Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:426

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
17/00307
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:98
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5642
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Belediging door 'toegezonden of aangeboden geschrift', art. 266.1 Sr. Vrijspraak van belediging politieambtenaar A door het toesturen van brieven met voor A beledigende inhoud aan (loco)burgemeester en opvolgende burgemeesters van Amstelveen, waarna gemeente die brieven aan de politie ter beschikking heeft gesteld en A van de inhoud daarvan op de hoogte is geraakt. 1. Heeft Hof ten onrechte beoordeeld of sprake was van ‘toezending’ van die geschriften aan A (beledigde persoon)? 2. Is ’s Hofs oordeel dat geschriften niet aan A zijn toegezonden begrijpelijk?

Ad 1. Mede gelet op de in CAG weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van art. 266 Sr moet worden aangenomen dat met 'een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding' is bedoeld een geschrift dat of afbeelding die aan de desbetreffende (beledigde) persoon is toegezonden of aangeboden.

Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat de brieven over A waren gericht aan zijn gezagsdrager, de (loco)burgemeester van Amstelveen of diens opvolgers, en dat erop kon worden gerekend dat A van de inhoud van deze brieven op de hoogte zou raken, hetgeen ook daadwerkelijk is geschied. ’s Hofs kennelijke oordeel dat onder die omstandigheden geen sprake kan zijn van toezending aan A in de hiervoor bedoelde zin, is zonder nadere uitleg niet begrijpelijk.

Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0086
NJB 2019/780
RvdW 2019/426
TPWS 2019/53
NBSTRAF 2019/115
NJ 2019/253 met annotatie van W.H. Vellinga
TPWS 2019/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 maart 2019

Strafkamer

nr. S 17/00307

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 december 2016, nummer 23/001486-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de aan de verdachte tenlastegelegde gedragingen niet onder het bereik van art. 266 Sr kunnen worden gebracht.

2.2.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij, in de periode van 9 januari 2013 tot en met 11 december 2014, te Amstelveen, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [betrokkene 1] (brigadier van de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, bij geschrift, te weten meerdere brieven, in elk geval één brief, welke zijn/is gericht aan de burgemeester van Amstelveen en/of de locoburgemeester van Amstelveen en/of (een) medewerker(s) van de gemeente Amstelveen, de woorden:

- " [betrokkene 1] is dan ook echt rijp voor PBC, verplichte opname is noodzakelijk" en/of

- Zijn breivikmentaliteit heeft lang genoeg geduurd" en/of

- "Deze illegale agent staat in Amstelveen bekend als een psychopaat, racist, fantast, crimineel etc." en/of

- "Amstelveners weten dat het een kakkerlak is en blijft" en/of

- "Nu deze racist-psychopaat-fantast-ronselaar etc. door kan" en/of

- "Ik zal burgers en de democratische rechtsstaat beschermen tegen zo'n breivik sympathisant" en/of

- "Deze rechts-extremist mag dan denken zijn straf te ontlopen, maar het tegendeel is waar" en/of

- " [betrokkene 1] is een verrader van de democratie en is een openlijke jihadist" en/of

- " [betrokkene 1] is een n.afrikanen jager die niets van etniciteit afweet" en/of

- "Deze openlijke racist is namelijk nog steeds werkzaam als agent" en/of

- "Hij is een groot gevaar voor de burgers, de staat en zichzelf" en/of

- "Dat [betrokkene 1] nog steeds werkt als agent is hetzelfde als de voorzitter van ex-partij Martijn die directeur is van een crèche" en/of

- "Europa mag dan in de ban zijn van aanslagen op de democratie en vrijheid maar dat wordt gevoegd door racisten zoals [betrokkene 1] "

- "In Amstelveen is hij al bekend als psychopaat maar ook in Amsterdam is zijn ster rijzende", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking,

heeft toegezonden en/of aangeboden."

2.3.

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde en daartoe het volgende overwogen:

"Op grond van de stukken van het procesdossier kan het volgende worden vastgesteld. Op 18 augustus 2011 heeft politieambtenaar [betrokkene 1] de verdachte aangehouden voor het niet op eerste vordering van een opsporingsambtenaar overhandigen van een geldig identificatiebewijs. Naar aanleiding van dat optreden is de verdachte - in de woorden van [betrokkene 1] - een hetze tegen laatstgenoemde begonnen. Daarbij heeft de verdachte op 16 oktober 2013, 9 april 2013 en 11 december 2014 brieven geschreven en verstuurd die waren gericht aan respectievelijk de (toenmalige) locoburgemeester van Amstelveen en twee opvolgend burgemeesters van die gemeente. In die brieven maakt hij melding van vermeende eigenschappen en opvattingen van [betrokkene 1] en van onoirbare ambtshandelingen van [betrokkene 1] en de ' [betrokkene 1] -groep' en worden die gemeentelijk bestuurders opgeroepen [betrokkene 1] onmiddellijk te ontslaan. De brieven zijn door de gemeente ter beschikking gesteld aan de politie en hebben [betrokkene 1] kennelijk via dat kanaal bereikt. In de brieven zijn de bewoordingen gebezigd die onder de eerste negen gedachtestreepjes in de tenlastelegging zijn opgenomen. Het beklag van de verdachte over het politieoptreden van 18 augustus 2011 namens de Politie, eenheid Amsterdam, is bij brief van 16 januari 2013 afgedaan met de vaststelling dat het optreden door de politie jegens de verdachte rechtmatig is geweest.

Het hof stelt voorop dat de inhoud van de brieven buitengewoon kwetsend is voor [betrokkene 1] , temeer omdat (ook het hof) nog niet eens van een begin van aannemelijkheid is gebleken van de juistheid van de aantijgingen die de verdachte in zijn richting heeft gedaan. De vraag die in deze strafzaak echter voorligt, is of de gedragingen van de verdachte zoals deze onder 1 in de tenlastelegging zijn opgenomen, onder het bereik van art. 266 (en 267) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kunnen worden gebracht. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend.

De tenlastelegging is geënt op het derde type belediging dat in art. 266, eerste lid, Sr strafbaar is gesteld, te weten de belediging die is aangedaan door het toezenden of aanbieden van een geschrift of afbeelding. Daarbij moet aangenomen worden dat de steller van de tenlastelegging de daarin genoemde termen 'toegezonden' en 'aangeboden' in de betekenis van evengenoemde wetsbepaling heeft gebezigd.

Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling, die onder 3.22 en 3.23 is weergegeven in de onder ECLI:NL:PHR:2005:AS8465 gepubliceerde conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad Machielse van 22 februari 2005, leidt het hof af dat onder het toezenden of aanbieden in de zin van de wet niet kan worden begrepen de situatie waarin een geschrift aan een derde is toegezonden of aangeboden met de bedoeling of in de bewustheid van de waarschijnlijkheid dat de beledigde persoon dat geschrift onder ogen krijgt; het moet gaan om een tot de beledigde gericht geschrift. Anders dan door het openbaar ministerie is gesteld, kan het tegendeel naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1992 (92.210, ongepubliceerd). Het hof merkt overigens op dat het in die laatste zaak kort gezegd ging om geschriften die geacht konden worden te zijn aangeboden aan de beledigden - het openbaar bestuur van een gemeente en bepaalde ambtenaren van diezelfde gemeente - omdat de vier brieven door één van de twee betrokken verdachten waren afgegeven in het gemeentehuis bij de balie van Algemene Zaken. In de onderhavige zaak is van een dergelijk nauw verband tussen de plek waar de geschriften feitelijk zijn aangeboden en de ambtenaar om wie het in die stukken gaat geen sprake.

Het voorgaande brengt in de voorliggende zaak mee dat - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - het door de verdachte versturen van de aan de locoburgemeester en de opvolgend burgemeesters van Amstelveen gerichte brieven niet kan worden aangemerkt als het 'toezenden' of 'aanbieden' van geschriften in de zin van art. 266, eerste lid, Sr. Vanwege het beperkte bereik dat de wetgever aan deze bepaling heeft willen geven doet aan die conclusie niet af dat er bij het versturen van de brieven, nu deze waren gericht aan gezagsdragers onder wier gezag [betrokkene 1] (in bepaalde situaties) stond en gezien de indringende inhoud van de brieven, op kon worden gerekend dat [betrokkene 1] uiteindelijk op enigerlei wijze op de hoogte van de stukken zou raken.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Aan de beantwoording van door de raadsman opgeworpen vraag in hoeverre bij de verdachte metterdaad opzet op het beledigen van [betrokkene 1] heeft bestaan komt het hof niet meer toe."

2.4.

Art. 266, eerste lid, Sr luidt:

"Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

2.5.

Kort gezegd is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij politieambtenaar [betrokkene 1] heeft beledigd door 'toegezonden of aangeboden geschriften' als bedoeld in art. 266 Sr, welke geschriften een voor die [betrokkene 1] beledigende inhoud hadden. Deze geschriften heeft de verdachte toegestuurd aan de (loco)burgemeester en de opvolgende burgemeesters van Amstelveen. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken.

2.6.

Voor zover het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft beoordeeld of sprake is geweest van 'toezending' van die geschriften aan de in die geschriften genoemde [betrokkene 1] , faalt het. Mede gelet op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12 tot en met 18 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van art. 266 Sr, moet worden aangenomen dat in art. 266 Sr met 'een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding' is bedoeld een geschrift dat of afbeelding die aan de desbetreffende (beledigde) persoon is toegezonden of aangeboden.

2.7.

Het middel slaagt echter voor zover het klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel dat de geschriften in het onderhavige geval niet aan die [betrokkene 1] zijn toegezonden. Het Hof heeft immers vastgesteld dat de brieven over [betrokkene 1] waren gericht aan zijn gezagsdrager, de (loco)burgemeester van Amstelveen of diens opvolgers, en dat erop kon worden gerekend dat [betrokkene 1] van de inhoud van deze brieven op de hoogte zou raken, hetgeen ook daadwerkelijk is geschied. Het kennelijke oordeel van het Hof dat onder die omstandigheden geen sprake kan zijn van toezending aan [betrokkene 1] in de hiervoor bedoelde zin, is zonder nadere uitleg niet begrijpelijk.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2019.