Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:62

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
17/02767
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:1876
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Proceskosten; art. 29f AWR; verzoek om veroordeling in de proceskosten na intrekking cassatieberoep; art. 29f AWR ziet slechts op kosten gemaakt voor het geding in cassatie; vergoeding van wettelijke rente over proceskostenveroordeling door Hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-01-2019
FutD 2019-0137
NTFR 2019/165 met annotatie van V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
NLF 2019/0183 met annotatie van Wendy Nent
FED 2019/51 met annotatie van E. THOMAS
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 januari 2018

Nr. 17/02767

Arrest

gewezen op het hierna vermelde verzoek van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende).

1 Verzoek

De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2017, nr. 15/01368, betreffende een beschikking op een verzoek van belanghebbende om teruggaaf van omzetbelasting over de periode 27 juni 2013 tot en met 30 september 2013. Hij heeft dat beroep ingetrokken. Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie.

Verder heeft belanghebbende verzocht de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het verzoek

2.1.

De Hoge Raad ziet, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken.

Belanghebbende heeft verzocht het te vergoeden bedrag te stellen op dat van de werkelijk gemaakte proceskosten.

2.2.

Op grond van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt een vergoeding toegekend met inachtneming van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. In bijzondere omstandigheden kan daarvan op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit worden afgeweken.

2.3.

De omstandigheid dat de Inspecteur, zoals belanghebbende stelt, ter zitting van het Hof niet ermee heeft ingestemd met het voorstel van belanghebbende om de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad arrest zou hebben gewezen in de procedure met nr. 15/05937, is niet een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Ook overigens is niet gebleken dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, zal de Hoge Raad de vergoeding voor de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie vaststellen met inachtneming van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief.

2.5.

Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof komt niet voor inwilliging in aanmerking. Artikel 29f AWR, waarop het verzoek is gebaseerd, strekt zich niet uit tot veroordeling van de Staatssecretaris in een dergelijke vergoeding. Belanghebbende had het Hof, dat de verplichting tot vergoeding van proceskosten heeft vastgesteld, moeten verzoeken te beslissen dat de wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum waarop zijn uitspraak is gedaan, indien die vergoeding niet tijdig wordt voldaan (vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, rechtsoverweging 2.2.3).

3 Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.