Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:506

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
18/01146
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:5862, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:178, Gevolgd
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Effectenleaseovereenkomst vernietigd wegens ontbreken toestemming echtgenote (art. 1:88 en 1:89 BW). Terugvordering betaalde bedragen. Ingangstijdstip wettelijke rente. Art. 6:205 BW; zijn de betalingen door Dexia te kwader trouw ontvangen? Vereisten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/848
RvdW 2019/460
RF 2019/48
JONDR 2019/669
RCR 2019/55
NTHR 2019, afl. 4, p. 188
NJ 2019/212 met annotatie van T.F.E. Tjong Tjin Tai
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 april 2019

Eerste Kamer

18/01146

TT/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

t e g e n

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. N.E. Groeneveld-Tijssens

en mr. A.C. van Schaick.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Dexia en [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak 4899210\CV EXPL 16-2691 van de kantonrechter te Roermond van 11 mei 2016;

b. het arrest in de zaak 200.195.442/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 december 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Dexia beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Dexia mede door mr. A.C.W.K. Tan.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

De advocaten van [verweerder] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [verweerder] en (de rechtsvoorgangster van) Dexia hebben in 2001 een effectenleaseovereenkomst gesloten, aangeduid als ‘Allround Effect Vooruitbetaling 15 jaar’. De totale leasesom bedroeg ƒ 198.000,70 (€ 89.848,80).

  • -

    ii) Deze overeenkomst is niet mede ondertekend door de echtgenote van [verweerder] . Zij heeft bij brief van 5 augustus 2005 aan Dexia gemeld dat zij geen toestemming heeft verleend voor het aangaan van de overeenkomst en dat zij deze vernietigt op grond van de art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW in verbinding met art. 1:89 BW.

  • -

    iii) Dexia heeft de overeenkomst met [verweerder] vanwege betalingsachterstand beëindigd en [verweerder] een eindafrekening per 12 december 2006 toegezonden, die uitkomt op een aan hem toekomend saldo van € 4.039,83.

  • -

    iv) [verweerder] heeft in 2007 een ‘opt-out verklaring’ als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW ingediend. Daarmee heeft hij te kennen gegeven dat hij niet gebonden wenst te zijn aan de Duisenberg-regeling.

  • -

    v) Bij brief van 3 februari 2016 heeft [verweerder] Dexia gesommeerd binnen veertien dagen de door [verweerder] aan Dexia betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente en € 500,-- aan buitengerechtelijke kosten, te voldoen. Dexia heeft hieraan geen gehoor gegeven.

3.2

In deze procedure vordert [verweerder] onder meer betaling door Dexia van de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. Wat betreft de veroordeling van Dexia tot betaling van de wettelijke rente, is deze toegewezen telkens vanaf de dag van de door [verweerder] gedane betalingen.

3.3

Voor zover in cassatie van belang, heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Met betrekking tot de wettelijke rente heeft het hof als volgt overwogen:

“4.12 De kantonrechter heeft de wettelijke rente over de terug te betalen bedragen toegewezen telkens vanaf de dag van de door [verweerder] gedane betalingen tot aan de dag van algehele voldoening. Volgens Dexia gaat het bij de verplichting tot terugbetaling om een vordering uit onverschuldigde betaling. Omdat zij ten tijde van de betalingen niet te kwader trouw was, geldt volgens Dexia de dag van betaling niet als ingangsdatum voor de wettelijke rente. Een andere concrete ingangsdatum is door [verweerder] niet gesteld zodat zij geen wettelijke rente verschuldigd is, aldus Dexia. [verweerder] betwist een en ander. Volgens hem was Dexia door een intern memorandum al in 2001 ervan op de hoogte dat artikel 1:88 BW van toepassing was, zodat artikel 6:205 BW van toepassing is en de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag van de onverschuldigde betaling.

4.13

Naar het oordeel van het hof kan Dexia niet staande houden dat zij er ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst niet van op de hoogte was dat artikel 1:88 BW van toepassing was. De overeenkomst die in deze procedure aan de orde is, biedt immers met zoveel woorden plaats voor medeondertekening van de echtgeno(o)te van de lessee (in dit geval: [verweerder] ). Medeondertekening heeft niet plaatsgevonden hoewel dit wel was vereist.
De omstandigheid dat Dexia op dit punt geruime tijd een andersluidend standpunt heeft ingenomen, toen de vorderingen op grond van vernietiging op de voet van artikel 1:88 BW haar in groten getale bereikten, doet hier niet aan af. Artikel 6:205 BW houdt in dat de ontvanger van een onverschuldigde betaling zonder ingebrekestelling in verzuim is wanneer hij deze te kwader trouw heeft aangenomen. Dat is hier het geval, zodat de wettelijke rente door Dexia verschuldigd is zoals gevorderd en toegewezen. (…)”

3.4

Het middel is gericht tegen de hiervoor in 3.3 weergegeven overwegingen van het hof. Volgens het middel heeft het hof miskend dat van kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW pas sprake is indien Dexia bij ontvangst van de betaling wist of vermoedde dat deze niet verschuldigd was. Het gaat daarbij om louter subjectieve kennis die moet worden getoetst naar het moment van ontvangst van de betaling. Bij een betaling op grond van een overeenkomst die vernietigbaar is, kan de vereiste subjectieve kennis volgens het middel nooit bestaan voordat de overeenkomst is vernietigd. Tot dat moment is de overeenkomst immers geldig. Dit wordt niet anders doordat de ontvanger rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat de overeenkomst later kan worden vernietigd en dat vernietiging terugwerkende kracht heeft, aldus het middel.

Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel volgens het middel onbegrijpelijk. Uit de overweging, kort gezegd, dat Dexia wist of vermoedde dat art. 1:88 BW van toepassing was, volgt niet dat Dexia bij ontvangst van de betalingen wist of vermoedde dat de echtgenote van [verweerder] de overeenkomst zou gaan vernietigen op de voet van art. 1:89 BW, waardoor die betalingen achteraf bezien niet verschuldigd waren. Dexia heeft voor het hof aangevoerd dat zij ten tijde van de ontvangst van de betalingen niet wist of vermoedde dat [verweerder] getrouwd was en dat de overeenkomst bij beëindiging verlieslatend zou zijn. Het hof heeft deze essentiële stellingen ongemotiveerd gepasseerd en dus zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, zo stelt het middel.

3.5.1

De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.

3.5.2

Wanneer een overeenkomst als de onderhavige op de voet van art. 1:88 BW in verbinding met art. 1:89 BW wordt vernietigd, brengt de terugwerkende kracht van de vernietiging mee dat op Dexia de verplichting rust om de bedragen die zij op grond van de vernietigde overeenkomst en dus achteraf bezien zonder rechtsgrond heeft ontvangen, weer aan de belegger terug te betalen (art. 6:203 lid 2 BW). Indien Dexia in verzuim is met de nakoming van deze ongedaanmakingsverbintenis, is zij wettelijke rente over de desbetreffende bedragen verschuldigd. Volgens de hoofdregel van art. 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij schriftelijke aanmaning waarbij aan hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Het verzuim kan ook op andere wijze intreden, onder omstandigheden ook door het uitbrengen van een dagvaarding waarin terugbetaling van de betaalde bedragen wordt gevorderd (zie HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012, rov. 3.5.3 en 3.5.4).

3.5.3

Op grond van art. 6:205 BW is de ontvanger van een onverschuldigde betaling zonder ingebrekestelling in verzuim indien hij de betaling te kwader trouw heeft ontvangen. Voor kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW is vereist dat de ontvanger wist of vermoedde dat de betaling niet verschuldigd was (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 812). De vraag of sprake is van kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW dient dus te worden beantwoord aan de hand van de subjectieve kennis van de ontvanger ten tijde van de ontvangst van de betaling. Voor kwade trouw is derhalve onvoldoende dat de ontvanger (objectief) behoorde te weten dat de betaling niet verschuldigd was. Ook onvoldoende is dat de ontvanger (subjectief) twijfelt over de verschuldigdheid van de betaling.

3.5.4

De stelplicht en bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van art. 6:205 BW rusten in beginsel op degene die het onverschuldigd betaalde terugvordert, in dit geval dus op de belegger die zich beroept op vernietiging van de overeenkomst op de voet van de art. 1:88 BW en 1:89 BW (art. 150 Rv).

3.6.1

Het oordeel van het hof dat Dexia de betalingen te kwader trouw heeft ontvangen, berust daarop dat Dexia ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst ervan op de hoogte was dat art. 1:88 BW van toepassing was, waartoe het hof redengevend heeft geacht dat de overeenkomst plaats biedt voor medeondertekening van de echtgeno(o)t(e) van de lessee, en dat deze medeondertekening niet heeft plaatsgevonden, hoewel dit wel was vereist.

De hiertegen gerichte klachten van het middel slagen. Indien het hof van oordeel was dat voor kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW voldoende is dat (a) Dexia ervan op de hoogte was dat art. 1:88 BW op dit soort overeenkomsten van toepassing is en dat (b) in dit geval een handtekening van de echtgeno(o)t(e) ontbreekt, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Uit deze omstandigheden volgt immers niet dat Dexia wist of vermoedde dat de door [verweerder] gedane betalingen onverschuldigd waren. Voor dat laatste is tevens vereist dat Dexia ten tijde van de ontvangst van de betalingen wist of vermoedde dat de echtgenote van [verweerder] de overeenkomst zou vernietigen. Daartoe is niet alleen nodig dat Dexia wist of vermoedde dat [verweerder] gehuwd was, maar ook dat Dexia wist of vermoedde dat vernietiging van de overeenkomst door de echtgenote van [verweerder] zou worden ingeroepen.

Indien het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Over de wetenschap van Dexia ten aanzien van de huwelijkse staat van [verweerder] en ten aanzien van de (kans op) vernietiging van de overeenkomst, heeft het hof immers niets vastgesteld. In dit verband verdient opmerking dat het middel onder meer erop wijst dat Dexia voor het hof heeft aangevoerd niet te hebben geweten dat [verweerder] gehuwd was.

3.6.2

Bij het bovenstaande verdient opmerking dat het middel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting waar het betoogt dat de subjectieve kennis die is vereist voor kwade trouw in de zin van art. 6:205 BW, nooit kan bestaan voordat de overeenkomst is vernietigd. De omstandigheden waaronder een overeenkomst is aangegaan kunnen de kans op vernietiging zodanig groot maken dat subjectieve kennis van onverschuldigdheid van daaruit voortvloeiende betalingen kan worden aangenomen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9.2 en 3.9.3). Dit is niet anders bij een overeenkomst die vatbaar is voor vernietiging op grond van de art. 1:88 BW en 1:89 BW.

3.7

[verweerder] heeft nog betoogd dat Dexia geen belang heeft bij haar cassatieberoep, aangezien [verweerder] voor het hof heeft gesteld dat uit art. 6:206 BW in verbinding met art. 3:121 lid 1 BW volgt dat Dexia de burgerlijke vruchten over de door [verweerder] aan haar betaalde bedragen moet vergoeden en dat het voor de hand ligt om daarbij aan te sluiten bij de hoogte van de wettelijke rente. Volgens [verweerder] moet na verwijzing zijn subsidiaire beroep op art. 6:206 BW worden gehonoreerd, omdat als vaststaand moet worden aangenomen dat is voldaan aan de vereisten van die bepaling, waartoe ook behoort dat Dexia de betalingen niet te goeder trouw heeft ontvangen.

Het beroep van [verweerder] op het ontbreken van belang faalt reeds op grond van het volgende. De regelingen van de art. 6:205 BW en 6:206 BW dienen onderling verschillende doeleinden en hebben ieder een eigen beoordelingskader. Beide regelingen komen dan ook in voorkomend geval naast elkaar voor toepassing in aanmerking. Bij de ‘opeisbaar geworden burgerlijke vruchten’ als bedoeld in (art. 6:206 BW in verbinding met) art. 3:121 lid 1 BW gaat het om feitelijke voordelen die zijn genoten door de ontvanger van een onverschuldigd verrichte prestatie. Er is geen grond om de feitelijk genoten voordelen ter zake van onverschuldigd ontvangen betalingen te bepalen op de wettelijke rente als bedoeld in (art. 6:205 BW in verbinding met) art. 6:119 BW, die een forfaitair karakter draagt. Die wettelijke rente ziet immers op iets anders dan op feitelijk genoten voordelen, te weten op schade die een schuldeiser lijdt doordat zijn schuldenaar in verzuim is met de betaling van een geldschuld.

Na verwijzing zal zo nodig het beroep van [verweerder] op art. 6:206 BW alsnog moeten worden beoordeeld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dexia begroot op € 956,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 5 april 2019.