Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:468

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
17/01065
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:317
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:2162, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Brandstichting te Teteringen, met gemeen gevaar voor goederen, art. 157.1 Sr. Bewijsklacht. HR: art. 80a, met schriftelijk standpunt AG. Samenhang tussen 17/01243 en 17/01065.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/471
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 april 2019

Strafkamer

nr. S 17/01065

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 februari 2017, nummer 20/002358-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureu-rGeneraal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2019.