Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:594

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
17-04-2019
Zaaknummer
17/03190
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen door geldbedragen (in totaal € 16.520,-) voorhanden te hebben en om te zetten, art. 420bis.1.b Sr. Strafoplegging, afroomboete. Opgelegde geldboete van € 16.500,-, waarvan hoogte is bepaald door omvang w.v.v. van verdachte, toereikend gemotiveerd? Hof heeft overwogen dat "verdachte heeft gehandeld uit financiële motieven" en dat - gelet op omstandigheid dat "niet is aangekondigd dat tegen verdachte een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt" - het afzien van het opleggen van zo'n geldboete "onvoldoende afschrikwekkend [is] om recidive te voorkomen". Daarin besloten liggend oordeel dat hoogte van op te leggen boete mede kan worden bepaald door omvang van uit die feiten verkregen voordeel, zodat die boete mede dient tot 'afroming' van door deze feiten verkregen voordeel, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BW3684). Voorts ligt in ‘s Hofs beslissing besloten dat door verdachte uit bewezenverklaard witwassen verkregen voordeel € 16.500,- bedraagt. Hof heeft dat oordeel kennelijk gebaseerd op opvatting dat in bewezenverklaring bedoeld geldbedrag van in totaal € 16.520,- reeds daadwerkelijk w.v.v. vormt doordat het voorwerp is van dat bewezenverklaarde witwassen. Die opvatting is niet juist (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY5217). Niet begrijpelijk is dat verdachte uit bewezenverklaard witwassen daadwerkelijk tot bedrag van € 16.500,- wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/03190

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 juni 2017, nummer 21/006353-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de oplegging van een geldboete van € 16.500,- ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"op tijdstippen in de periode van 28 juli 2016 tot en met 1 augustus 2016, te Nieuwegein en Hilversum en te Bodegraven telkens voorwerpen, te weten (contante) geldbedragen (te weten 4.900,- euro en 5.420,- euro en 6.200,- euro) heeft voorhanden gehad en omgezet, terwijl hij telkens wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Het Hof heeft de verdachte onder meer veroordeeld tot een geldboete van € 16.500,-. Het heeft ten aanzien van de hoogte van deze geldboete het volgende overwogen:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 28 juli 2016 tot en met 1 augustus 2016 geldbedragen van € 4.900, € 5.420 en € 6.200 witgewassen. Die geldbedragen zijn telkens gestort op de bankrekening van verdachte en kort daarna in gedeelten opgenomen van zijn bankrekening. Verdachte is herkend op camerabeelden van de stortingen en opnamen als de man die de geldbedragen op zijn bankrekening heeft gestort. Alle contante stortingen op de bankrekening van verdachte betroffen met inkt besmeurde bankbiljetten. Het is evident dat de met inkt besmeurde bankbiljetten afkomstig waren uit enig misdrijf, zoals een plofkraak waarbij een inktpatroon in de geldcassette is geactiveerd om het buitgemaakte geld te markeren. Door de vervuilde bankbiljetten om te wisselen in schone bankbiljetten heeft verdachte de criminele herkomst van de geldbedragen doelbewust verhuld. Het valt verdachte aan te rekenen dat hij daarmee van ernstige criminaliteit heeft geprofiteerd.

In het nadeel van verdachte wordt tevens in aanmerking genomen dat hij op geen enkele wijze openheid van zaken heeft willen geven en geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen. In het voordeel van verdachte weegt mee dat hij niet eerder is veroordeeld door de strafrechter.

Het hof acht oplegging van een gevangenisstraf van 130 dagen met aftrek, waarvan 88 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 150 uren, passend en geboden. Vanwege de houding van verdachte, de hoogte van de witgewassen bedragen en de relatie met ernstige strafbare feiten, is een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden, waarbij het hof de hoogte van het onvoorwaardelijke deel op hetzelfde aantal dagen stelt als dat de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast acht het hof oplegging van een geldboete van € 16.500 op zijn plaats. Verdachte heeft een groot bedrag witgewassen. De door de rechtbank opgelegde straf en de (nog lagere) door het Openbaar Ministerie geëiste straf acht het hof onvoldoende afschrikwekkend om recidive te voorkomen. Verdachte heeft gehandeld uit financiële motieven. Het besef dat uit financieel gewin gepleegde criminaliteit in geval van strafvervolging niet lonend is, kan bij verdachte of anderen de prikkel wegnemen om zich (opnieuw) schuldig te maken aan strafbare feiten. Bij de keuze om een geldboete op te leggen is in aanmerking genomen dat niet is aangekondigd dat tegen verdachte een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt en dat de financiële draagkracht van verdachte, zoals die het hof is gebleken, niet aan het opleggen van de geldboete in de weg staat. Vaststaat dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten de beschikking heeft gehad over de door hem witgewassen geldbedragen. In de woning waarin verdachte woonde zijn op verschillende plaatsen (waaronder de slaapkamer van verdachte) grote hoeveelheden contant geld aangetroffen. Verdachte heeft zelf niet verklaard over de herkomst en bestemming van de door hem witgewassen geldbedragen. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte niet meer de beschikking heeft over die geldbedragen en ook overigens is niet aannemelijk geworden dat verdachte niet meer over middelen zou beschikken om een dergelijke geldboete te kunnen betalen."

2.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval - waarin de verdachte is veroordeeld wegens kort gezegd het witwassen van geldbedragen van in totaal € 16.520,- - het opleggen van een geldboete van € 16.500,- een passende bestraffing vormt. Daarbij heeft het Hof onder meer overwogen dat de "verdachte heeft gehandeld uit financiële motieven" en dat - gelet op de omstandigheid dat "niet is aangekondigd dat tegen verdachte een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt" - het afzien van het opleggen van zo'n geldboete "onvoldoende afschrikwekkend [is] om recidive te voorkomen". Het daarin besloten liggende oordeel dat de hoogte van de op te leggen boete mede kan worden bepaald door de omvang van het uit die feiten verkregen voordeel, zodat die boete mede dient tot 'afroming' van het door deze feiten verkregen voordeel, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684).

2.3.2.

Voorts ligt in de beslissing van het Hof besloten dat het door de verdachte uit het bewezenverklaarde witwassen verkregen voordeel € 16.500,- bedraagt. Het Hof heeft dat oordeel kennelijk gebaseerd op de opvatting dat het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag van in totaal
€ 16.520,- reeds daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel vormt doordat het voorwerp is van dat bewezenverklaarde witwassen. Die opvatting is niet juist (vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5217). Niet begrijpelijk is dat de verdachte uit het bewezenverklaarde witwassen daadwerkelijk tot het bedrag van € 16.500,- wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het middel slaagt.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019.