Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:467

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
18/01396
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:127, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:606, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Toerekening van kennis van functionaris aan rechtspersoon. Was functionaris vertegenwoordigingsbevoegd? Toerekening kennis aan vertegenwoordigde (art. 3:66 lid 2 BW). Vraag of kennis van functionaris in het maatschappelijke verkeer heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/776
RvdW 2019/461
NJ 2019/157
JOR 2019/97 met annotatie van mr. B.M. Katan
AA20190482 met annotatie van Bartman S.M. Steef
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2019

Eerste Kamer

18/01396

TT/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de Stichting] , voorheen [B] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. A.C. van Schaick en

mr. N.E. Groeneveld-Tijssens,

t e g e n

[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Stichting en [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak C/16/381504/HL ZA 14-330 van de rechtbank Midden-Nederland van 19 augustus 2015;

b. de arresten in de zaak 200.176.930/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2017 en 16 januari 2018.

Het arrest van het hof van 16 januari 2018 is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 16 januari 2018 heeft de Stichting beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van de Stichting hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [verweerster] is een adviesbureau dat zich bezighoudt met werkzaamheden op het gebied van accountancy en fiscale advisering. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) is directeur en enig aandeelhouder. De feitelijke werkzaamheden worden verricht door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ).

(ii) De Stichting is op 24 maart 2011 opgericht door [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en [betrokkene 2] . De Stichting stelt zich ten doel het beleven, onderhouden en bevorderen van de cultuur, de religie en de traditie van Hindoes. Zij tracht dit doel onder meer te bereiken door het realiseren en in stand houden van een Hindoestaanse tempel (hierna: de mandir).

(iii) Het bestuur van de Stichting werd aanvankelijk gevormd door [betrokkene 3] , voorzitter, [betrokkene 2] , penningmeester en [betrokkene 4] , secretaris. [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) is sedert de oprichting als commissaris aan de Stichting verbonden. De Stichting kreeg de naam ‘ [B] ’.

(iv) Op de website van de Stichting zijn de volgende mededelingen gedaan:

koopovereenkomst getekend

Op 4 juni 2010 heeft de stichting met trots de koopovereenkomst getekend van de grond waarop de mandir gebouwd zal worden.

notariële levering van de grond waar de Mandir op gebouwd zal worden

Op 9 december 2011 is de grond notarieel overgedragen. De bouwhekken zijn onlangs geplaatst waarna op zeer korte termijn gestart zal worden met het graven van de bouwput.

( v) Op een flyer van de Stichting staat onder meer:

[B] is in 2011 opgericht en heeft als primair doel het behartigen en bevorderen van religieuze, culturele belangen en van het welzijn van de belijders van het hindoeïsme in Almere en omgeving. Daarnaast heeft de stichting mede als doel het doen realiseren van een traditioneel Mandir gebouw in Almere. Met dit laatste doel heeft de stichting reeds een aanvang gemaakt door grond te kopen aan de Evenaar te Almere-Buiten om daar de Mandir te doen bouwen. (…)

(vi) Op 3 november 2011 heeft de Stichting het voor de bouw van de mandir gereserveerde perceel van de gemeente Almere gekocht. De grond is op 9 december 2011 geleverd aan [betrokkene 5] in privé.

(vii) [verweerster] heeft de volgende bedragen – onder vermelding van de hieronder weergegeven omschrijvingen – overgemaakt naar de bankrekening van Stichting (in totaal € 26.365,--):

5 juni 2012 € 1.000,00 Donatie twee stuks heipalen ten behoeve van bouw mandir 036

3 juli 2012 € 765,00 Donatie benefietavond 23062012 tbv bouw Shri Vishnu Mandir

30 nov 2012 € 3.500 Gift t.b.v. bouw Mandir

28 jan 2013 € 1.000,00 donatie

4 maart 2013 € 100,00 Donatie 2013

17 april 2013 € 18.000,00 Donatie cf afspraak

3 mei 2013 € 2.000,00 Donatie

(viii) In een e-mailbericht van 17 maart 2014 schreef [betrokkene 2] namens [verweerster] aan de secretaris van de Stichting:

Graag voor mijn bedrijf de volgende facturen opmaken

Reclame kosten 2012 € 3.500,-

Reclame kosten 2013 € 20.000,-

Bedragen zijn al reeds voldaan door mijn bedrijf.

(ix) [betrokkene 2] en [betrokkene 5] – neef en oom – zijn gebrouilleerd geraakt. [betrokkene 2] is in maart 2014 afgetreden als penningmeester van de Stichting.

3.2.1

In dit geding vordert [verweerster] , voor zover in cassatie van belang, veroordeling van de Stichting tot terugbetaling van de hiervoor in 3.1 onder (vii) genoemde bedragen. [verweerster] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij deze schenkingen niet zou hebben gedaan als zij geweten had dat de grond waarop de mandir zou worden gebouwd, niet door de Stichting, maar door [betrokkene 5] in eigendom was verkregen. [verweerster] heeft de schenkingsovereenkomst vernietigd met een beroep op dwaling.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering alsnog toegewezen. Het heeft geoordeeld dat ten aanzien van elk van de hiervoor in 3.1 onder (vii) vermelde bedragen sprake is geweest van schenking (rov. 4.7 en 4.8). Met betrekking tot het verweer van de Stichting dat het beroep op dwaling faalt omdat [betrokkene 2] als penningmeester van de Stichting op de hoogte was van het feit dat niet de Stichting, maar [betrokkene 5] de grond had gekocht waarop de mandir werd gebouwd heeft het hof het volgende overwogen:

“4.18 [verweerster] heeft weersproken dat [betrokkene 2] op de hoogte was van het feit dat niet de Stichting maar [betrokkene 5] eigenaar van de grond was, zodat dat vooralsnog niet is komen vast te staan. Maar wanneer er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat [betrokkene 2] over deze kennis beschikte, geldt het volgende.

4.19

Voor de vraag of wetenschap van [betrokkene 2] aan [verweerster] moet worden toegerekend, komt het erop aan of deze wetenschap in het maatschappelijk verkeer als wetenschap van [verweerster] heeft te gelden, waarbij met inachtneming van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de Stichting het ervoor mocht houden dat [verweerster] op de hoogte was van het feit dat niet zij, maar [betrokkene 5] eigenaar was van de grond en derhalve ook eigenaar zou worden van de daarop te bouwen mandir. (Vergelijk Hoge Raad 11 maart 2005 ECLI:NL:HR:2005:AR7344 en Hoge Raad 11 mei 1990 ECLI:NL:HR:1990:AC2014).

4.20

Het hof neem de volgende omstandigheden in aanmerking.

[betrokkene 2] was, naar de Stichting stelt, in zijn hoedanigheid van penningmeester van de Stichting op de hoogte geraakt van het feit dat de Stichting onjuiste informatie had verstrekt en dat niet zij, maar [betrokkene 5] eigenaar was van de grond.

[betrokkene 2] was als zzp-er voor [verweerster] werkzaam. [betrokkene 2] verrichtte de feitelijke werkzaamheden voor [verweerster] en trad als zodanig als contactpersoon naar buiten.

Gesteld noch gebleken is evenwel dat [betrokkene 2] over enige bevoegdheid beschikte om de vennootschap te vertegenwoordigen.

Die bevoegdheid berustte uitsluitend bij [betrokkene 1] . Hij heeft verklaard dat [betrokkene 2] hem, voordat de schenkingen door [verweerster] werden gedaan, nimmer op de hoogte heeft gesteld van het feit dat niet de Stichting maar [betrokkene 5] eigenaar van de grond was.

De Stichting heeft ook niet gesteld noch te bewijzen aangeboden dat [betrokkene 2] zijn kennis met [betrokkene 1] heeft gedeeld. Evenmin heeft zij gesteld dat [betrokkene 1] deze wetenschap uit andere hoofde had.

Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat de wetenschap van [betrokkene 2] in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van [verweerster] . De Stichting heeft het er niet voor mogen houden dat [verweerster] de schenkingen aan haar deed in de wetenschap dat niet de Stichting eigenaresse was van de grond maar [betrokkene 5] .

4.21

Het hof passeert het bewijsaanbod dat de Stichting heeft gedaan als niet ter zake dienend, nu dat enkel ziet op de omstandigheid dat [betrokkene 2] de feitelijke werkzaamheden voor [ [verweerster] ] verrichtte en als zodanig als contactpersoon naar buiten trad. Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt, geeft die enkele omstandigheid in de gegeven situatie geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de kennis die [betrokkene 2] (mogelijk) als penningmeester van de Stichting had, is toe te rekenen aan [verweerster] .

4.22

[verweerster] heeft derhalve gedwaald als gevolg van een onjuiste inlichting van de Stichting. (…) Het hof acht het aannemelijk dat [verweerster] de donaties bij een juiste voorstelling van zaken niet aan de Stichting zou hebben gedaan. Uit de omstandigheid dat zij de donaties heeft overgemaakt naar de bankrekening van de Stichting blijkt genoegzaam dat zij de intentie had de Stichting te bevoordelen. Doordat de donaties werden aangewend voor de bouw van de mandir op de grond van [betrokkene 5] , kwamen deze echter niet ten goede van de Stichting maar van [betrokkene 5] .”

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel betoogt onder meer dat een wettelijke grondslag voor toerekening van kennis van [betrokkene 2] aan [verweerster] is gelegen in art. 3:66 lid 2 BW en klaagt in dat verband dat het oordeel van het hof in rov. 4.20 onbegrijpelijk is omdat de Stichting een beroep heeft gedaan op de schijn van bevoegdheid van [betrokkene 2] om [verweerster] te vertegenwoordigen en het hof de daarop gerichte stellingen van de Stichting niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken. Het onderdeel verwijst daarbij naar de volgende stellingen van de Stichting:

(i) De vermelding van de functie van managing partner en het persoonlijke e-mailadres van [betrokkene 2] bij [verweerster] impliceren dat [betrokkene 2] als vertegenwoordiger van [verweerster] kan worden aangemerkt en dat de wetenschap waarover [betrokkene 2] beschikt aan [verweerster] moet worden toegerekend (memorie van antwoord onder 2.43).

(ii) Het komt voor risico van [verweerster] dat [betrokkene 2] zich als vertegenwoordiger van [verweerster] kon voordoen. In dat verband heeft de Stichting gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 (ING/Bera). [verweerster] had er maar voor moeten zorgen dat [betrokkene 2] zich niet als vertegenwoordiger van [verweerster] kon voordoen. (memorie van antwoord onder 2.63-2.65)

Daarnaast wijst het onderdeel op het door de rechtbank onbestreden als vaststaand aangenomen feit dat [betrokkene 2] de e-mail van 17 maart 2014 “namens” [verweerster] aan de Stichting heeft geschreven en dat [betrokkene 2] in die e- mail vraagt om facturen voor “mijn bedrijf” en schrijft dat de bedragen waarvoor de facturen moeten worden afgegeven door “mijn bedrijf” zijn voldaan. Volgens het onderdeel had het hof ook dit vaststaande feit in zijn beoordeling moeten betrekken.

3.3.2

Deze klacht is gegrond. De hiervoor in 3.3.1 weergegeven stellingen komen erop neer dat [betrokkene 2] heeft gehandeld als vertegenwoordiger van [verweerster] en dat de Stichting in de gegeven omstandigheden heeft mogen vertrouwen op zijn bevoegdheid daartoe (art. 3:61 lid 2 BW). Deze stellingen kunnen, indien juist, meebrengen dat bij de beoordeling van het beroep op dwaling de kennis van [betrokkene 2] op grond van art. 3:66 lid 2 BW aan [verweerster] moet worden toegerekend. Met de overweging dat niet is gebleken dat [betrokkene 2] over enige bevoegdheid beschikte om [verweerster] te vertegenwoordigen heeft het hof dan ook onvoldoende op deze stellingen gerespondeerd.

3.4.1

Onderdeel 2 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de kennis van [betrokkene 2] in het maatschappelijke verkeer niet als kennis van [verweerster] heeft te gelden en daarom niet aan [verweerster] kan worden toegerekend getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende gemotiveerd is. Dat oordeel is volgens het onderdeel niet, althans niet zonder nadere motivering, verenigbaar met een aantal in het onderdeel vermelde, door de Stichting ingeroepen omstandigheden.

3.4.2

Het onderdeel is gegrond. De Stichting heeft in de feitelijke instanties onder meer aangevoerd

- dat [betrokkene 2] zwager [betrokkene 1] statutair directeur en enig aandeelhouder van [verweerster] is om de overtreding van een relatiebeding door [betrokkene 2] te maskeren;

- dat [betrokkene 2] bij [verweerster] de feitelijke gang van zaken bepaalt en [verweerster] als zijn eigen bedrijf beschouwt;

- dat [betrokkene 1] zelf ondeskundig is op het terrein waarop [verweerster] zich beweegt;

- dat alleen [betrokkene 2] [verweerster] draaiende houdt;

- dat [betrokkene 2] zich in zijn correspondentie namens [verweerster] als managing partner presenteerde;

- dat [betrokkene 2] in een e-mail van 23 mei 2014 heeft bericht: “ [verweerster] wordt [C] . Per 1 juni 2014 gaan wij verder onder de naam [C] ”;

- dat [betrokkene 2] thans in zijn hoedanigheid van belastingadviseur een eenmanszaak drijft onder de naam [C] en dat [verweerster] en
[C] beide zijn gevestigd op het woonadres van [betrokkene 2] .

Deze stellingen van de Stichting kunnen rechtvaardigen dat de wetenschap van [betrokkene 2] dat niet de Stichting maar [betrokkene 5] eigenaar was van de grond waarop de mandir zou worden gebouwd, in het maatschappelijke verkeer heeft te gelden als wetenschap van [verweerster] . Het hof had deze stellingen derhalve in zijn motivering moeten betrekken.

3.5.1

Onderdeel 3 klaagt onder meer dat het hof op ontoereikende gronden is voorbijgegaan aan het door de Stichting gedane bewijsaanbod. De Stichting heeft aangeboden te bewijzen (memorie van antwoord, sub 2.48-51) dat [betrokkene 2] de feitelijke werkzaamheden voor [verweerster] verrichtte en als zodanig als contactpersoon naar buiten trad; voorts heeft de Stichting onder meer aangeboden te bewijzen dat zij heeft mogen vertrouwen op vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 2] (memorie van antwoord, sub 2.63-68), aldus het onderdeel.

3.5.2

In het voetspoor van de onderdelen 1 en 2 slaagt ook deze klacht. Nu het bewijsaanbod zag op feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat de Stichting erop heeft mogen vertrouwen dat [betrokkene 2] bevoegd was [verweerster] te vertegenwoordigen dan wel tot het oordeel dat de kennis van [betrokkene 2] in het maatschappelijke verkeer heeft te gelden als kennis van [verweerster] , kon het hof daaraan niet voorbijgaan op de grond dat het niet ter zake dienend was.

3.6

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 januari 2018;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 2.798,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerster] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 29 maart 2019.