Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:588

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
15/04545
Formele relaties
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:EU:C:2018:562
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:EU:C:019:49
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Premieheffing. Arrest na prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-272/17, Zyla). Partiële toepassing premiedeel algemene heffingskorting bij werknemer die gedurende een deel van het jaar voor de volksverzekeringen is verzekerd op grond van werkzaamheden in Nederland en gedurende het resterende deel van dat jaar in een andere lidstaat woont en daar (nagenoeg) geen inkomen verwerft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-04-2019
V-N Vandaag 2019/851
FutD 2019-1020 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2019/19.4 met annotatie van Redactie
NLF 2019/0962 met annotatie van Gabriëlle van de Ven
BNB 2019/93
RSV 2019/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 april 2019

Nr. 15/04545bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van K.M. Zyla te [Z], Polen (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 september 2015, nr. 15/00684, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vraag.

1 Geding in cassatie

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:849, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.

Bij arrest van 23 januari 2019, K.M. Zyla, C-272/17, ECLI:EU:C:2019:49, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:

“Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voor de vaststelling van het bedrag van de door een werknemer verschuldigde premie volksverzekeringen bepaalt dat het premiedeel van de heffingskorting waarop een werknemer recht heeft voor een kalenderjaar, evenredig is aan de periode waarin deze werknemer verzekerd is in het stelsel van volksverzekeringen van die lidstaat, en aldus van de jaarlijkse heffingskorting een gedeelte wordt uitgesloten dat evenredig is aan elke periode waarin deze werknemer niet was verzekerd in dat stelsel en in een andere lidstaat woonde zonder daar een beroepsactiviteit uit te oefenen.”

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.

2 Nadere beoordeling van de klacht

Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt dat belanghebbende alleen aanspraak heeft op een gedeelte van het premiedeel van de algemene heffingskorting dat is bepaald in tijdsevenredigheid naar de periode van verzekering in Nederland. De klacht van belanghebbende dat de algemene heffingskorting aan haar moet worden toegekend zonder toepassing van de tijdsevenredige vermindering van het premiedeel van die heffingskorting faalt daarom.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2019.