Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:431

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
17/04265
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:96
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Oplichting, art. 326 Sr. Geldigheid dagvaarding in h.b. na wijziging aanvangstijdstip tz. Klacht dat Hof de (tijdig en in persoon uitgereikte) dagvaarding van verdachte in h.b. niet nietig heeft verklaard nu niet is gebleken dat de wijziging van het tijdstip van de tz. in h.b. aan verdachte is uitgereikt. HR: art. 81.1 RO. CAG: de veronderstelling dat een wijziging van het aanvangstijdstip naar een later moment op dezelfde tz. de dagvaarding nietig maakt, vindt geen steun in het recht. Aanvangstijd van de tz. in h.b. is op verzoek van de raadsman van verdachte gewijzigd en de raadsman heeft verdachte daarover geïnformeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 maart 2019

Strafkamer

nr. S 17/04265

ES

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 april 2017, nummer 20/003276-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2019.