Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:487

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
17/05677
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:6
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op vordering van klaagster (Amerikaans factoringsbedrijf) t.b.v. telecombedrijf A (verdacht van witwassen) van bijna $ 22 miljoen USD op Engels telecombedrijf B. OM-cassatie. Hoogst onwaarschijnlijk dat strafrechter vordering verbeurd zal verklaren? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf of belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave en summier karakter van onderzoek in raadkamer. Rb heeft klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen dat voorwerpen (waaronder ook vorderingen worden verstaan) a.b.i. art. 33a.1 Sr, die niet aan veroordeelde toebehoren, alleen verbeurdverklaard kunnen worden indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging d.m.v. strafbaar feit of met gebruik of bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden en dat o.g.v. het dossier zoals dat voorligt, niet gezegd kan worden dat daarvan in dit geval sprake is. Daartoe heeft Rb overwogen dat klaagster heeft uitgelegd hoe de in de ogen van OM verdacht geachte omstandigheden t.a.v. haar bedrijfsvoering moeten worden geduid en aldus de bedenkingen van OM op dit punt afdoende kunnen ontkrachten, alsmede dat het dossier verder onvoldoende aanknopingspunten bevat dat, v.zv. sprake is van witwassen door A, klaagster daar wetenschap van had of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de praktijk van A niet door de beugel kon. Hiermee heeft Rb miskend dat het onderzoek in raadkamer summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in mogelijke uitkomst van nog te voeren procedure in hoofd- of ontnemingszaak. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 17/02082 B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/859
RvdW 2019/483
NBSTRAF 2019/126
SR-Updates.nl 2019-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/05677 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 10 november 2017, nummer RK 17/2909, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , gevestigd te [plaats] .

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klaagster, J.T.C. Leliveld, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

Namens de klaagster heeft R.J.F. ten Ham, advocaat te Amsterdam, daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat geen sprake is van een situatie waarin het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vordering zal verbeurd verklaren.

2.2.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een beslag als bedoeld in art. 94 Sv op een vordering van klaagster op [A] . De Rechtbank heeft het beklag gegrond verklaard, gelast dat het beslag op de vordering van de klaagster op [A] wordt opgeheven en heeft daartoe het volgende overwogen:

"3. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie van 22 mei 2017 houdt het volgende in. Naar aanleiding van een aangifte van [A] is de verdenking ontstaan dat [B] en haar eigenaar [betrokkene 1] zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen ex artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Sinds september 2016 termineert [B] telefoonverkeer dat vanuit het bedrijf [C] , via [A] UK en [A] naar [B] wordt doorgezet. [C] betaalt aan [A] middels een prepaidaccount voorafgaande aan het passeren van het verkeer. [B] maakt voor het ontvangen van de betaling van [A] gebruik van klaagster, het Amerikaanse factoringbedrijf, [klaagster] . Eind december 2016 constateert [A] UK dat sinds de start van het termineren van het telefoonverkeer de omvang van het telefoonverkeer enorm is toegenomen, waarna dit verkeer nader is onderzocht. Door [A] wordt geconstateerd dat een groot gedeelte van het telefoonverkeer 'artificial calls' betreft, met gesprekken van zeer korte duur, een onverklaarbaar belpatroon en waarbij voor een deel gebruik wordt gemaakt van 'spoofed' (niet bestaande of niet uitgegeven) nummers. Tevens betrof het telefoonverkeer naar 'dure' landen, met name in Afrika, waardoor in een zeer korte termijn voor hele hoge bedragen werd gebeld en gefactureerd. Voor de laatste termijnen heeft [B] facturen gestuurd aan [A] ter hoogte van bijna $ 22.000.000, te betalen op een Amerikaanse bankrekening van [klaagster] .

[klaagster] stelt dat zij namens [B] aan de opvolgende (Nederlandse) dienstverleners heeft betaald. Tot op heden heeft [klaagster] het Openbaar Ministerie van stukken voorzien dat zij in september 2016 en februari 2017 bedragen hebben betaald op een Amerikaanse bankrekening die op naam staat van een Amerikaans bedrijf genaamd [D] LLC. De verdenking is dat op grote schaal telefoonverkeer/data is gegenereerd zonder dat daadwerkelijk werd gebeld, met het enkele doel een aanzienlijke geldstroom op gang te brengen, waarvan zowel de herkomst als de uiteindelijke bestemming onbekend is. Het Openbaar Ministerie heeft gelet op deze verdenking klassiek beslag ex artikel 94 Sv gelegd op de vordering van [B] op [A] alsmede op de vordering van [klaagster] op [A] , zowel ter waarheidsvinding alsmede ter verbeurdverklaring. Beide beslagen betreft dezelfde vordering, namelijk tot betaling van het door [B] gefactureerde bedrag van bijna $ 22.000.000. Het onderzoek in deze zaak is recent gestart en nog in volle gang.

In de aanvullende schriftelijke reactie van 29 augustus 2017 staat onder meer het volgende.

Verder inzoomend op klaagster blijkt dat

- de adressen waarop klaagster gevestigd zou zijn, beide een appartementencomplex betreffen, die er ogenschijnlijk niet uitzien als een bedrijfsgebouw waar een grote onderneming is gevestigd;

- de managing partner van klaagster, [E] , op zijn [...]-account, weinig info verschaft (geen foto, geen verdere contactgegevens) en geen melding maakt van zijn miljardenbedrijf;

- [klaagster] niet beschikt over een eigen website waarop (potentiële) klanten informatie kunnen vinden, dan wel in contact kunnen komen met [E] ;

- uit de verklaring van [betrokkene 2] (bestuurder van [F] ) bovendien blijkt dat klaagster de dollarrekening van [F] zal gaan beheren zodat [F] zaken kan doen met contractspartijen, die niet met factoringmaatschappijen willen worden geconfronteerd. [betrokkene 2] verklaarde: "Samengevat komt het er op neer dat [klaagster] mijn dollaraccount gebruikt om te funden";

- [betrokkene 2] tevens heeft verklaard dat hij met [betrokkene 3] een bilaterale overeenkomst heeft, [klaagster] hem betaalt op zijn rekening bij het betaalplatform [G] (in Amerika) en dat hij vanaf [G] [betrokkene 3] betaalt. Zijn facturen aan [betrokkene 3] worden door [betrokkene 3] weer betaald op zijn account van het [H] platform in Dubai.

Ook het bedrijf [D] (en dochterbedrijf [G] ), waarvan [klaagster] gebruik maakt voor betalingen, is maar zeer beperkt zichtbaar op internet aanwezig. Bovendien geeft [D] aan te bestaan sinds 2007, maar is zij pas in mei 2014 opgericht. Ten slotte merkt het Openbaar Ministerie op dat klaagster en [D] dezelfde agent in Delaware hebben ( [J] , Inc).

De Officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag in verband met de waarheidsvinding en omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot de conclusie komt dat klaagster bekend was met de verkrijging door middel van witwassen of het gebruik of de bestemming in verband daarmee, althans dat klaagster dit redelijkerwijs had kunnen vermoeden.

(...)

5. Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 24 april 2017 is onder [A] beslag gelegd op de vordering. Het betreft beslag ten laste van [B] die ervan wordt verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan witwassen (artikel 420bis Sr).

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

In een geval waarin het belang van strafvordering het voortduren van een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag niet meer vordert en waarin een derde op de voet van artikel 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend strekkende tot teruggave, dient de rechter te beoordelen of de klager die stelt rechthebbende te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

Hoewel het onderzoek nog niet is afgerond en daargelaten de vraag of het mogelijk is in verband met de waarheidsvinding beslag op een vordering te leggen, is de rechtbank van oordeel dat het onderzoeksbelang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. De rechtbank vermag niet in te zien dat het nodig is een vordering in beslag te nemen om daar onderzoek naar te kunnen doen.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de vordering zal uitspreken.

Niet ter discussie staat dat klaagster als rechthebbende op de vordering kan worden aangemerkt.

Voorwerpen (waaronder ook vorderingen worden verstaan) als bedoeld in het eerste lid van artikel 33a Sr, die niet aan de veroordeelde toebehoren, kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren, bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden (artikel 33a, tweede lid Sr). Met andere woorden, verbeurdverklaring kan alleen plaatsvinden als de klaagster - kort gezegd - te kwader trouw was.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier zoals dat thans voorligt niet gezegd kan worden dat dit laatste bij klaagster het geval is. Klaagster heeft in rubriek 2 van haar pleidooi uitgelegd hoe de in de ogen van het Openbaar Ministerie verdacht geachte omstandigheden ten aanzien van haar bedrijfsvoering moeten worden geduid en aldus de bedenkingen van het Openbaar Ministerie op dit punt afdoende kunnen ontkrachten.

Het dossier bevat verder onvoldoende aanknopingspunten dat, voor zover sprake is van witwassen door [B] , klaagster daar wetenschap van had of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de praktijk van [B] niet door de beugel kon. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vordering zal verbeurd verklaren.

Bij het ontbreken van strafvorderlijk belang dient het beslag te worden opgeheven."

2.3.

Bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94 Sv dient de rechter te beoordelen a. of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.

Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van zo een klaagschrift draagt een summier karakter. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823).

2.4.

De Rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe (kort gezegd) overwogen dat voorwerpen (waaronder ook vorderingen worden verstaan) als bedoeld in het eerste lid van artikel 33a Sr, die niet aan de veroordeelde toebehoren, alleen verbeurdverklaard kunnen worden indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden en dat op grond van het dossier zoals dat voorligt, niet gezegd kan worden dat daarvan in dit geval sprake is. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat de klaagster heeft uitgelegd hoe de in de ogen van het Openbaar Ministerie verdacht geachte omstandigheden ten aanzien van haar bedrijfsvoering moeten worden geduid en aldus de bedenkingen van het Openbaar Ministerie op dit punt afdoende kunnen ontkrachten, alsmede dat het dossier verder onvoldoende aanknopingspunten bevat dat, voor zover sprake is van witwassen door [B] , de klaagster daar wetenschap van had of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de praktijk van [B] niet door de beugel kon.

Hiermee heeft de Rechtbank miskend dat - zoals onder 2.3 is vooropgesteld - het onderzoek in raadkamer een summier en voorlopig karakter draagt en dat zij niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofd- of ontnemingszaak.

2.5.

Het middel klaagt daarover terecht.

3 Beoordeling van het eerste middel

Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2019.