Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:49

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
18/02742
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Medeplegen invoer cocaïne, art. 2.A Opiumwet. Aangevoerd wordt dat Hof aanvrager zou hebben vrijgesproken indien Hof bekend zou zijn geweest met bij aanvraag gevoegde verklaring van medeverdachte, inhoudende dat aanvrager geen enkele betrokkenheid had bij bewezenverklaard feit maar dat aanvrager zich bezighield met verkoop van loten en kaarten voor feesten, hetgeen wordt bevestigd door verklaringen van afnemers. Met bij aanvraag overgelegde verklaringen beoogt aanvrager zijn voor Hof geschetst alternatief scenario nader te onderbouwen, in die zin dat voor bewijs gebruikte (OVC-)gesprekken betrekking hadden op een feest dat verdachte organiseerde dan wel op verkoop van loten en kaarten voor feesten. Hof heeft dat verweer verworpen op de grond dat gesprekken niet anders kunnen worden begrepen dan dat zij betrekking hebben op invoer van ongeveer 16.017 gram cocaïne op 28 mei 2012 op luchthaven Schiphol. Overgelegde verklaringen doen niet ernstig vermoeden rijzen dat 's Hofs oordeel dienaangaande onjuist is en wekken derhalve niet een ernstig vermoeden a.b.i. art. 457.1.c Sv. Afwijzing aanvraag. Vervolg op 15/05366 (niet gepubliceerd, art. 80a RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/173
SR-Updates.nl 2019-0141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2019

Strafkamer

nr. S 18/02742 H

CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 juni 2015, nummer 23/005278-13, ingediend door J-H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Noord-Holland van 14 november 2013 - de aanvrager ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren.

2 De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Beoordeling van de aanvraag

3.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling (hierna: novum).

3.2.1.

Ten laste van de aanvrager heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 28 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 16.017 gram van een materiaal bevattende cocaïne."

3.2.2.

Het Hof heeft omtrent de bewezenverklaring - voor zover voor de beoordeling van de aanvraag van belang - het volgende overwogen:

"Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair aan hem ten laste gelegde wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft daartoe, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De verdenking jegens de verdachte wordt gebaseerd op elf tapgesprekken, twee OVC-gesprekken en enkele sms-berichten. De verdachte betwist niet dat hij de gebruiker was van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] , zodat de daarmee gevoerde telefoongesprekken en de sms-berichten aan hem kunnen worden toegeschreven. Ook betwist hij de door het observatieteam waargenomen ontmoeting met [betrokkene 1] op 28 mei 2012 om 10.08 uur niet. De verdachte ontkent echter te horen te zijn in het zogenoemde broekzakgesprek, de OVC-gesprekken en de gesprekken gevoerd met een ander telefoonnummer. Naar de mening van de verdediging kan ook niet vastgesteld worden dat het de verdachte is geweest die in deze gesprekken te horen is. (...) Voor de inhoud van die gesprekken en ontmoetingen heeft de verdachte immers een voldoende aannemelijke alternatieve verklaring gegeven: deze gesprekken en ontmoetingen hadden te maken met de verkoop van straatloten en entreekaarten voor evenementen. De verdachte dient dan ook van het primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

(...)

Overwegingen en oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de verdachte deelnemer is aan de OVC-gesprekken van 13 mei 2012 en 28 mei 2012 alsmede het broekzakgesprek op 28 mei 2012 en zal - voor zover relevant - de inhoud daarvan voor het bewijs bezigen.

(...)

Het hof is van oordeel dat de (...) gesprekken niet anders begrepen kunnen worden dan dat zij feitelijk betrekking hebben op de invoer van ongeveer 16.017 gram cocaïne op 29 mei 2012 op de luchthaven Schiphol. Het standpunt van de verdediging dat deze gesprekken, voor zover is erkend dat daaraan door de verdachte is deelgenomen, op - kort gezegd - (het organiseren van) een feest dan wel (illegale) loten betrekking hebben, is niet nader onderbouwd en overigens niet aannemelijk geworden, zodat het aldus geschetste alternatieve scenario terzijde geschoven wordt.

(...)

Uit het bovenstaande leidt het hof af dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] en andere personen heeft schuldig gemaakt aan deinvoer van cocaïne op 28 mei 2012. De verdachte stond in contact met [betrokkene 1], die als bagagemedewerker op Schiphol de cocaïne moest onderscheppen, en andere personen aan de kant van de verzenders van de cocaïne vanuit Ecuador. Hij laat het [betrokkene 1] weten wanneer 'zij' klaar zijn en spreekt af met [betrokkene 1] dat hij deze mannen onder druk zal zetten om het ticket te kopen. De verdachte regelde met [betrokkene 1] aan de hand van zijn rooster en de beschikbare vluchten op welke dagen de cocaïne ingevoerd kon worden. Toen alles rond was, liet hij dit weten aan [betrokkene 1] en gaf hij de benodigde informatie met betrekking tot de vlucht, de koffer en de passagier door aan [betrokkene 1] om de cocaïne te kunnen onderscheppen. Als blijkt dat het fout is gegaan, laat [betrokkene 1] dit weten aan de verdachte en spreken zij af elkaar te ontmoeten. De verdachte maakt zich druk om wat hij tegen de anderen moet zeggen. (...)

Het hof acht op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van ongeveer 16.017 gram cocaïne in Nederland op 28 mei 2012. Het hof schuift gelet op het hiervoor overwogene de alternatieve verklaring van de verdediging als onaannemelijk terzijde. De verweren van de raadsvrouw worden mitsdien verworpen."

3.3.

In de aanvraag wordt als novum aangevoerd dat [betrokkene 1] blijkens zijn bij de aanvraag gevoegde verklaring onder meer heeft verklaard dat de aanvrager geen enkele betrokkenheid heeft bij het bewezenverklaarde feit, dat hij nimmer met de aanvrager heeft gesproken over de handel in verdovende middelen en dat de aanvrager hem ten tijde van de observatie loten verkocht. De stelling dat de aanvrager zich in mei 2012 heeft bezig gehouden met de verkoop van loten en kaarten voor feesten, wordt - aldus de aanvraag - bevestigd door een dertiental verklaringen van afnemers van producten die de aanvrager had aangeboden. Volgens de aanvrager had dit, indien het Hof daarmee bekend was geweest, geleid tot vrijspraak.

3.4.

Met de bij de aanvraag overgelegde verklaringen beoogt de aanvrager zijn voor het Hof geschetste alternatieve scenario nader te onderbouwen, in die zin dat de onder 3.2.2 genoemde gesprekken betrekking hadden op een feest dat de verdachte organiseerde dan wel op de verkoop van loten en kaarten voor feesten. Het Hof heeft dat verweer verworpen op de grond dat de gesprekken niet anders kunnen worden begrepen dan dat zij betrekking hebben op de invoer van ongeveer 16.017 gram cocaïne op 28 mei 2012 op de luchthaven Schiphol.

De overgelegde verklaringen doen niet het ernstig vermoeden rijzen dat 's Hofs oordeel dienaangaande onjuist is en wekken derhalve niet een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

3.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2019.