

Datzelfde geldt voor onderdeel (f) van middel 2, dat terecht erover klaagt dat het hof eraan is voorbijgegaan dat de man de mogelijkheid had het vermogen van de vrouw te laten beschrijven op de voet van art. 1:141 lid 3 BW in verbinding met art. 1:143 BW, zoals hij subsidiair had gevorderd (zie hiervoor in 3.2.1).

3.4

Volgens onderdeel (g) van middel 2 is onbegrijpelijk het oordeel van het hof (in rov. 6.6.8) dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft betwist en dat daarom vaststaat dat op de peildatum sprake is van een overgespaard vermogen van € 133.836,--.

Ook deze klacht is gegrond. Het hof heeft de (door de man wel gestelde) omvang van de overgespaarde inkomsten ter zake van de niet uitbetaalde meewerkbeloningen en van (de helft van) de aflossingen op de hypothecaire geldleningen, ten onrechte aangemerkt als het totale (overgespaarde) vermogen dat op de peildatum aanwezig zou zijn. Wat dat totale (overgespaarde) vermogen betreft heeft de man in zijn memorie van grieven onder 14 en 30 slechts gesteld dat het vermogen van de vrouw op de peildatum uit diverse bestanddelen bestond, waaronder het bedrijfspand met ondergrond, inventaris, goodwill en bankrekeningen, en de auto, sieraden en inboedel van de vrouw. Hij heeft echter niet gesteld wat de waarde van deze vermogensbestanddelen was. Zo heeft hij met betrekking tot de echtelijke woning wel gesteld dat op de hypothecaire geldlening een bedrag van € 99.000,-- door de vrouw is afgelost, maar niet wat de (over)waarde van de woning was. In ieder geval heeft de man, zoals het onderdeel terecht aanvoert, niet gesteld dat op de peildatum sprake was van een overgespaard vermogen van € 133.836,--.

Gelet op een en ander is dan ook onbegrijpelijk dat het hof, als onvoldoende door de vrouw betwist, is uitgegaan van een overgespaard vermogen van € 133.836,--.

3.5

Onderdeel (a) van middel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.5.1 dat vaststaat dat de niet uitgekeerde meewerkbeloningen moeten worden aangemerkt als overgespaard inkomen en dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening zijn voldaan met overgespaard inkomen. Volgens het onderdeel kon het hof niet tot dit oordeel komen op de daartoe genoemde grond dat de vrouw geen grieven heeft gericht tegen de desbetreffende oordelen van de rechtbank.

Het onderdeel treft doel. Nu de vrouw in eerste aanleg in het gelijk was gesteld, behoefde zij geen grieven aan te voeren tegen de overwegingen van de rechtbank waarmee zij het niet eens was. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep diende het hof, nu het de grieven 1 en 2 van de man gegrond oordeelde, de in het onderdeel vermelde stellingen en weren van de vrouw in eerste aanleg die door de rechtbank waren verworpen of onbehandeld gelaten, wederom dan wel alsnog te beoordelen, ook zonder dat de vrouw daaromtrent grieven had aangevoerd.

3.6

Onderdeel (b) van middel 3 klaagt dat onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 6.6.2, dat geen van partijen zich heeft beroepen op de in art. 1:141 lid 3 BW vervatte uitzondering (de ‘tenzij-clausule’). De klacht slaagt, nu de vrouw op de in het onderdeel vermelde plaatsen wel een beroep heeft gedaan op deze tenzij-clausule.

3.7

Volgens onderdeel (c) van middel 3 is onbegrijpelijk het oordeel van het hof in rov. 6.6.4, dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij op de peildatum niet over enig, positief dan wel negatief, vermogen beschikte.

Ook dit onderdeel is gegrond. De vrouw heeft in eerste aanleg de in het onderdeel weergegeven stellingen ingenomen, die (kort gezegd) erop neerkomen dat de man zijn eigen inkomsten als kok nooit heeft afgedragen ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding, dat onduidelijk is waar die inkomsten zijn gebleven, en dat als er verrekend moet worden, ook de man zijn inkomsten moet laten zien. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep had het hof deze stellingen in zijn beoordeling moeten betrekken.

3.8

De klachten van middel 1 en van onderdeel (a) van middel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 januari 2018;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 19 april 2019.