Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:54

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
17/03826
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1017, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:1695, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

IPR. Insolventierecht. Yukoszaak, vervolg op HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668 en HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:221. Erkenning Russisch faillissementsvonnis in Nederland; maatstaf (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank)). Toepassing van de openbare-orde-exceptie; schending van fundamentele beginselen en waarden. Verbod van 'révision au fond'. Uitputting van rechtsmiddelen in land van herkomst. Staan voldongen feiten aan niet-erkenning in de weg? Causaal verband tussen fundamentele gebreken in Russische belastingprocedures en Russisch faillissementsvonnis. Motiveringsklachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/209
RvdW 2019/164
JIN 2019/27 met annotatie van E.J.H. Zandbergen en S. Lubberhuizen
JONDR 2019/131
RBP 2019/42
RI 2019/35
TvI 2019/22 met annotatie van A.J. Berends
Ondernemingsrecht 2019/90 met annotatie van Redactie
JOR 2019/165 met annotatie van prof. mr. P.M. Veder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 januari 2019

Eerste Kamer

17/03826

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. De rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie OOO PROMNEFTSTROY,

gevestigd te Moskou,

Russische Federatie,

2. YUKOS FINANCE B.V. (zoals voorheen vertegenwoordigd door [betrokkene 1] en [betrokkene 2], thans door [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 2]),

gevestigd te Amsterdam,

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. R.R. Verkerk,

t e g e n

1. [verweerder 1],

wonende te [woonplaats], Hawaï, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

2. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats], Texas, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. R.J. van Galen en mr. F.E. Vermeulen,

3. YUKOS FINANCE B.V.(zoals voorheen vertegenwoordigd door [verweerder 1] en [verweerder 2] en thans door [verweerder 1]),

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Eiseres onder 1 zal hierna ook worden aangeduid als Promneftstroy en gezamenlijk met eiseres onder 2 als Promneftstroy c.s. Verweerders zullen hierna ook worden aangeduid als [verweerder 1], Yukos Finance en [verweerder 2], en gezamenlijk als [verweerders]

1 Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. het arrest in de zaak 11/00860, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668 van de Hoge Raad van 13 september 2013;

b. de arresten in de zaken 200.002.097/02 en 200.002.104/02 van het gerechtshof Amsterdam van 21 juni 2016 en 9 mei 2017;

c. het arrest in het incident in de zaak 17/03826,
ECLI:NL:HR:2018:221 van de Hoge Raad van 16 februari 2018.

De arresten van het hof en het arrest in het incident van de Hoge Raad zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het tweede geding in cassatie

Promneftstroy c.s. hebben beroep in cassatie ingesteld tegen de arresten van het hof van 21 juni 2016 en 9 mei 2017. [verweerder 1] en Yukos Finance enerzijds en [verweerder 2] anderzijds hebben afzonderlijk voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en de verweerschriften tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Promneftstroy c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping van de voorwaardelijk incidentele cassatieberoepen ingediend.

De zaak is voor partijen mondeling en schriftelijk toegelicht, voor Promneftstroy c.s. mede door mr. S.E. Landheer en voor [verweerders] mede door mr. E.R. Meerdink.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaten van Promneftstroy c.s. en [verweerder 2] hebben ieder schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar de rov. 2.1.1-2.4.10 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2010, ECLI:GHAMS:2010:BO1035. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

Yukos Oil

( i) De vennootschap naar het recht van de Russische Federatie OAO Yukos Oil Company (hierna: Yukos Oil), voorheen een staatsbedrijf, is in 1995-1996 geprivatiseerd. Yukos Oil is vervolgens gaan fungeren als een houdstermaatschappij met dochterondernemingen in en buiten de Russische Federatie.

Belastingheffing en invordering bij Yukos Oil

  • -

    ii) Aan Yukos Oil zijn over de jaren 2000 en 2001 door een Russische belastingautoriteit certificaten afgegeven met de strekking dat Yukos Oil geen belastingschulden had en aan haar fiscale verplichtingen had voldaan.

  • -

    iii) Het Ministry for Taxes and Duties of the Russian Federation (hierna: het Ministerie) is in de Russische Federatie de hoogste autoriteit bij de uitvoering van de belastingwetgeving. Na een aanvullende belastingcontrole bij Yukos Oil heeft het Ministerie bij beschikking van
    14 april 2004 (hierna: het naheffingsbesluit) vastgesteld dat Yukos Oil aansprakelijk is voor niet of te weinig betaalde belastingen over het jaar 2000. Dat oordeel steunt op de stelling dat Yukos Oil ten onrechte heeft geprofiteerd van lage belastingtarieven of fiscale vrijstellingen
    die golden in gebieden waarin haar dochterondernemingen waren gevestigd of die bij de export naar het buitenland werden toegepast. Yukos Oil zou hebben gedaan alsof
    olie- en gastransacties waren uitgevoerd door haar dochterondernemingen, terwijl die dochterondernemingen in werkelijkheid geen enkele bemoeienis met die transacties hadden gehad. De door Yukos Oil verschuldigde bedragen aan belasting, rente en boetes zijn in het naheffingsbesluit vastgesteld op in totaal ongeveer RUB 99,4 miljard. Deze beschikking is op 15 april 2004 aan Yukos Oil bekend gemaakt, met de mededeling dat betaling uiterlijk op
    16 april 2004 diende plaats te vinden.

  • -

    iv) Het naheffingsbesluit is in de verschillende daaropvolgende juridische procedures grotendeels in stand gebleven. Na het invorderbaar worden van het naheffingsbesluit heeft het Ministerie verschillende beslagen ten laste van Yukos Oil gelegd. Op 14 juli 2004 zijn ten laste van Yukos Oil aandelen OAO Yuganskneftegaz (hierna: YNG) inbeslaggenomen. Binnen het Yukos-concern werd YNG als een belangrijk productiebedrijf beschouwd.
    De onder Yukos Oil inbeslaggenomen aandelen YNG (bijna 80% van de uitstaande aandelen) zijn in het openbaar geveild op 19 december 2004.

  • -

    v) In 2004 heeft het Ministerie Yukos Oil belastingaanslagen (met rente en boetes) opgelegd over
    de jaren 2001, 2002 en 2003 van in totaal ongeveer
    RUB 483,9 miljard. De beroepen van Yukos Oil tegen deze aanslagen en tegen invorderingsmaatregelen zijn afgewezen.

Het faillissement van Yukos Oil

  • -

    vi) In 2005 heeft de Britse High Court of Justice Yukos Oil veroordeeld een bedrag te betalen aan een consortium van buitenlandse banken, vertegenwoordigd door de Franse bank Société Générale (hierna: het consortium). Het betrof de terugbetaling van een in het jaar 2003 verstrekte geldlening. In 2005 heeft het consortium zijn vordering op Yukos Oil overgedragen aan het Russische staatsbedrijf
    OAO Rosneft (hierna: Rosneft).

  • -

    vii) Mede op initiatief van Rosneft is een insolventieprocedure aangevangen. Het Ministerie heeft zich in de insolventieprocedure als schuldeiser aangemeld met een vordering van ongeveer RUB 353,8 miljard.

  • -

    viii) Yukos Oil is bij uitspraak van de Moskow City Arbitrazh Court van 1 augustus 2006 in staat van faillissement verklaard met benoeming van [betrokkene 5] tot curator.

  • -

    ix) Bij uitspraak van 12 november 2007 heeft de genoemde Arbitrazh Court de insolventieprocedure beëindigd. [betrokkene 5] heeft de beëindiging van het faillissement op 21 november 2007 doen inschrijven in een daartoe bestemd register. Met die inschrijving is Yukos Oil naar het recht van de Russische Federatie opgehouden te bestaan.

Yukos Finance en haar bestuurders

  • -

    x) Yukos Oil hield tijdens haar bestaan alle aandelen in Yukos Finance, een vennootschap naar Nederlands recht.

  • -

    xi) [verweerder 1] en [verweerder 2] traden vanaf medio november 2005 op als bestuurders van Yukos Finance.

  • -

    xii) Bij aandeelhoudersbesluit van 11 augustus 2006 heeft een Nederlandse advocaat, handelend in opdracht van [betrokkene 5] en daarmee als (beweerdelijk) vertegenwoordiger van de enig aandeelhoudster Yukos Oil, [verweerder 1] en [verweerder 2] met onmiddellijke ingang als bestuurders van Yukos Finance ontslagen.

  • -

    xiii) Namens Yukos Oil heeft [betrokkene 5] bij aandeelhoudersbesluiten van 14 en 30 augustus 2006 [betrokkene 6] en
    [betrokkene 7] benoemd tot bestuurders van Yukos Finance.

  • -

    xiv) [betrokkene 5] heeft vervolgens namens Yukos Oil bij aandeelhoudersbesluit van 10 september 2007 [betrokkene 1] en
    [betrokkene 2] tot bestuurders van Yukos Finance benoemd en bij aandeelhoudersbesluit van dezelfde datum aan [betrokkene 6] en [betrokkene 7] decharge verleend over hun bestuursperiode.

Promneftstroy als nieuwe aandeelhouder van Yukos Finance

( xv) [betrokkene 5] heeft de aandelen Yukos Finance op een door hem uitgeschreven, openbare veiling te Moskou verkocht aan Promneftstroy en geleverd bij akte van 10 september 2007, verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam.

De vorderingen over en weer

3.2.1

[verweerders] vorderen in deze procedure, voor zover in cassatie van belang en na vermeerdering van eis in hoger beroep, (a) een verklaring voor recht dat de hiervoor in 3.1 onder (xii)-(xiv) genoemde besluiten nietig zijn, (b) een verklaring voor recht dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen in Yukos Finance is geworden, (c) een bevel aan Promneftstroy medewerking te verlenen aan het ongedaan maken van (de gevolgen van) de door haar in Yukos Finance genomen aandeelhoudersbesluiten en (d) een verbod aan Promneftstroy enig recht uit te oefenen met betrekking tot die aandelen. De rechtbank heeft de vorderingen waarover zij had te oordelen, waaronder de hiervoor onder (a) vermelde, grotendeels toegewezen.

3.2.2

De oorspronkelijke partijen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zijn ieder afzonderlijk in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Na rolvoeging van beide procedures in hoger beroep zijn Promneftstroy c.s. in beide procedures tussengekomen. De oorspronkelijke partijen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] spelen in deze cassatieprocedure geen rol meer.

3.2.3

Promneftstroy c.s. vorderen in deze procedure vernietiging van het vonnis van de rechtbank en afwijzing van de vorderingen van [verweerders] en voorts verklaringen voor recht dat de hiervoor in 3.1 onder (xii) en (xiv) genoemde besluiten rechtsgeldig zijn geschied en dat de overdracht van de aandelen in Yukos Finance aan Promneftstroy rechtsgeldig is.

3.2.4

Bij arrest van 19 oktober 2010 heeft het hof de door Promneftstroy c.s. ingestelde vorderingen afgewezen en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen in Yukos Finance is geworden. Promneftstroy c.s. hebben beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld (zie hierna in 3.2.7).

Procedure bij het EHRM

3.2.5

Het EHRM heeft in de door Yukos Oil tegen de Russische Federatie gevoerde procedure bij arrest van 20 september 2011, nr. 14902/04, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD001490204, de klachten van Yukos Oil voor een deel gegrond verklaard en voor het overige afgewezen.

Het EHRM heeft over de gestelde schending van art. 6 EVMR in de fiscale procedures over het belastingjaar 2000 onder meer als volgt overwogen:

“536. The Court notes that it is common ground between the parties that during the first-instance proceedings the applicant company did not have access to the documents in the court file, other than the report of 29 December 2003, the decision of 14 April 2004 and their annexes, until 17 May 2004 when the Ministry invited the company’s lawyers to study the documents at its premises (…). It is also undisputed that the hearings in the case commenced on 21 May 2004, which is four working days later, and the evidence at issue amounted to at least 43,000 pages (…). It is also not in dispute that on a few occasions the applicant company requested to adjourn the hearings referring to, among other things, their wish to study the evidence in the case, and that these requests were turned down by the trial court as unfounded (…).

(…)

551. Having regard to the above, the Court finds that the applicant company’s trial did not comply with the procedural requirements of Article 6 of the Convention for the following reasons: the applicant company did not have sufficient time to study the case file at first instance, and the early beginning of the hearings by the appeal court unjustifiably restricted the company’s ability to present its case on appeal. The Court finds that the overall effect of these difficulties, taken as a whole, so restricted the rights of the defence that the principle of a fair trial, as set out in Article 6, was contravened. There has therefore been a violation of Article 6 § 1 of the Convention, taken in conjunction with Article 6 § 3 (b).”

Over de gestelde schendingen van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM heeft het EHRM onder meer als volgt overwogen:

“574. Overall, notwithstanding the State’s margin of appreciation in this sphere, the Court finds that there has been a violation of Article 1 of Protocol No. 1 on account of the change in interpretation of the rules on the statutory time-bar resulting from the Constitutional Court’s decision of 14 July 2005 and the effect of this decision on the outcome of the Tax Assessment 2000 proceedings.

575. Since the applicant company’s conviction under Article 122 of the Tax Code in the 2000 Tax Assessment proceedings laid the basis for finding the applicant company liable for a repeated offence with a 100% increase in the amount of the penalties due in the 2001 Tax Assessment proceedings, the Court also finds that the 2001 Tax Assessment in the part ordering the applicant company to pay the double fines was not in accordance with the law, as required by Article 1 of Protocol No. 1.

(…)

607. Overall, the Court finds that there has been a violation of Article 1 of Protocol No. 1 on account of the 2000-2001 Tax Assessments in the part relating to the imposition and calculation of penalties. Furthermore, the Court finds that there has been no violation of Article 1 of Protocol No. 1 as regards the rest of the 2000-2003 Tax Assessments.

(…)

616. The Court concludes that, in so far as the complaint about discriminatory treatment is concerned, there has been no violation of Article 14 of the Convention, taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1.

(…)

657. On the whole, given the pace of the enforcement proceedings, the obligation to pay the full enforcement fee and the authorities’ failure to take proper account of the consequences of their actions, the Court finds that the domestic authorities failed to strike a fair balance between the legitimate aims sought and the measures employed.

658. To sum up, the Court concludes that there has been a violation of the applicant company’s rights under Article 1 of Protocol No. 1 on account of the State’s failure to strike a fair balance between the aims sought and the measures employed in the enforcement proceedings against the applicant company.

(…)

666. To sum up, the Court finds that there has been no violation of Article 18 of the Convention, taken in conjunction with Article 1 of Protocol No. 1, on account of the alleged disguised expropriation of the company’s property and the alleged intentional destruction of the company itself.”

3.2.6

Bij arrest van 31 juli 2014, nr. 14902/04, ECLI:CE:ECHR:2014:0731JUD001490204, heeft het EHRM aan de voormalige aandeelhouders van Yukos Oil een vergoeding toegekend van ruim € 1,8 miljard.

Vervolg van de onderhavige procedure

3.2.7

In de hiervoor in 3.2.4 vermelde cassatieprocedure heeft de Hoge Raad in zijn hiervoor in 1 onder a vermelde arrest van 13 september 2013, in de zaken tussen Promneftstroy c.s. enerzijds en [verweerders] anderzijds, het arrest van het hof van 19 oktober 2010 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het hof teruggewezen.

3.2.8

Na verwijzing heeft het hof in zijn eindarrest, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat het Russische vonnis tot faillietverklaring van Yukos Oil niet voor erkenning in aanmerking komt wegens strijd met de Nederlandse openbare orde. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd voor zover dit nog aan zijn oordeel was onderworpen. De in hoger beroep jegens Promneftstroy c.s. gevorderde verklaring voor recht dat Promneftstroy geen rechthebbende op de aandelen in Yukos Finance is geworden, heeft het hof toegewezen. De overige jegens Promneftstroy c.s. ingestelde vorderingen en de vorderingen van Promneftstroy c.s. heeft het hof afgewezen. Het hof heeft aan deze oordelen in rov. 4.60-62 van het eindarrest bij wijze van conclusie onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

Conclusie - strijd met de openbare orde

4.60.1.

Niet elke (procedurele) gang van zaken in een ander land die in Nederland als niet rechtmatig en/of onredelijk wordt ervaren levert strijd met de openbare orde op. Tot op zekere hoogte moet er ruimte zijn voor een verschil in appreciatie van feiten door de autoriteiten, zeker in fiscale zaken, en voor een andere aanpak als het gaat om executie van vorderingen. Dat hoeft aan ‘erkenning’ van de aldus ontstane rechtstoestand niet in de weg te staan. Er zijn echter grenzen die niet overschreden kunnen worden zonder dat dat consequenties heeft voor de aan een buitenlandse rechterlijke beslissing toe te kennen rechtsgevolgen. Dat vloeit voort uit fundamentele rechtsbeginselen omtrent fair trial en de wijze waarop de fiscale autoriteiten zich (met het oog op vermogensrechtelijke belangen van belastingplichtigen) behoren te gedragen – elementen van de hiervoor bedoelde behoorlijke rechtspleging in ruime zin – die tot de kern van de Nederlandse rechtsorde behoren.

4.60.2.

Samengevat moet, gelet op het voorgaande, betreffende de wijze waarop de Russische autoriteiten met de belangen van Yukos Oil zijn omgegaan als volgt worden geconcludeerd.

Met het EHRM wordt aangenomen dat Yukos Oil door de wijze waarop zij de schijnvennootschappen inzette gefraudeerd heeft wat de winstbelasting betreft.

Wel zijn in de daarover gevoerde fiscale procedures in de Russische Federatie de door het EHRM vastgestelde tekortkomingen opgetreden, te weten het gebrek aan mogelijkheden een behoorlijke verdediging te voeren in het kader van de aanslag winstbelasting over 2000 (de komkommerkratjeskwestie) en de excessieve boetes (ten dele ondanks verjaring geïnd) en de bij de executie in rekening gebrachte fees. Daarnaast is in het voorgaande, met name op basis van feitenmateriaal dat kennelijk niet aan het EHRM is voorgelegd en/of waarover hij zich kennelijk geen oordeel heeft kunnen vormen, vastgesteld dat Yukos Oil is veroordeeld tot betaling van bedragen die de winstbelastingschuld ruim overstegen op grond van een interpretatie van de regels aangaande heffing van BTW die op gespannen voet stond met de heersende Russische jurisprudentie, terwijl op dat punt van fraude geen sprake was en Yukos Oil inmiddels verzoeken tot toepassing van het nultarief had ingediend. De zeer grote BTW-schuld die Yukos Oil moest betalen is nog verhoogd met boetes in verband met recidive en opzet. De daaromtrent gevoerde procedures voldeden op meerdere punten niet aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging.

4.60.3.

Voorts is, voortbordurend op de conclusie van het EHRM, vastgesteld dat de Russische autoriteiten met de veiling van YNG niet te goeder trouw hebben gestreefd naar het genereren van een maximale opbrengst ter delging van legitieme belastingschulden. Dat oordeel ziet enerzijds op de BTW-schuld met boetes, die geen legitieme schuld was en dus niet via de veiling geïnd had dienen te worden, en anderzijds op de wijze waarop de veiling zich heeft voltrokken.

4.60.4.

Dat alles heeft tot zeer grote betalingsproblemen bij Yukos Oil geleid, hetgeen voor de Russische autoriteiten voorzienbaar moet zijn geweest gelet op de hoogte van de bedragen (die in de vele miljarden liepen), die binnen korte tijd betaald moesten worden. De autoriteiten hebben op verzoeken van Yukos Oil om haar op enigerlei wijze tegemoet te komen, bijvoorbeeld door betaling in termijnen toe te staan, niet gereageerd.

4.60.5.

Yukos Oil is vervolgens, naar toen niet meer te voorkomen was, failliet gegaan, waarna haar belangrijkste vermogensbestanddelen op diverse manieren in handen van staatsbedrijven als Rosneft zijn gekomen. Na het faillissement is vervolgens aan Rosneft op belangrijke punten aanzienlijke coulance betracht, op een wijze die door of namens Yukos Oil eerder was verzocht zonder dat daarop gereageerd was (vermindering van de schulden, langere termijn voor terugbetaling). [De Hoge Raad verwijst in verband met deze rechtsoverweging naar 4.7.4 hierna]

4.60.6.

In rov. 4.17.2 is (…) overwogen “dat aan schendingen van Russische (belasting)rechtsregels enkel betekenis kan worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of het faillissementsvonnis inzake Yukos Oil niet erkend kan worden wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, indien deze regels door de Russische autoriteiten zijn geschonden met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken.” Op grond van hetgeen in rov. 4.60.2-4.60.5 is vermeld is de gevolgtrekking gewettigd dat niet alleen Russische (belasting)rechtsregels zijn geschonden, maar ook dat dit is geschied met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. De door de autoriteiten gekozen aanpak laat geen andere conclusie toe dan dat zij deze niet hebben gekozen om te komen tot de ordentelijke en legitieme heffing en inning van verschuldigde belastingen, maar om Yukos Oil in een situatie te brengen waarin zij haar schulden niet meer kon betalen en uiteindelijk zou failleren, zoals ook gebeurd is. Uit deze (…) omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat beoogd werd om (uiteindelijk) het faillissement van Yukos Oil uit te lokken.

4.60.7.

Daarmee is ‘erkenning’ van het op bovengenoemde wijze totstandgekomen faillissementsvonnis, in de zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, strijdig met de openbare orde, zowel wat het procedurele aspect (…) als wat het materiële aspect betreft (…).

4.61.

Nu [betrokkene 5] zijn bevoegdheid tot het ontslaan van [verweerder 2] en [verweerder 1] geheel ontleende aan de hoedanigheid van curator die hij op basis van dat faillissementsvonnis had, is de beslissing daartoe nietig, evenals de daarop volgende beslissing om [betrokkene 6] (tezamen met [betrokkene 7]) als bestuurder te benoemen. Achteraf bezien is [betrokkene 6] nooit bestuurder van Yukos Finance geweest en zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] dat steeds gebleven.

4.62.

Op grond van het voorgaande moet tevens worden aangenomen dat [betrokkene 5] nooit bevoegd is geweest om de aandelen in Yukos Finance te verkopen en te leveren aan Promneftstroy, zodat deze geen rechthebbende is geworden. Of zij te goeder trouw was of niet doet daarbij in die zin niet ter zake dat de bescherming die de wet biedt in art. 3:86 BW, dat als gevolg van de rechtskeuze voor Nederlands recht op de koopovereenkomst van toepassing is, niet geldt voor de koper van aandelen op naam als de onderhavige. Daarbij komt dat het Promneftstroy, er veronderstellenderwijs vanuit gaande dat zij te goeder trouw was in die zin dat zij niet onder één hoedje speelde met de Russische Federatie en/of Russische staatsbedrijven, niet ontgaan kan zijn dat de bevoegdheid van [betrokkene 5] in geschil was. Dat ervan uitgegaan kan worden dat zij zich daarvan bewust was, volgt uit de bijzondere bepalingen die zijn opgenomen in de akte van levering. Die bepalingen zien weliswaar specifiek op de problematiek rond de gelegde beslagen, doch daaruit blijkt tevens van voormeld dispuut. Bekend was voorts dat een EHRM-procedure liep, terwijl de betrokkenen bij Yukos Oil zich ook in de internationale pers uitvoerig over hun bezwaren tegen de gang van zaken hebben uitgelaten. De positie van Promneftstroy is daardoor die van een professionele, goed ingelichte koper die met open ogen een risico heeft genomen, welk risico zich heeft verwezenlijkt.”

4 Beoordeling van het middel

Erkenning van buitenlandse beslissingen

4.1.1

Inzet van deze procedure is of het Russische vonnis waarbij het faillissement van Yukos Oil is uitgesproken, in Nederland voor erkenning in aanmerking komt, en in het verlengde daarvan, of de rechtsgevolgen die het Russische faillissementsrecht aan het faillissement verbindt, waaronder de bevoegdheid van de in het faillissement benoemde curator tot het verrichten van rechtshandelingen, in Nederland kunnen worden ingeroepen.

4.1.2

Nederland is niet gebonden aan een internationale regeling op grond waarvan het tot erkenning van het Russische faillissementsvonnis is gehouden. Die erkenning wordt daarom beheerst door het commune internationaal privaatrecht. Zoals is beslist in HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank), rov. 3.6.4, dient tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging, (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en (iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

4.1.3

In deze procedure spelen alleen de hiervoor in 4.1.2 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden voor erkenning een rol. Deze voorwaarden beogen te voorkomen dat in de Nederlandse rechtsorde een buitenlandse rechterlijke beslissing tot gelding komt die naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, geldt niet het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling van de staat van herkomst, dat ten grondslag ligt aan internationale regelingen over erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen.

4.1.4

Bij de beoordeling of is voldaan aan de hiervoor in 4.1.2 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden gaat het niet erom of de buitenlandse beslissing juist is (er is geen plaats voor een révision au fond). Dit brengt mee dat ook een rechterlijke beslissing die binnen de Nederlandse rechtsorde als onjuist wordt aangemerkt, kan worden erkend. Zoals hiervoor in 4.1.3 is overwogen, is dat anders indien erkenning, gelet op de totstandkoming of inhoud van de desbetreffende beslissing, in strijd komt met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt. De rechter die bij de beoordeling of van zodanige strijd sprake is, de totstandkoming en de inhoud van de buitenlandse beslissing betrekt, verricht geen révision au fond.

Onderdeel 1: toepassing van de openbare-orde-exceptie

4.2

Onderdeel 1 van het middel richt vanuit verschillende invalshoeken klachten tegen de wijze waarop het hof
de openbare-orde-exceptie heeft toegepast (onder meer in de rov. 4.6, 4.10-4.11, 4.23, 4.50-4.51, 4.64-4.71 en 4.73 van het eindarrest).

In navolging van het middel worden hierna onder de openbare-orde-exceptie verstaan de hiervoor in 4.1.2 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden.

Niet-uitputting van rechtsmiddelen

4.3.1

Onderdeel 1.2 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat in Nederland ter zake van de faillietverklaring van Yukos Oil geen beroep kan worden gedaan op de openbare-orde-exceptie, omdat de beschikbare rechtsmiddelen in de Russische Federatie niet zijn uitgeput. Met een beroep op HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9154 en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1431, voert het onderdeel hiertoe aan dat een beschikbaar rechtsmiddel moet worden aangewend als de betrokkene daartoe in staat is, ook als het aanwenden van een rechtsmiddel vermoedelijk ineffectief, kansloos of zinloos is. De opvatting van de betrokkene over de slagingskansen van het rechtsmiddel is in dit verband niet van belang. Het onderdeel acht het oordeel van het hof in elk geval onbegrijpelijk.

4.3.2

Het hof heeft in het eindarrest, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, over het niet uitputten van de beschikbare rechtsmiddelen onder meer het volgende overwogen.

In de fase voor het faillissement zijn niet alle rechtsmiddelen uitgeput. Yukos Oil heeft tegen het faillissementsvonnis geen cassatie ingesteld. Ook haar aandeelhouders hebben dat niet gedaan. Dit was wel mogelijk geweest naar Russisch recht. Het is vaste rechtspraak dat van degene die meent dat hem het recht op een eerlijk proces is onthouden, geëist mag worden dat hij alle rechtsmiddelen aanwendt die hem ten dienste staan als deze geacht kunnen worden daadwerkelijk tot heroverweging te leiden en dus tot een effective remedy. (rov. 4.23.1)

Bij het EHRM is dit aspect aan de orde geweest in het kader van zijn oordeel over de fiscale procedure en de getroffen executie- en invorderingsmaatregelen. Het EHRM overwoog onder meer dat ‘it is clear to the Court that the applicant company used all the remedies that it could reasonably be expected to use in connection with this part of the application’ (nr. 641) en ‘the Court finds that the applicant company has complied with the requirement to exhaust domestic remedies in respect of this part of the application and dismisses the Government's preliminary objection accordingly’ (nr. 644). (rov. 4.23.2)

In rov. 3.5.3 van het arrest van 19 oktober 2010 heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 5] na het instellen van hoger beroep tegen het Russische faillissementsvonnis het mandaat van de destijds voor Yukos Oil optredende advocaten heeft ingetrokken. Het hoger beroep is daarna behandeld zonder dat Yukos Oil was verschenen. Bij deze stand van zaken heeft het hof aannemelijk geacht dat Yukos Oil geen reële mogelijkheid meer had om verdere rechtsmiddelen in te stellen om de faillissementsuitspraak te doen vernietigen. De mogelijkheid van de aandeelhouders om beroep in te stellen doet daaraan niet af. (rov. 4.23.3)

Dit ligt geheel in de lijn van de beoordelingswijze van het EHRM. Er bestaat geen aanleiding om daarover nu anders te beslissen. Weliswaar is niet eerder expliciet beslist over de mogelijkheid voor de aandeelhouders om in hoger beroep zelfstandig op te komen tegen het faillissementsvonnis, maar in welk opzicht dat wel een effective remedy zou zijn, ziet het hof niet in. Aangenomen dat er dan een beslissing genomen zou zijn nadat die aandeelhouders hun visie hadden kunnen geven, zou de faillissementsrechter bij zijn beslissing over de voorliggende vraag of Yukos Oil failliet verklaard diende te worden immers nog steeds gebonden zijn geweest aan de reeds door de fiscale rechters genomen en in kracht van gewijsde gegane beslissingen en de op grond daarvan vaststaande belastingschulden. Ook zouden de schuldeisers Yukos Oil nog steeds hebben willen laten failleren en geen gebruik hebben willen maken van de andere mogelijkheden die het Russische recht biedt (zoals de acceptatie van de voorstellen van het bestuur van Yukos Oil). Aan de omstandigheid dat de rechtsmiddelen niet volledig zijn uitgeput komt in deze bijzondere situatie dan ook geen relevante betekenis toe. (4.23.4)

4.3.3

Zoals hiervoor in 4.1.2 is overwogen, is Nederland niet gebonden aan een internationale regeling op grond waarvan het is gehouden een Russisch faillissementsvonnis en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen te erkennen. Een uit een verdrag of andere internationale regeling voortvloeiend beginsel van wederzijds vertrouwen in elkaars rechtsbedeling geldt in deze zaak dus niet (zie hiervoor in 4.1.3). Dat is een verschil met de zaken die ten grondslag lagen aan de hiervoor in 4.3.1 genoemde uitspraken van 5 april 2002 en 8 juli 2016. Onderdeel 1.2 beroept zich daarom tevergeefs op deze uitspraken. Een algemene regel dat een beschikbaar rechtsmiddel moet worden aangewend als de betrokkene daartoe in staat is, ook als het aanwenden daarvan vermoedelijk ineffectief, kansloos of zinloos zal zijn, kent het commune internationaal privaatrecht niet. Het hof heeft een dergelijke regel dan ook niet miskend.

4.3.4

Dat een algemene regel als hiervoor in 4.3.3 bedoeld, niet geldt naar commuun internationaal privaatrecht, neemt niet weg dat de rechter wel betekenis kan toekennen aan de omstandigheid dat beschikbare rechtsmiddelen in het land van herkomst niet zijn uitgeput. Die omstandigheid kan dan ook in de weg staan aan het oordeel dat voldaan is aan de hiervoor in 4.1.2 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden als weigeringsgronden voor de erkenning van een buitenlandse beslissing. Ook dit heeft het hof niet miskend. Het heeft in rov. 4.23.1 immers vooropgesteld dat van degene die meent dat hem het recht op een eerlijk proces is onthouden, geëist mag worden dat hij alle rechtsmiddelen aanwendt die hem ten dienste staan, als deze geacht kunnen worden daadwerkelijk tot heroverweging te leiden en dus sprake is van een effective remedy. Het oordeel dat Yukos Oil geen effective remedy meer ter beschikking stond, is niet onbegrijpelijk in het licht van de omstandigheden die het hof in zijn beoordeling heeft betrokken (zie hiervoor in 4.3.2).

4.3.5

Op grond van het voorgaande falen de hiervoor in 4.3.1 genoemde klachten van onderdeel 1.2.

‘Besmetting’ van het faillissementsvonnis

4.4.1

Onderdeel 1.3 klaagt dat het hof in zijn eindarrest niet is ingegaan op de stelling van Promneftstroy c.s. dat de eerdere fiscale en civiele procedures de faillietverklaring niet kunnen besmetten. Het hof heeft daarmee miskend dat eventuele gebreken in deze procedures, die zijn gevoerd en onherroepelijk zijn voltooid voordat het faillissementsvonnis werd uitgesproken, niet in de weg mogen staan aan de rechtsgeldigheid of erkenning in Nederland van een (onherroepelijk) faillissementsvonnis. Eerdere buitenlandse rechterlijke uitspraken vormen een rechtens verbindend fait accompli, ongeacht of zij hebben bijgedragen aan het faillissement, aldus het onderdeel.

4.4.2

Het hof heeft in het eindarrest, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, over het faillissementsvonnis, over de verhouding daarvan tot de fiscale en civiele procedures en over de gevolgen van die verhouding voor de erkenning van het faillissementsvonnis, onder meer het volgende overwogen.

Dat de Russische rechter het faillissement heeft uitgesproken, wijst als zodanig niet op een schending van de regels van een goede procesorde en louter op zichzelf beschouwd ook niet op enig oneigenlijk oogmerk. (rov. 4.50)

Bij de beantwoording van de vraag of het faillissementsvonnis inzake Yukos Oil niet erkend kan worden wegens strijd met de Nederlandse openbare orde, kan aan schendingen van Russische (belasting)rechtsregels alleen betekenis worden toegekend, indien deze regels door de Russische autoriteiten zijn geschonden met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. Vereist is dat deze schendingen ook daadwerkelijk een beslissende rol hebben gespeeld bij de insolventie en de faillietverklaring van Yukos Oil. (rov. 4.17.2)

Op grond van hetgeen in rov. 4.60.2-4.60.5 van het eindarrest (hiervoor in 3.2.8 geciteerd) is vermeld, is de gevolgtrekking gewettigd dat niet alleen Russische (belasting)rechtsregels zijn geschonden, maar ook dat dit is geschied met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. (rov. 4.60.6; hiervoor in 3.2.8 geciteerd)

4.4.3

Het hof heeft in rov. 4.60.1 van het eindarrest terecht overwogen dat niet elke (procedurele) gang van zaken in een ander land die in Nederland als niet-rechtmatig of onredelijk wordt ervaren, strijd oplevert met de openbare orde. Eveneens terecht overweegt het hof dat er grenzen zijn die niet overschreden kunnen worden zonder dat dit consequenties heeft voor de aan een buitenlandse rechterlijke beslissing te verbinden rechtsgevolgen. Daarmee doelt het hof op de grenzen die besloten liggen in de hiervoor in 4.1.2 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden, die beogen te voorkomen dat in de Nederlandse rechtsorde een buitenlandse rechterlijke beslissing tot gelding komt die naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt. (Zie hiervoor in 4.1.3.)

Het hof behoefde zich bij de toetsing aan deze voorwaarden niet te beperken tot het oordeel dat het uitspreken van het faillissement door de Russische rechter als zodanig niet op een schending van de regels van een goede procesorde wees en louter op zichzelf beschouwd ook niet op enig oneigenlijk oogmerk. Het mocht het faillissementsvonnis bij die toetsing in verband brengen met schendingen van Russische (belasting)rechtsregels in procedures die aan dat faillissementsvonnis vooraf gingen en die het kennelijke oogmerk hadden om het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. Dat de eerdere rechterlijke uitspraken in de Russische Federatie gezag van gewijsde hadden verkregen, staat daaraan niet in de weg.
(Vgl. HvJEU 28 maart 2000, C-7/98, ECLI:EU:C:2000:164 (Krombach/Bamberski), nr. 45 en HR 20 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AD7909, waaruit volgt dat de rechter die zich moet buigen over de erkenning van een buitenlands vonnis, in zijn oordeel ook omstandigheden mag betrekken die verband houden met een andere procedure die aan dat vonnis vooraf is gegaan.)

Zou over het voorgaande anders worden geoordeeld, dan zou in de Nederlandse rechtsorde rechtsgevolg worden verbonden aan een faillissement dat tot stand is gekomen met schending (in daaraan voorafgaande procedures) van beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt. Dat zou zich niet verdragen met de hiervoor in 4.1.2 onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden voor erkenning.

4.4.4

Uit het voorgaande volgt dat het hof acht mocht slaan op schendingen van Russische (belasting)rechtsregels in procedures die aan het faillissementsvonnis vooraf gingen. De daartegen gerichte rechtsklacht faalt dus. De klacht dat het hof in zijn eindarrest niet is ingegaan op de stelling van Promneftstroy c.s. dat de eerdere fiscale en civiele procedures de faillietverklaring niet kunnen besmetten, mist feitelijke grondslag en kan om die reden niet tot cassatie leiden.

Voldongen feit en zwakke werking van de openbare-orde-exceptie?

4.5.1

Onderdeel 1.4 klaagt dat het hof niet is ingegaan op het betoog van Promneftstroy c.s. dat ook indien aan het buitenlandse faillissementsvonnis vanuit het oogpunt van een behoorlijke rechtspleging gebreken zouden kleven, de aard van de faillietverklaring en het karakter van de openbare-orde-exceptie als uiterste middel, meebrengen dat de reeds aan het faillissementsvonnis gegeven uitvoering in Nederland erkend moet worden. Elders verkregen rechten of vastgestelde rechtsverhoudingen dienen zoveel mogelijk als voldongen rechtsfeiten geëerbiedigd te worden.

Onderdeel 1.5 voegt aan het voorgaande toe dat het hof aan de openbare-orde-exceptie in dit geval een verzwakte werking had moeten toekennen. Het onderdeel betoogt dat ook als er bij een erkenning behoevend buitenlands vonnis sprake is van min of meer ernstige tekortkomingen in de rechtspleging, slechts reden is om de doorwerking van dat vonnis in de Nederlandse rechtssfeer tegen te houden als anders de Nederlandse rechtsorde daardoor op voldoende directe, concrete en ernstige wijze wordt getroffen. Die verzwakte werking vloeit in dit geval voort uit de volgende omstandigheden: dat de verkoop en de overdracht van aandelen in Yukos Finance (i) onvoldoende raakvlak met Nederland hebben en (ii) als voldongen feiten moeten worden geëerbiedigd, (iii) dat het hof een onzorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en (iv) dat de niet-erkenning van het Russische faillissementsvonnis onaanvaardbare gevolgen heeft. Onderdeel 1.5 bevat ook motiveringsklachten.

4.5.2

Het hof heeft in het eindarrest, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, over de uitvoering van het faillissement als voldongen feit en over de openbare-orde-exceptie, het volgende overwogen.

Niet elke (procedurele) gang van zaken in een ander land die in Nederland als niet-rechtmatig of onredelijk wordt ervaren, levert strijd op met de openbare orde. Er zijn echter grenzen die niet overschreden kunnen worden zonder dat dit consequenties heeft voor de aan een buitenlandse rechterlijke beslissing toe te kennen rechtsgevolgen. Dat vloeit voort uit fundamentele rechtsbeginselen omtrent fair trial en de wijze waarop de fiscale autoriteiten zich (met het oog op vermogensrechtelijke belangen van belastingplichtigen) behoren te gedragen die tot de kern van de Nederlandse rechtsorde behoren. (rov. 4.60.1, hiervoor in 3.2.8 geciteerd)

Op grond van hetgeen in rov. 4.60.2-4.60.5 is vermeld, is de gevolgtrekking gewettigd dat niet alleen Russische (belasting)rechtsregels zijn geschonden, maar ook dat dit is geschied met het kennelijke oogmerk om betalingsonmacht en, uiteindelijk, het faillissement van Yukos Oil uit te lokken. De door de autoriteiten gevolgde aanpak laat geen andere conclusie toe dan dat zij deze hebben gekozen om Yukos Oil in een situatie te brengen waarin zij haar schulden niet meer kon betalen en uiteindelijk zou failleren, zoals ook gebeurd is, en niet om te komen tot een ordentelijke en legitieme heffing en inning van verschuldigde belastingen. Daarmee is erkenning van het op bovengenoemde wijze tot stand gekomen faillissementsvonnis, in de zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, strijdig met de openbare orde, zowel wat het procedurele aspect als wat het materiële aspect betreft. (rov. 4.60.6 en 4.60.7, hiervoor in 3.2.8 geciteerd)

Er is geen sprake van argumenten die ertoe zouden kunnen leiden dat het faillissementsvonnis, waarvan de erkenning in strijd is met de openbare orde, toch erkend zou moeten worden. De fundamentele aard van de openbare-orde-toets staat eraan in de weg dat aan een vonnis dat die toets niet doorstaat, toch rechtsgevolgen worden toegekend op de grond dat het onthouden daarvan tot problemen aanleiding geeft van praktische en juridische aard. (rov. 4.68)

Promneftstroy c.s hebben zich beroepen op de leer dat faits accomplis gerespecteerd worden. De verplichting tot het terugdraaien van feitelijke en juridische beslissingen en handelingen kan zozeer in strijd zijn met de rechtszekerheid en het bij derden bestaande vertrouwen dat zij in de omstandigheden van het specifieke geval niet aanvaardbaar is. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval echter niet gebleken. (rov. 4.69-4.70)

4.5.3

Voor zover onderdeel 1.4 klaagt dat het hof niet is ingegaan op het hiervoor in 4.5.1, eerste alinea, weergegeven betoog van Promneftstroy c.s., mist het feitelijke grondslag. Het hof is in de hiervoor in 4.5.2 weergegeven overwegingen immers op dit betoog ingegaan.

Voor zover de onderdelen 1.4 en 1.5 betogen dat het hof heeft miskend dat de openbare-orde-exceptie een uiterste middel is, falen zij. Het hof overweegt in de hiervoor in 4.5.2 weergegeven rov. 4.60.1 immers dat niet elke (procedurele) gang van zaken in een ander land die in Nederland als niet-rechtmatig of onredelijk wordt ervaren, strijd oplevert met de openbare orde, maar dat er grenzen zijn die niet overschreden kunnen worden zonder dat dit consequenties heeft voor de aan een buitenlandse beslissing toe te kennen rechtsgevolgen. Daaruit blijkt dat het hof bij de beoordeling van de openbare-orde-exceptie de juiste maatstaf heeft toegepast.

Voor zover onderdeel 1.5 betoogt dat het hof aan de openbare-orde-exceptie een verzwakte werking had moeten toekennen, faalt het eveneens. In rov. 4.60.7 heeft het hof geoordeeld dat erkenning van het faillissementsvonnis, in de zin dat daaraan in Nederland rechtsgevolgen worden toegekend, strijdig is met de openbare orde, zowel wat het procedurele aspect als wat het materiële aspect betreft. In de aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen ligt besloten dat het daarbij gaat om strijd met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt en dat daarmee de grenzen zijn overschreden waarbinnen nog rechtsgevolg kan worden verbonden aan het faillissementsvonnis. Het hof heeft in rov. 4.68 overwogen dat dit oordeel meebrengt dat rechtshandelingen die ter uitvoering van dat vonnis of op basis van dat vonnis in Nederland zijn verricht, zonder meer ongeldig zijn, ongeacht de gevolgen daarvan. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Een andere opvatting zou meebrengen dat aan het Russische faillissementsvonnis in Nederland alsnog rechtsgevolg zou worden toegekend. (Vgl. HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015, rov. 3.4.4.)

Onderdeel 2: het oogmerk van de Russische autoriteiten

4.6

Onderdeel 2 richt verschillende klachten tegen het oordeel van het hof over het oogmerk van de Russische autoriteiten om de betalingsonmacht en uiteindelijk het faillissement van Yukos Oil uit te lokken (onder meer rov. 5.4.2 van het tussenarrest en rov. 4.20, 4.28-4.30, 4.35-4.38, 4.42-4.60 van het eindarrest).

Verwarring veilingen 2004 en 2007

4.7.1

Onderdeel 2.3.3 klaagt onder meer dat het hof de veiling van aandelen in YNG in 2004 (zie hiervoor in 3.1 onder (iv)) heeft verward met de veiling van aandelen in Yukos Finance in 2007 (zie hiervoor in 3.1 onder (xv)). Het onderdeel is gericht tegen de oordelen van het hof waaruit die verwarring zou blijken, te weten (i) dat de veiling van aandelen in YNG in opdracht van [betrokkene 5] begeleid werd door het Russische Federale Vermogensfonds (hierna: RFV) (rov. 4.44.2 van het eindarrest), (ii) dat de waarde van YNG op verzoek van [betrokkene 5] werd getaxeerd door Dresdner Kleinworth Wasserstein (hierna: Dresdner) (rov. 4.44.6 van het eindarrest), (iii) dat [verweerders] hebben gesteld dat [betrokkene 5] steekpenningen heeft aangenomen bij de veiling van YNG (rov. 4.48 van het eindarrest), (iv) dat YNG na het faillissement van Yukos Oil in handen is gekomen van Rosneft en dat na het faillissement door de Russische autoriteiten in verband met haar verkrijging van YNG coulance is betracht jegens Rosneft (rov. 4.53-4.54 en rov. 4.60.5 van het eindarrest).

4.7.2

Onderdeel 2.3.3 klaagt terecht dat het hof in de rov. 4.44.2, 4.44.6, 4.48, 4.53-54 en 4.60.5 de gebeurtenissen rond de veiling van aandelen in YNG in 2004 in sommige opzichten heeft verward met de gebeurtenissen die in 2007 zijn gevolgd op het faillissement van Yukos Oil. Hierna zal blijken dat die verwarring berust op vergissingen van ondergeschikte aard die niet dragend zijn voor het oordeel van het hof dat het faillissementsvonnis niet kan worden erkend.

4.7.3

Bij de beoordeling van de gang van zaken rond de veiling van YNG heeft het hof in rov. 4.44.2 overwogen dat enerzijds sprake is geweest van een normale veiling, in de zin dat die – naar de uiterlijke verschijningsvorm beschouwd – overeenkwam met hetgeen in Nederland bij executieveilingen gebruikelijk is. Het hof heeft hieraan onder meer ten grondslag gelegd dat de veiling door het RFV werd begeleid. Daarbij is niet van belang of [betrokkene 5] de opdracht aan het RFV heeft gegeven. Het gaat erom dat het RFV een voor dit soort veilingen aangewezen organisatie was, die daartoe bevoegd was volgens de geldende wetgeving. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 4.44.2 doet daarom niet af dat de opdracht aan RFV om de veiling van YNG te begeleiden, niet door [betrokkene 5] is gegeven.

Voor het oordeel van het hof in rov. 4.44.6 dat de openingsprijs voor de veiling te laag was – omdat zij niet volgens de geldende Russische wetgeving gesteld was op de marktwaarde –, is voorts niet van belang op wiens verzoek Dresdner een rapport heeft uitgebracht waarin de waarde van YNG werd getaxeerd. Het gaat immers erom dat de waarde van YNG in het rapport van Dresdner werd getaxeerd op een bedrag tussen US$ 18,6 en US$ 21,5 miljard en in een waardering door JP Morgan op een bedrag tussen US$ 19 en US$ 25 miljard en dat daardoor de marktwaarde van circa 80% van de aandelen in ieder geval op minimaal US$ 12,88 miljard lag. Op grond daarvan is het hof tot de conclusie gekomen dat is afgeweken van de Russische wetgeving door de openingsprijs op US$ 8,8 miljard te stellen. Anders dan de klacht betoogt, berust dit oordeel van het hof niet op de omstandigheid dat het rapport op verzoek van [betrokkene 5] is uitgebracht.

Ook de klacht dat het hof, door in rov. 4.48 te oordelen dat niet relevant was of [betrokkene 5] steekpenningen heeft aangenomen, ervan is uitgegaan dat [betrokkene 5] bij de veiling van de aandelen in YNG in 2004 was betrokken, kan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit deze overweging volgt immers al dat het oordeel van het hof dat de Russische autoriteiten met de veiling van de aandelen in YNG niet te goeder trouw hebben gestreefd naar het verkrijgen van de hoogst mogelijke opbrengst ter delging van de openstaande belastingschulden, niet ervan afhing of [betrokkene 5] steekpenningen had aangenomen.

4.7.4

In de rov. 4.53, 4.54 en 4.60.5 heeft het hof zich vergist in de volgorde van de gebeurtenissen rond de veiling van YNG in 2004 en de faillietverklaring van Yukos Oil in 2006. Het hof heeft in rov. 4.53 overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of de gang van zaken rond de faillissementsprocedure de conclusie wettigt dat sprake was van een oneigenlijk oogmerk, ook betrokken dient te worden wat er na het faillissement is gebeurd. Uit rov. 4.54 blijkt dat het hof hiermee heeft gedoeld op de omstandigheid dat de vermogensbestanddelen van Yukos Oil op verschillende manieren vrijwel alle in handen van Russische staatsbedrijven, met name Rosneft, zijn gekomen en dat de Russische fiscus vervolgens op verzoek van Rosneft een groot deel van de belastingschulden heeft kwijtgescholden. Rosneft is als gevolg daarvan van een bescheiden onderneming uitgegroeid tot een grote en belangrijke oliemaatschappij. Het hof gaat bij vergissing ervan uit dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden na het faillissement van Yukos Oil in 2006. Het heeft dit herhaald in rov. 4.60.5.

De hiertegen gerichte klacht, die op zich zelf terecht is voorgesteld, kan niet tot cassatie leiden op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.147 en 3.148. Deze komen erop neer dat ook deze vergissing van ondergeschikt belang is en niet dragend voor het oordeel van het hof dat de Russische autoriteiten met de veiling van de aandelen in YNG niet te goeder trouw hebben gestreefd naar het verkrijgen van de hoogst mogelijke opbrengst ter delging van de openstaande belastingschulden. Voor dat oordeel doet immers niet ter zake of de gebeurtenissen rond de veiling van de aandelen in YNG voor of na het faillissement van Yukos Oil hebben plaatsgevonden.

Het partijdeskundigenrapport van Osterwald

4.8.1

Onderdeel 2.3.4 klaagt onder meer dat het hof in rov. 4.44.5 van het eindarrest ten onrechte heeft overwogen dat Promneftstroy c.s. geen concreet bezwaar hebben aangevoerd tegen het door [verweerders] in het geding gebrachte partijdeskundigenrapport van [betrokkene 9]. Dit oordeel is onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel klaagt verder dat het oordeel van het hof dat het rapport van Osterwald erop wijst dat de gevolgde procedure sterk afwijkt van hetgeen (ook) in de Russische Federatie gebruikelijk was, rechtens onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het oordeel is ook onvoldoende gemotiveerd omdat niet kenbaar is ingegaan op de stelling van Promneftstroy c.s. dat Osterwald de gang van zaken heeft getoetst aan criteria die zijn opgesteld door het Institute of Chartered Accountants of England and Wales (ICAEW) voor vrijwillige veilingen in onder meer Engeland en Wales, en niet voor executieverkopen in de Russische Federatie.

4.8.2

Het hof heeft overwogen dat het door [verweerders] in het geding gebrachte (partij)deskundigenrapport van Osterwald “evenzeer” erop wijst dat de gevolgde procedure sterk afwijkt van hetgeen in de Russische Federatie en wereldwijd gebruikelijk is en was. Dit geldt in het bijzonder voor het deel van het rapport over best practices. Tegen dat deel hebben Promneftstroy c.s. geen concreet bezwaar aangevoerd. (rov. 4.44.5)

4.8.3

De verwijzing in rov. 4.44.5 naar het rapport van Osterwald volgt op de vaststellingen in rov. 4.44.1-4.44.4, die erop neerkomen dat de gevolgde veilingprocedure sterk afweek van hetgeen gebruikelijk was in de Russische Federatie. Deze vaststellingen kunnen die conclusie van het hof zelfstandig dragen. Zoals blijkt uit het gebruik van het woord ‘evenzeer’ in rov. 4.44.5 heeft het hof in het rapport van Osterwald slechts bevestiging van die conclusie gevonden. In zoverre is die verwijzing ten overvloede gegeven. Onderdeel 2.3.4 kan daarom bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

4.8.4

Overigens is niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat het bezwaar van Promneftstroy c.s., te weten dat de criteria van het ICAEW zijn opgesteld voor vrijwillige veilingen in onder meer Engeland en Wales en niet voor executieverkopen in de Russische Federatie, niet concreet genoeg was. Inhoudelijke kritiek van Promneftstroy c.s. op de opvatting van Osterwald dat de gevolgde procedure bij de veiling van YNG sterk afwijkt van hetgeen wereldwijd verwacht kan worden bij een dergelijke veiling, zoals omschreven in het deel aangaande best practices onder II.A tot en met II.H, ontbreekt immers. In het bijzonder hebben Promneftstroy c.s. niet geduid welke van de genoemde best practices in het onderhavige geval niet zouden gelden. Uit rov. 4.43 blijkt dat het hof daarbij niet heeft miskend dat de veiling van YNG een executieveiling was.

Overige klachten

4.9

De klachten van de onderdelen 1 en 2 die hiervoor niet zijn besproken en de overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De incidentele beroepen

4.10

Het incidentele beroep van [verweerder 1] en Yukos Finance en het incidentele beroep van [verweerder 2], die beide zijn ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep slaagt, behoeven gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt Promneftstroy c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] en Yukos Finance begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Promneftstroy c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan, en aan de zijde van [verweerder 2] begroot op € 395,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 18 januari 2019.