Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:607

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
18/01096
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:78
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:4022, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Belediging politieagent (art. 266.1 jo. 267.2 Sr) en diefstal met braak uit woning, meermalen gepleegd (art. 311.1.5 Sr). Kon (voorzitter) Hof toegang verlenen aan b.p.’s A en B tot behandeling achter gesloten deuren van zaak tegen t.t.v. begaan van tlgd. feiten nog minderjarige verdachte, v.zv. deze behandeling betrekking had op feiten waarvan A en B geen slachtoffer waren? Art. 495b.1 Sv. Onder 'zaak' in art. 495b.1 Sv dient te worden verstaan al datgene waarop rechtsgeding betrekking heeft. Grenzen daarvan zijn vastgelegd in hetgeen bij inleidende dagvaarding aan verdachte is ten laste gelegd, zij het dat deze grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging van tll. ex art. 313 of 314a Sv en/of voeging onderscheidenlijk splitsing ex art. 276 Sv (vgl. m.b.t. art. 258.1, 591a.1 en 591a.2 Sv ECLI:NL:HR:1989:ZC8272). Ook indien onderzoek ttz. betrekking heeft op meerdere strafbare feiten, is sprake van één 'zaak'. Opvatting dat in zo’n geval o.g.v. art. 495b.1 Sv toegang van slachtoffer of diens nabestaanden z.m. is beperkt tot uitsluitend dat deel van onderzoek ttz. dat betrekking heeft op het op slachtoffer betrekking hebbende feit of op hem betrekking hebbende feiten, is onjuist. Opmerking verdient dat voorzitter toegang kan beperken tot deel van behandeling van zaak, v.zv. doelmatige behandeling van zaak daardoor niet in het gedrang komt. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2019/178
RvdW 2019/537
NBSTRAF 2019/153
TPWS 2019/69
SR-Updates.nl 2019-0208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 april 2019

Strafkamer

nr. S 18/01096 J

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2017, nummer 22/005615-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel komt op tegen het verlenen van toegang door (de Voorzitter van) het Hof aan de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tot de behandeling achter gesloten deuren van de zaak tegen de ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten nog minderjarige verdachte, voor zover deze behandeling betrekking had op de onder 2 en 6 tenlastegelegde feiten waarvan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen slachtoffer waren.

2.2.1.

Het arrest van het Hof houdt onder meer in:

"Aan de verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

2:

hij op of omstreeks 04 februari 2016 te Rotterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant] , aspirant van Politie Eenheid Rotterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem meermalen de woorden toe te voegen: "Kankerhomo", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4:

hij op of omstreeks 12 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [c-straat] heeft weggenomen één of meerdere geldbedrag(en) (in verschillende valuta) en/of één of meerdere zakmes(sen) en/of sleutelbos(sen) en/of een bankpas en/of één of meerdere siera(a)d(en), in elk geval enig goed en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 3] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 1] , in elk en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4 subsidiair:

hij op of omstreeks 12 december 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meerdere geldbedrag(en) (in verschillende valuta) en/of één of meerdere zakmes(sen) en/of sleutelbos(sen) en/of een bankpas en/of één of meerdere siera(a)d(en), in elk geval enig goed en/of geld, heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) en/of dat geld wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) en/of geld betrof;

6:

hij op of omstreeks 24 november 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [a-straat] heeft weggenomen een tablet, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen tablet onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak/verbreking."

2.2.2.

Het proces-verbaal van de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting in hoger beroep houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

(...).

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Alkmaar.

De benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn verschenen.

(...)

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

(...)

De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde belediging doe ik een beroep op mijn zwijgrecht.

(...)

Ook ten aanzien van de onder 4 en 6 ten laste gelegde woninginbraken doe ik een beroep op mijn zwijgrecht.

Ik wil graag opmerken dat ik niet begrijp waarom de benadeelde partijen aanwezig moeten zijn bij de inhoudelijke behandeling van het onder 2 en 6 ten laste gelegde. Ik beroep mij op mijn zwijgrecht, omdat de benadeelde partijen niets met die feiten te maken hebben.

Op de vraag van de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij de aanwezigheid van de benadeelde partijen ter terechtzitting met zijn cliënt zou willen bespreken.

(...)

De raadsman deelt het volgende mede:

Ik heb de aanwezigheid van de benadeelde partijen heden ter terechtzitting met mijn cliënt besproken. Ik merk dat mijn cliënt niet wil praten in hun aanwezigheid. Ik verzoek u derhalve om de inhoudelijke behandeling van de onder 2 en 6 ten laste gelegde feiten en de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt te laten plaatsvinden buiten aanwezigheid van de benadeelde partijen. Het zijn mensen die in zijn buurt wonen. Na de vorige zitting heeft een confrontatie plaatsgevonden. Dat maakt het nogal vervelend voor mijn cliënt.

Voor de volledigheid meld ik u dat mijn cliënt zich zal blijven beroepen op zijn zwijgrecht ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit. Mijn cliënt is wel bereid te verklaren ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Op verzoek van de voorzitter verlaten de benadeelde partijen tijdelijk de zittingszaal.

De verdachte vervolgt zijn verklaring:

(...)

De voorzitter geeft de raadsheren, de advocaat-generaal en de raadsman de gelegenheid tot het stellen van vragen aan de verdachte. Zij hebben geen vragen aan de verdachte.

De verdachte legt op vragen van de voorzitter betreffende zijn persoonlijke omstandigheden een verklaring af, inhoudende:

(...)

De benadeelde partijen betreden de zittingszaal.

De benadeelde partij [betrokkene 1] licht op vragen van de voorzitter haar vordering toe als volgt:

(...)

De benadeelde partij [betrokkene 2] licht op vragen van de voorzitter haar vordering toe als volgt:

(...)

De voorzitter bespreekt de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .

De advocaat-generaal voert hierna het woord als volgt:

(...)

De advocaat-generaal draagt de schriftelijke vordering voor.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging (...).

(...)

De voorzitter stelt de benadeelde partij [betrokkene 1] in de gelegenheid te reageren.

(...)

De voorzitter stelt de benadeelde partij [betrokkene 2] in de gelegenheid te reageren.

(...)

De advocaat-generaal krijgt de gelegenheid tot repliek.

(...)

De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek.

(...)

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij maakt daarvan geen gebruik.

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten (...)"

2.3.

Art. 495b, eerste lid, Sv, dat betrekking heeft op de strafvordering in zaken betreffende personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, luidt:

"De zaak wordt achter gesloten deuren behandeld. De voorzitter van de rechtbank kan tot bijwoning van de besloten terechtzitting bijzondere toegang verlenen. Aan het slachtoffer of de nabestaanden van het slachtoffer wordt toegang verleend, tenzij de voorzitter wegens bijzondere redenen anders beslist."

2.4.

Onder 'zaak' in art. 495b, eerste lid, Sv dient te worden verstaan al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft. De grenzen daarvan zijn vastgelegd in hetgeen bij inleidende dagvaarding aan de verdachte is tenlastegelegd, zij het dat deze grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van de art. 313 of 314a Sv en/of voeging onderscheidenlijk splitsing op de voet van art. 276 Sv. (Vgl. met betrekking tot art. 258, eerste lid, en 591a, eerste en tweede lid, Sv HR 14 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8272.) Ook indien het onderzoek ter terechtzitting betrekking heeft op meerdere strafbare feiten, is sprake van één 'zaak'. Voor zover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat in zo een geval op grond van art. 495b, eerste lid, Sv de toegang van het slachtoffer of diens nabestaanden zonder meer is beperkt tot uitsluitend dat deel van het onderzoek ter terechtzitting dat betrekking heeft op het op het slachtoffer betrekking hebbende feit of de op hem betrekking hebbende feiten, is deze opvatting onjuist. Opmerking verdient dat de voorzitter de toegang kan beperken tot een deel van de behandeling van de zaak, voor zover een doelmatige behandeling van de zaak daardoor niet in het gedrang komt.

2.5.

Het middel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde jeugddetentie van 90 dagen, waarvan 52 dagen voorwaardelijk, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019.