Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:423

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
17/01727
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:73
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Medeplegen van uitvoeren, vervoeren en aanwezig hebben van 1100 kilo cocaïne in Aruba die aan boord is gebracht van onder Hondurese vlag varend schip toen het in de territoriale wateren van Aruba voor anker lag, waarna schip uitvaart en Kustwacht voor het Koninkrijk der Nederlanden in het Caribisch gebied op volle zee aan boord gaat, verdachte aanhoudt en de cocaïne in beslag neemt. Beroep op niet-ontvankelijkheid OM in vervolging. 1. Volkenrechtelijke basis voor optreden Kustwacht op volle zee? 2. Vervolging verdachte in Aruba in strijd met door Hondurese autoriteiten gestelde voorwaarde dat verdachte onmiddellijk na aanhouding moest worden uitgeleverd aan Honduras? 3. Schending soevereine gelijkheid en territoriale integriteit Honduras door verdachte in Aruba te vervolgen? Op gronden vermeld in ECLI:NL:HR:2019:422 kan middel niet tot cassatie leiden. Volgt verwerping. Samenhang met 17/01726 A en 17/01728 A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 maart 2019

Strafkamer

nr. S 17/01727 A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 16 januari 2017, nummer H-112/16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de opgelegde straf wegens de inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

2.2.

Op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 17/01726 A (ECLI:NL:HR:2019:422) kan het middel niet tot cassatie leiden.

3 Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zes maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2019.