Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:425

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
18/02739
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:79
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv op n.a.v. Nederlands rechtshulpverzoek, waarin verkeerd huwelijksregime van klaagster is vermeld, door Belgische autoriteiten onder klaagster inbeslaggenomen voorwerpen ten laste van echtgenoot van klaagster, t.b.v. verhaal van aan hem op te leggen ontnemingsmaatregel. Dient in door Nederlandse OvJ gedaan rechtshulpverzoek vermelde onzorgvuldigheid dat klaagster met haar echtgenoot in gemeenschap van goederen is gehuwd te leiden tot gegrondverklaring klaagschrift en opheffing conservatoir beslag? HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2013:130 m.b.t. situatie waarin teruggave van inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met beroep op f&o op grond waarvan beslaglegging van onwaarde moet worden geacht. Oordeel Rb dat inbeslagneming op onjuiste grond is gedaan en dat reeds daarom beslag op alle voorwerpen behoort te worden opgeheven, is niet begrijpelijk, nu opgave van verkeerd huwelijksregime niet een formaliteit is waardoor beslaglegging van onwaarde moet worden geacht, mede in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat onjuiste informatieverstrekking ertoe heeft geleid dat Belgische autoriteiten op de voet van deze informatie rechtens niet toelaatbare vorm van rechtshulp hebben geboden. Daarvan uitgaande had Rb, nu ex art. 94a Sv beslag rust op de inbeslaggenomen voorwerpen en klaagster als derde ex art. 552a Sv om teruggave verzoekt, moeten onderzoeken of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klaagster als (enige) eigenaar van die voorwerpen moet worden aangemerkt en, indien zij als eigenaar wordt aangemerkt, moeten onderzoeken of zich situatie van art. 94a.4 of art. 94a.5 Sv voordoet (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL2823). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0087
NJB 2019/781
RvdW 2019/441
NBSTRAF 2019/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 maart 2019

Strafkamer

nr. S 18/02739 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 december 2017, nummer RK 16/1836, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover die aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzen of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen, het een en ander met uitzondering van de gegrondverklaring van het beklag voor zover dat betrekking had op twee bankpassen. De conclusie strekt in zoverre tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel komt op tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift, voor zover dat strekt tot opheffing van het conservatoir beslag op de op 17 maart 2016 door de Belgische autoriteiten onder de klaagster inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een schilderij op canvas, een partij wijnen en alcoholische dranken, een snooker/biljarttafel, een voetbaltafel, een golftas met dertien clubs, een fitnesstoestel, een saunacabine, een loopband, een power trilplaat, een plasma tv (Panasonic) en twee flatscreen tv's (Samsung).

2.2.

De Rechtbank heeft het klaagschrift, voor zover dat strekt tot opheffing van het beslag op de in het middel bedoelde voorwerpen, gegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"2. De feiten

- Op 7 oktober 2013 is klager bij vonnis van deze rechtbank veroordeeld wegens 'Medeplegen van verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft' tot de in dat vonnis vermelde straf;

- Klager heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Op het hoger beroep is nog niet beslist;

- Op 25 september 2015 heeft de officier van justitie gevorderd dat aan klager de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel uit dit strafbare feit. De ontnemingsprocedure is thans aanhangig bij deze rechtbank;

- Op 1 mei 2015 heeft de rechter-commissaris in deze rechtbank machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag jegens klager;

- Bij beslissingen d.d. 24 december 2015 heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie toestemming verleend tot het doen van doorzoekingen ter inbeslagneming ten laste van klager op de adressen: [a-straat 1] , [postcode] Kalmthout (België) (...);

- Bij rechtshulpverzoek d.d. 9 februari 2016 heeft de officier van justitie aan de bevoegde autoriteiten in België (het parket Turnhout) verzocht om op genoemde adressen te zoeken naar voor conservatoir beslag vatbare vermogensbestanddelen (...);

- Op 17 maart 2016 heeft de federale gerechtelijke politie Antwerpen in het pand [a-straat 1] te Kalmthout (België) ten laste van klaagster beslag gelegd op de volgende voorwerpen: twee piano's; een schilderij op canvas, een partij wijnen en alcoholische dranken, een snooker/biljarttafel, een voetbaltafel; een golftas met dertien clubs, een fitnesstoestel, een saunacabine, een loopband, een power trilplaat, een plasma tv (Panasonic), twee flatscreen tv's (Samsung) (...).

(...)

6. Het oordeel van de rechtbank

(...)

De verdere beoordeling van het beklag van klaagster

Het beklag ziet op de inbeslagneming van voorwerpen onder klaagster op haar woonadres aan de [a-straat 1] te Kalmthout, in het kader van een lopende ontnemingsprocedure tegen klager. De adressen [a-straat 1] en [a-straat 2] betreffen volgens klaagster één geheel, te weten: haar woning annex atelier, waar klaagster ten tijde van de inbeslagneming aanwezig was. Het beslag is gelegd door de Belgische justitie ter uitvoering van een Nederlands verzoek om rechtshulp.

In het rechtshulpverzoek heeft de officier van justitie aan de Belgische autoriteiten opgegeven dat klagers in gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd. De rechtbank stelt, met de raadsman en het nadere standpunt van de officier van justitie in raadkamer, vast dat deze informatie onjuist is, omdat uit de door klagers overgelegde stukken blijkt dat zij op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd.

Voor wat betreft het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime tussen klagers gaat de rechtbank uit van de volgende gegevens:

Klagers zijn echtelieden en hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn beiden sinds 1992 woonachtig in België en zijn sindsdien altijd in België blijven wonen. Zij zijn volgens de verklaring van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Essen (België) aldaar op […] 1993 met elkaar gehuwd.

In artikel 1 van het voor notaris [betrokkene 1] te Kalmthout (België), in aanwezigheid van twee getuigen, op 11 juni 1993 tussen klagers verleden 'huwelijkskontrakt', dat op 14 juni 1993 is ingeschreven bij Kapellen Registratie, België, hebben klagers gekozen voor het 'stelsel van de scheiding van goederen' overeenkomstig artikel 1466 en volgende van het (Belgisch) burgerlijk wetboek.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben klagers hiermee krachtens het voor Nederland van toepassing zijnde Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (in werking getreden op 1 september 1992, zoals thans ook gecodificeerd in artikel 43 en volgende van boek 10 van het Burgerlijk Wetboek) bij het 'huwelijkskontrakt' een geldige rechtskeuze voor het overeengekomen huwelijksvermogensregime naar Belgisch recht gemaakt. Dat wordt niet anders door het feit dat er geen registratie in het Nederlandse huwelijksgoederenregister is.

Een en ander betekent dat er vanwege onjuiste informatieverstrekking door de Nederlandse autoriteiten aan de Belgische autoriteiten gebreken aan de inbeslagneming kleven die door de rechtbank in deze procedure niet hersteld kunnen worden.

Anders dan de raadsman stelt de rechtbank vast dat hier geen sprake is geweest van een bewuste misleiding, maar een onzorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie. Echter, in aanmerking genomen dat het gedane rechtshulpverzoek is gebaseerd op internationale rechtshulpverdragen (zoals het Europees Verdrag, aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, en het Beneluxverdrag, aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden) en dit verzoek derhalve wordt beheerst door het interstatelijke vertrouwensbeginsel, waarbij de juistheid van de door de verzoekende staat verstrekte informatie tot uitgangspunt wordt genomen, leidt dit tot de conclusie dat de onderhavige inbeslagneming op een onjuiste grond is gedaan en dat reeds daarom het beslag op alle voorwerpen behoort te worden opgeheven.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen zal de rechtbank het beklag van klaagster gegrond verklaren en komt zij niet toe aan een verdere beoordeling van het beklag van klaagster.

(...)

8. De beslissing

De rechtbank:

(...)

- verklaart het beklag van klaagster gegrond en beveelt de opheffing van het (conservatoire) beslag op de onder haar op 17 maart 2016 door de federale gerechtelijke politie Antwerpen inbeslaggenomen voorwerpen."

2.3.

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat de Nederlandse Officier van Justitie in het kader van een ontnemingsprocedure tegen [klager] , de echtgenoot van de klaagster, een rechtshulpverzoek aan de Belgische autoriteiten heeft gericht, strekkende tot onder meer "het zoeken naar voor conservatoir beslag vatbare vermogensbestanddelen" op het adres [a-straat 1] te Kalmthout (België). Ter uitvoering van voormeld rechtshulpverzoek is in België onder de klaagster conservatoir beslag gelegd op de in het middel bedoelde voorwerpen tot bewaring van het recht tot verhaal van een aan de echtgenoot van de klaagster op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

In het rechtshulpverzoek - dat is gedaan vóór de inwerkingtreding van art. 5.1.3 Sv op 1 juli 2018 (Stb. 2017, 492) - is opgegeven dat de klaagster in gemeenschap van goederen is gehuwd met [klager] . De Rechtbank heeft evenwel als vaststaand aangenomen dat deze vermelding niet juist is en dat als gevolg van een onzorgvuldigheid niet is vermeld dat sprake is van een huwelijk buiten gemeenschap van goederen.

2.4.

Indien de teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve - waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen - van onwaarde moet worden geacht, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beroep voldoende aannemelijk acht en zo ja, of die onregelmatigheid bij de beslaglegging tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL: HR:2013:130).

2.5.1.

Het oordeel van de Rechtbank dat de onderhavige inbeslagneming op een onjuiste grond is gedaan en dat reeds daarom het beslag op alle voorwerpen behoort te worden opgeheven, is niet begrijpelijk, nu de opgave van het verkeerde huwelijksregime niet een formaliteit is waardoor de beslaglegging van onwaarde moet worden geacht, mede in aanmerking genomen dat niet is komen vast te staan dat de onjuiste informatieverstrekking ertoe heeft geleid dat de Belgische autoriteiten op de voet van deze informatie een rechtens niet toelaatbare vorm van rechtshulp hebben geboden.

2.5.2.

Daarvan uitgaande had de Rechtbank, nu op de voet van art. 94a Sv beslag rust op de inbeslaggenomen voorwerpen en de klaagster als derde op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, moeten onderzoeken of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als (enige) eigenaar van die voorwerpen moet worden aangemerkt en, indien zij als eigenaar wordt aangemerkt, tevens moeten onderzoeken of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL: HR:2010:BL2823, rov. 2.15).

2.6.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing van de Rechtbank tot gegrondverklaring van het klaagschrift ten aanzien van de gelegde beslagen op een schilderij op canvas, een partij wijnen en alcoholische dranken, een snooker/biljarttafel, een voetbaltafel, een golftas met dertien clubs, een fitnesstoestel, een saunacabine, een loopband, een power trilplaat, een plasma tv (Panasonic) en twee flatscreen tv's (Samsung);

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2019.