Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:546

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
17/03147
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:150
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9596, Afwijzing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Economische zaak. Opzettelijke overtreding voorschrift gesteld bij art. 2.3 Wet op de Geneesmiddelenvoorziening door tabletten mCPP te bereiden en af te leveren.. Vervolg op tussenarrest ECLI:NL:HR:2018:2339, waarbij AG in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten over ECLI:EU:C:2018:853. Aanvraag, die berust op stelling dat indien Hof bekend was geweest met ECLI:EU:C:2014:2060, onderzoek zaak zou hebben geleid tot vrijspraak of o.v.a.r., stelt vraag aan de orde of Unierecht noopt tot zodanig ruime interpretatie van herzieningsgronden van art. 457 Sv, dat uitspraak van HvJ EU moet leiden tot herziening van eerdere strafrechtelijke veroordeling, indien uit uitspraak blijkt dat veroordeling - achteraf bezien - onverenigbaar is met Unierecht. HR verwijst naar herzieningsgronden van art. 457.1.c Sv (novum) en art. 457.1.b Sv (EHRM-uitspraak waarin schending van EVRM is vastgesteld) en overweegt dat ECLI:EU:C:2018:853 erop neerkomt dat Unierecht niet ertoe verplicht dat bijzonder rechtsmiddel herziening wordt uitgebreid in die zin dat ook als grond voor herziening moet worden aangemerkt een na onherroepelijk worden van strafrechtelijke veroordeling gebleken strijdigheid met Unierecht (i.c. richtlijn 2001/83/EG en daaraan door HvJ EU in ECLI:EU:C:2014:2060 m.b.t begrip ‘geneesmiddel’ gegeven uitleg). V.zv. aanvraag uitgaat van andere opvatting, is zij ongegrond. V.zv. aanvraag betoogt dat ook als Unierecht daartoe niet verplicht, i.c. moet worden aangenomen dat door HvJ EU in ECLI:EU:C:2014:2060 aan Richtlijn gegeven uitleg moet worden aangemerkt als (nieuw) gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv, verwijst HR naar MvT bij Wet hervorming herziening ten voordele (Stb. 2012, 275), waaruit volgt dat nieuwe of gewijzigde rechtspraak niet kan worden aangemerkt als (nieuw) gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. Dat nieuwe of gewijzigde rechtspraak is gewezen door het HvJ EU of dat nieuwe of gewijzigde nationale rechtspraak het gevolg is van rechtspraak van HvJ EU leidt niet tot ander oordeel. Volgt afwijzing aanvraag. Vervolg op 09/04119 E (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/863
RvdW 2019/502
NBSTRAF 2019/142
SR-Updates.nl 2019-0199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/03147 H

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 oktober 2009, nummer 20/000903-08, ingediend door Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Kamer van de Rechtbank Breda van 26 februari 2008 - de aanvrager ter zake van "Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, derde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren.

2 De aanvraag tot herziening

2.1.

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2.

De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat indien het Hof bekend was geweest met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: HvJ EU) van 10 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2060, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager of tot ontslag van alle rechtsvervolging.

3 Procesverloop

3.1.

De Advocaat-Generaal heeft bij conclusie van 13 februari 2018 geconcludeerd dat de Hoge Raad de behandeling van het cassatieberoep schorst,

- hetzij totdat het HvJ EU de prejudiciële vraag gesteld door het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof in de zaak C-234/17 heeft beantwoord;

- hetzij met het oog op vragen van uitleg die de Hoge Raad aan het HvJ EU zal stellen met de strekking in hoeverre het Unierecht verplicht tot herziening van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling als deze in het licht van een later arrest van het HvJ EU in strijd met het Unierecht blijkt te zijn.

3.2.

Bij arrest van 24 oktober 2018 heeft het HvJ EU uitspraak gedaan in voornoemde zaak C-234/17, ECLI:EU:C: 2018:853.

3.3.

De Hoge Raad heeft bij tussenarrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2339, de Advocaat-Generaal in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over voornoemde uitspraak van het HvJ EU van 24 oktober 2018 in de zaak C-234/17.

3.4.

Bij nadere conclusie van 19 februari 2019 heeft de Advocaat-Generaal geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de aanvraag.

3.5.

De raadsman van de aanvrager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

4 Beoordeling van de aanvraag

4.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. Voorts bepaalt art. 457, eerste lid aanhef en onder b, Sv dat ook een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin, kort gezegd, een schending van het EVRM is vastgesteld, grond kan zijn voor herziening.

4.2.

De aanvraag stelt de vraag aan de orde of het Unierecht noopt tot een zodanig ruime interpretatie van de herzieningsgronden genoemd in art. 457 Sv dat een uitspraak van het HvJ EU (zoals in het onderhavige geval die van 10 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2060, betrekking hebbend op de Duitse strafzaken tegen Markus D. en G.) moet leiden tot herziening van een eerdere strafrechtelijke veroordeling indien uit die uitspraak van het HvJ EU blijkt dat deze strafrechtelijke veroordeling - achteraf bezien - niet verenigbaar is met het Unierecht.

4.3.1.

In zijn arrest van 24 oktober 2018 in de zaak C-234/17, ECLI:EU:C:2018:853, heeft het HvJ EU het volgende overwogen:

"20. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus dient te worden uitgelegd dat de nationale rechter op grond hiervan verplicht is om een rechtsmiddel naar nationaal recht waarmee bij schending van het EVRM of van een van de protocollen erbij kan worden verkregen dat een strafprocedure die is afgesloten met een in kracht van gewijsde gegane nationale beslissing wordt overgedaan, uit te breiden tot schendingen van het Unierecht, met name tot inbreuken op het in artikel 50 van het Handvest en artikel 54 SUO gewaarborgde grondrecht.

21. Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat het bij gebreke van een Unieregeling ter zake, krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van de interne rechtsorde van die staten is hoe het beginsel van het gezag van gewijsde ten uitvoer wordt gelegd, met inachtneming evenwel van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid (arrest van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C-213/13, EU:C:2014: 2067, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22. In overeenstemming met het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, mogen immers de procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976: 188, punt 5; 14 december 1995, Peterbroeck, C-312/93, EU:C:1995:437, punt 12; 15 april 2008, Impact, C-268/06, EU:C:2008:223, punt 46, en 27 juni 2013, Agrokonsulting-04, C-93/12, EU:C:2013:432, punt 36).

23. De uit die beginselen voortvloeiende vereisten gelden zowel voor de aanwijzing van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn om kennis te nemen van vorderingen die op dat recht zijn gebaseerd als voor de vaststelling van de procedurevoorschriften voor dergelijke vorderingen (zie in die zin arresten van 15 april 2008, Impact, C-268/06, EU:C:2008:223, punt 47, en 27 juni 2013, Agrokonsulting-04, C-93/12, EU:C:2013: 432, punt 37).

24. Bij het onderzoek of deze vereisten in acht zijn genomen, moet rekening worden gehouden met de plaats van de betrokken voorschriften in de gehele procedure, met het verloop van de procedure en met de bijzondere kenmerken van deze voorschriften voor de verschillende nationale instanties (arrest van 27 juni 2013, Agrokonsulting-04, C-93/12, EU:C:2013:432, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Gelijkwaardigheidsbeginsel

25. Volgens de in punt 22 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak verbiedt het gelijkwaardigheidsbeginsel een lidstaat om procedureregels vast te stellen die minder gunstig zijn voor vorderingen ter bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen dan voor soortgelijke nationale vorderingen.

26. In dit verband blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit het antwoord op een vraag die het Hof ter terechtzitting aan de Oostenrijkse regering heeft gesteld, dat het in § 363a van het wetboek van strafvordering bedoelde verzoek strekkende tot het overdoen van de strafzaak moet worden beschouwd als een nationale vordering.

27. Derhalve moet worden nagegaan of die vordering vergelijkbaar is met een vordering die ertoe strekt de uit het Unierecht voortvloeiende rechten, in het bijzonder de daarin neergelegde grondrechten, te beschermen, gelet op het voorwerp, de oorzaak en de voornaamste kenmerken van die vorderingen (zie in die zin arrest van 27 juni 2013, Agrokonsulting-04, C-93/12, EU:C:2013:432, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28. Ter verduidelijking van zijn twijfel of § 363a van het wetboek van strafvordering in overeenstemming is met het gelijkwaardigheidsbeginsel, wijst de verwijzende rechter erop dat, in het kader van een op die bepaling gebaseerde vordering, een grief inzake schending van een door het EVRM gewaarborgd grondrecht hetzelfde voorwerp en dezelfde grondslag kan hebben als een grief inzake schending van een door het Handvest gewaarborgd recht. Hij wijst er ook op dat de door het Handvest gewaarborgde rechten krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest ten minste dezelfde reikwijdte hebben als de overeenkomstige rechten die door het EVRM worden gewaarborgd.

29. § 363a van het wetboek van strafvordering bepaalt dat een strafprocedure wordt overgedaan indien in een arrest van het EHRM wordt vastgesteld dat een beslissing of een maatregel van een strafrechter inbreuk maakt op het EVRM of een van de protocollen erbij. Uit de formulering van deze bepaling blijkt dus dat dit rechtsmiddel in beginsel vooronderstelt dat het EHRM vooraf schending van het EVRM of een van de protocollen daarbij vaststelt.

30. De verwijzende rechter preciseert echter dat hij in een beginselarrest van 1 augustus 2007 heeft geoordeeld dat de strafprocedure niet alleen kan worden overgedaan wanneer het EHRM vooraf heeft vastgesteld dat een beslissing of een maatregel van een strafrechter inbreuk maakt op het EVRM of een van de protocollen, maar ook wanneer hij zelf heeft vastgesteld dat sprake is van een dergelijke schending. Wanneer een zaak niet bij het EHRM maar bij hem aanhangig wordt gemaakt, en zulks niet op basis van een vaststelling door het EHRM van een schending van het EVRM of een van de protocollen daarbij, breidt het Oberste Gerichtshof, mits is voldaan aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden voor een beroep bij het EHRM, deze procedure uit tot eenieder die stelt dat een van zijn door dat Verdrag of die protocollen gewaarborgde rechten is geschonden, en anticipeert het aldus op een beslissing ten gronde van het EHRM.

31. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat het in § 363a van het wetboek van strafvordering bedoelde buitengewone rechtsmiddel zijn rechtvaardiging vindt in de aard zelf van het EVRM en, zoals het door de Oostenrijkse wetgever is vastgesteld, een nauw functioneel verband heeft met de procedure voor het EHRM. Dit rechtsmiddel werd immers ingevoerd om uitvoering te geven aan de arresten van het EHRM, waarbij de Oostenrijkse regering heeft benadrukt dat de wetgever op deze wijze beoogde de in artikel 46 EVRM neergelegde verplichting na te komen.

32. Dienaangaande zij eraan herinnerd, zoals de advocaat-generaal in punt 75 van zijn conclusie heeft gedaan, dat het vereiste van artikel 35, lid 1, EVRM, volgens hetwelk het EHRM een zaak pas in behandeling kan nemen nadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, impliceert dat er sprake is van een beslissing die is genomen door een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, en die gezag van gewijsde heeft.

33. Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, is juist om rekening te houden met deze situatie en om ervoor te zorgen dat in de nationale rechtsorde uitvoering wordt gegeven aan arresten van het EHRM, de procedure van § 363a van het wetboek van strafvordering ingevoerd, op grond waarvan een strafprocedure die met een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing is afgesloten, kan worden overgedaan.

34. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en uit de toelichting van de Oostenrijkse regering volgt bovendien dat aan de nauwe functionele band tussen de in die bepaling bedoelde procedure en de procedure voor het EHRM niet wordt afgedaan door de uitbreiding van de werkingssfeer van die eerste procedure door het beginselarrest van het Oberste Gerichtshof van 1 augustus 2007. Zoals in punt 30 van het onderhavige arrest is opgemerkt, gelden voor een beroep dat op grond van deze bepaling wordt ingesteld voordat het EHRM heeft vastgesteld dat er sprake is van schending van het EVRM of een van de protocollen daarbij, dezelfde ontvankelijkheidsvoorwaarden als voor een beroep dat bij het EHRM wordt ingesteld, en heeft een dergelijk beroep volgens de door de nationale rechter verstrekte uitleg uitsluitend tot doel te anticiperen op een dergelijke vaststelling.

35. Evenwel moet worden vastgesteld dat de procedure van § 363a van het wetboek van strafvordering, gelet op het voorwerp, de oorzaak en de essentiële kenmerken ervan, zoals deze hierboven zijn uiteengezet, niet kan worden geacht vergelijkbaar te zijn met een vordering tot vrijwaring van een grondrecht dat door het Unierecht, en met name door het Handvest, wordt gewaarborgd, vanwege de specifieke kenmerken die verband houden met de aard zelf van dat recht.

36. In dat verband zij eraan herinnerd, zoals het Hof herhaaldelijk heeft opgemerkt, dat het Unierecht hierdoor wordt gekenmerkt dat het zijn oorsprong vindt in een autonome rechtsbron, de Verdragen, dat het voorrang heeft boven het recht van de lidstaten [zie in die zin arresten van 15 juli 1964, Costa, 6/64, EU:C:1964:66, en 17 december 1970, Internationale Handelsgesellschaft, 11/70, EU:C:1970:114, punt 3; adviezen 1/91 (EER-Overeenkomst – I) van 14 december 1991, EU:C:1991:490, punt 21, en 1/09 van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punt 65; arrest van 26 februari 2013, Melloni, C-399/11, EU:C:2013:107, punt 59] en dat een hele reeks op de onderdanen van de lidstaten en op de lidstaten zelf toepasselijke bepalingen rechtstreekse werking heeft [zie in die zin arrest van 5 februari 1963, Van Gend & Loos, 26/62, EU:C:1963:1, blz. 23; adviezen 1/09 van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punt 65, en 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 166 en de aldaar aangehaalde rechtspraak].

37. Voorts vormen de grondrechten die erkend zijn door het Handvest - dat krachtens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft - een wezenskenmerk van deze juridische constructie. De eerbiediging van deze rechten vormt een voorwaarde voor de rechtmatigheid van de handelingen van de Unie, zodat maatregelen die onverenigbaar zijn met deze rechten niet kunnen worden toegestaan in de Unie [zie in die zin arresten van 18 juni 1991, ERT, C-260/89, EU:C:1991:254, punt 41; 29 mei 1997, Kremzow, C-299/95, EU:C:1997:254, punt 14; 12 juni 2003, Schmidberger, C-112/00, EU:C:2003:333, punt 73, en 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, EU:C:2008:461, punten 283 en 284, en advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C: 2014:2454, punt 169].

38. Het Hof heeft overigens in verband met het in artikel 50 van het Handvest neergelegde ne-bis-in-idembeginsel, dat in het hoofdgeding aan de orde is, geoordeeld dat die bepaling rechtstreekse werking heeft (arrest van 20 maart 2018, Garlsson Real Estate e.a., C-537/16, EU:C:2018:193, punt 68).

39. Om het behoud van de specifieke kenmerken en de autonomie van die rechtsorde te waarborgen, hebben de Verdragen een rechterlijk systeem ingesteld dat de coherente en eenvormige uitlegging van het Unierecht dient te verzekeren [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 174].

40. In dat kader staat het aan de nationale rechterlijke instanties en aan het Hof om te waarborgen dat het recht van de Unie in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de rechten die de justitiabelen aan dat recht ontlenen, rechterlijke bescherming genieten [adviezen 1/09, EU:C:2011:123, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 175].

41. De hoeksteen van het aldus opgezette rechterlijke systeem wordt gevormd door de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU, die tot doel heeft de eenvormige uitlegging van het Unierecht te verzekeren door specifiek tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand te brengen (zie in die zin arrest Van Gend & Loos, 26/62, EU:C:1963:1, blz. 23), en die aldus de mogelijkheid biedt de coherentie, de volle werking en de autonomie van het Unierecht te verzekeren en, in laatste instantie, de eigenheid van het door de Verdragen geschapen recht in acht te nemen [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 176].

42. Volgens vaste rechtspraak kent artikel 267 VWEU de nationale rechterlijke instanties de meest uitgebreide bevoegdheid toe om zich tot het Hof te wenden indien zij menen dat een bij hen aanhangig geding vragen over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie opwerpt waarover ter beslechting van het hun voorgelegde geschil moet worden beslist. De nationale rechterlijke instanties mogen die bevoegdheid overigens uitoefenen op elk tijdstip in de procedure dat zij daarvoor geschikt achten (arrest van 5 juli 2016, Ognyanov, C-614/14, EU:C:2016:514, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43. Bovendien zij eraan herinnerd dat een nationale rechterlijke instantie zich in beginsel overeenkomstig artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof dient te wenden wanneer tegen haar beslissing volgens het nationale recht geen hoger beroep openstaat en voor haar een vraag over de uitlegging van het Unierecht wordt opgeworpen (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., C-160/14, EU:C:2015:565, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44. Ten slotte moeten de nationale rechterlijke instanties die in het kader van hun bevoegdheden belast zijn met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, volgens vaste rechtspraak van het Hof de volle werking van die bepalingen verzekeren en moeten zij daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke strijdige nationale bepaling buiten toepassing laten zonder dat zij eerst de intrekking hiervan bij wet of enige andere constitutionele procedure hoeven te vragen of af te wachten (zie in die zin arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, EU:C:1978:49, punten 21 en 24, en 6 maart 2018, SEGRO en Horváth, C-52/16 en C-113/16, EU:C:2018:157, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45. De in het bijzonder in het Handvest erkende grondrechten moeten dus in de Unie worden uitgelegd en toegepast met inachtneming van dit constitutionele kader [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 177].

46. Zoals in punt 36 van het onderhavige arrest is aangegeven en door de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie is opgemerkt, waarborgt dit constitutionele kader derhalve dat eenieder de mogelijkheid heeft om de hem door de rechtsorde van de Unie verleende rechten daadwerkelijk te beschermen, zelfs voordat een nationale beslissing met gezag van gewijsde wordt uitgesproken.

47. Gelet op het voorgaande dient de conclusie te luiden dat de verschillen tussen de procedure van § 363a van het wetboek van strafvordering, enerzijds, en de vorderingen ter bescherming van de rechten die justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen, anderzijds, van dien aard zijn dat deze vorderingen niet als soortgelijk kunnen worden beschouwd in de zin van de in de punten 22 tot en met 25 van het onderhavige arrest gememoreerde rechtspraak.

48. Hieruit volgt dat de nationale rechter op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel niet verplicht is om een rechtsmiddel naar nationaal recht waarmee bij schending van het EVRM of van een van de protocollen erbij kan worden verkregen dat een strafprocedure die is afgesloten met een in kracht van gewijsde gegane nationale beslissing wordt overgedaan, uit te breiden tot het geval van vermeende schending van een door het Unierecht, met name het Handvest, gewaarborgd grondrecht.

Doeltreffendheidsbeginsel

49. Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij het onderzoek van elk geval waarin de vraag rijst of een nationaal procedurevoorschrift de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, rekening moet worden gehouden met de plaats van dat voorschrift in de gehele procedure voor de verschillende nationale instanties, alsook met het verloop en de bijzonderheden van deze procedure. Vanuit dit oogpunt dient in voorkomend geval met name rekening te worden gehouden met de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 22 februari 2018, INEOS Köln, C-572/16, EU:C:2018:100, punt 44).

50. Om te beoordelen of er sprake is van schending van het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, moet worden vastgesteld of de onmogelijkheid om op grond van § 363a van het wetboek van strafvordering te verzoeken om een strafrechtelijke procedure die is afgesloten met een in kracht van gewijsde gegane beslissing, over te doen, door zich te beroepen op de schending van een door het Unierecht gewaarborgd grondrecht, zoals het grondrecht dat is neergelegd in artikel 50 van het Handvest en artikel 54 SUO, het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen.

51. In dat verband zij opgemerkt dat het VWEU niet beoogde de lidstaten ertoe te verplichten om voor hun nationale rechterlijke instanties andere rechtsmiddelen in te voeren ter bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, Unibet, C-432/05, EU:C:2007: 163, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52. Bovendien moet worden herinnerd aan het belang dat het beginsel van het gezag van gewijsde zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden heeft. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het immers van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken, niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld (arresten van 16 maart 2006, Kapferer, C-234/04, EU:C:2006:178, punt 20; 29 juni 2010, Commissie/Luxemburg, C-526/08, EU:C:2010:379, punt 26; 29 maart 2011, ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, C-352/09 P, EU:C:2011:191, punt 123, en 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C-213/13, EU:C:2014:2067, punt 58).

53. Derhalve gebiedt het recht van de Unie een nationale rechter niet, nationale procedureregels die een rechterlijke beslissing gezag van gewijsde verlenen buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een nationale situatie die onverenigbaar is met dat recht kunnen worden hersteld (arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C-213/13, EU:C:2014:2067, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 oktober 2015, Târşia, C-69/14, EU:C:2015:662, punt 29).

54. Het Unierecht vereist dus niet dat een rechterlijke instantie uit principe terugkomt op een beslissing met gezag van gewijsde om rekening te houden met de uitlegging die het Hof na vaststelling van die beslissing aan een relevante bepaling van het Unierecht heeft gegeven (zie in die zin arresten van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C-213/13, EU:C:2014:2067, punt 60, en 6 oktober 2015, Târşia, C-69/14, EU:C:2015:662, punt 38).

55. In casu wettigt niets in het dossier waarover het Hof beschikt de conclusie dat er in het Oostenrijkse rechtsstelsel geen rechtsmiddelen bestaan die de bescherming van de rechten die justitiabelen aan artikel 50 van het Handvest en artikel 54 SUO ontlenen doeltreffend verzekeren.

56. Integendeel, vast staat dat verzoekers in het hoofdgeding zich bij het aanvechten van de verzoeken om wederzijdse rechtshulp van het openbaar ministerie van het kanton Sankt Gallen voor de Oostenrijkse rechterlijke instanties ten volle konden beroepen op de niet-nakoming van die bepalingen en dat deze instanties die grieven hebben onderzocht. De verwijzende rechter wijst er ook op dat het wetboek van strafvordering de betrokkenen een groot aantal mogelijkheden biedt om de rechten die de rechtsorde van de Unie hun biedt, te doen gelden.

57. Bijgevolg garandeert dit kader de doeltreffendheid van het Unierecht zonder dat uitbreiding noodzakelijk is van het in § 363a van het wetboek van strafvordering bedoelde buitengewone rechtsmiddel, dat het mogelijk maakt nationale beslissingen die in kracht van gewijsde zijn gegaan opnieuw aan de orde te stellen.

58. Overigens, zoals de advocaat-generaal in punt 56 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verzet het beginsel van eerbiediging van het gezag van gewijsde zich niet tegen de erkenning van het beginsel van de aansprakelijkheid van de staat voor de beslissing van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie (arrest van 30 september 2003, Köbler, C-224/01, EU:C:2003:513, punt 40). Aangezien een schending van de rechten die particulieren aan het Unierecht ontlenen door een dergelijke beslissing gewoonlijk niet meer kan worden hersteld, mag hun immers niet de mogelijkheid worden ontzegd om de staat aansprakelijk te stellen en zo rechtsbescherming van hun rechten te krijgen (arresten van 30 september 2003, Köbler, C-224/01, EU:C:2003:513, punt 34, en 6 oktober 2015, Târşia, C-69/14, EU:C:2015: 662, punt 40).

59. Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, aldus dient te worden uitgelegd dat de nationale rechter op grond hiervan niet verplicht is om een rechtsmiddel naar nationaal recht waarmee uitsluitend bij schending van het EVRM of van een van de protocollen erbij kan worden verkregen dat een strafprocedure die is afgesloten met een in kracht van gewijsde gegane nationale beslissing wordt overgedaan, uit te breiden tot schendingen van het Unierecht, met name tot inbreuken op het grondrecht dat is gewaarborgd in artikel 50 van het Handvest en artikel 54 SUO.

(...)

Het Hof (Grote Kamer) verklaart voor recht:

Het Unierecht, in het bijzonder de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, dient aldus te worden uitgelegd dat de nationale rechter op grond hiervan niet verplicht is om een rechtsmiddel naar nationaal recht waarmee uitsluitend bij schending van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of van een van de protocollen bij dat Verdrag kan worden verkregen dat een strafprocedure die is afgesloten met een in kracht van gewijsde gegane nationale beslissing wordt overgedaan, uit te breiden tot schendingen van het Unierecht, met name tot inbreuken op het grondrecht dat is gewaarborgd in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, die op 19 juni 1990 te Schengen (Luxemburg) is ondertekend en op 26 maart 1995 in werking is getreden."

4.3.2.

Voor zover hier van belang, komt deze uitspraak erop neer dat het Unierecht niet ertoe verplicht dat een nationaal rechtsmiddel waarmee in geval van schending van het EVRM kan worden bereikt dat een strafprocedure die is afgesloten met een definitieve beslissing wordt overgedaan, wordt uitgebreid in die zin dat ook schendingen van het Unierecht - waarbij het in het desbetreffende geval ging om een schending in de vorm van een inbreuk op art. 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - ertoe kunnen leiden dat een afgesloten strafzaak wordt overgedaan.

Hieruit volgt dat ook in het onderhavige geval het Unierecht niet ertoe verplicht dat het bijzondere rechtsmiddel herziening - waarmee een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling kan worden herzien op de gronden genoemd in art. 457 Sv, waaronder is begrepen een vastgestelde schending van het EVRM - wordt uitgebreid in die zin dat ook als grond voor herziening moet worden aangemerkt een na het onherroepelijk worden van die veroordeling gebleken strijdigheid met het Unierecht, in het bijzonder met richtlijn 2001/83/EG en de daaraan door het HvJ EU in zijn arrest van 10 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2060 met betrekking tot het begrip 'geneesmiddel' gegeven uitleg. Voor zover de aanvraag uitgaat van een andere opvatting, is zij ongegrond.

4.4.1.

Voor zover de aanvraag betoogt dat ook als het Unierecht daartoe niet verplicht, in het onderhavige geval moet worden aangenomen dat de door het HvJ EU in zijn arrest van 10 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2060, aan richtlijn 2001/83/EG gegeven uitleg moet worden aangemerkt als een (nieuw) gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, geldt het volgende.

4.4.2.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 18 juni 2012, Stb. 2012, 275 (Wet hervorming herziening ten voordele), waarbij onder meer art. 457 Sv is gewijzigd, houdt onder meer het volgende in:

"In het wetsvoorstel [wordt] niet langer vastgehouden aan de eis dat er sprake dient te zijn van een nieuwe feitelijke omstandigheid. In de voorgestelde regeling kunnen ook andere gegevens, zoals nieuwe deskundigeninzichten, onder omstandigheden een novum opleveren. In verband daarmee wordt in het voorgestelde artikel 457 niet langer gesproken van «eenige omstandigheid die bij het onderzoek ter terechtzitting de rechter niet was gebleken», maar van «een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was». Een gegeven kan een nieuwe feitelijke omstandigheid betreffen, maar ook een gewijzigd deskundigeninzicht over al bekende feiten.

(...)

Evenals dit in het geldende recht het geval is, is rechtsdwaling geen grond tot herziening (HR 27 november 2007, NJ 2008/172). Nieuwe jurisprudentie levert geen novum op. Zou dit wel het geval zijn, dan zou het beginsel «lites finiri oportet» te veel onder druk komen te staan." (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 9, 28.)

4.4.3.

Hieruit volgt dat nieuwe of gewijzigde rechtspraak niet kan worden aangemerkt als een (nieuw) gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Dat nieuwe of gewijzigde rechtspraak is gewezen door het HvJ EU of dat nieuwe of gewijzigde nationale rechtspraak het gevolg is van rechtspraak van het HvJ EU leidt - mede in het licht van wat hiervoor onder 4.3.2 is overwogen - niet tot een ander oordeel.

4.5.

Het in de aanvraag aangevoerde kan dan ook niet worden aangemerkt als een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid, Sv. De aanvraag is dus ongegrond en moet ingevolge art. 470 Sv worden afgewezen.

4.6.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Hoge Raad noch in het in de aanvraag geformuleerde verzoek daartoe, noch ambtshalve aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen van uitleg van het Unierecht aan het
HvJ EU.

5 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2019.