Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:413

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
19/00210
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:145, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:8998, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Verzoek schadevergoeding i.v.m. overschrijding beslistermijn voor machtiging voortgezet verblijf (art. 35 Wet Bopz). Toerekening overschrijding beslistermijn aan betrokkene vanwege ongeoorloofd vertrek uit de instelling t.t.v. geplande mondelinge behandeling en aanhouding nadere mondelinge behandeling op verzoek betrokkene i.v.m. volgens deze ontbrekende gegevens. Na ontvangst en reactie op gegevens voldoende spoedig beslist? Niet-tijdige afgifte proces-verbaal mondelinge behandeling hoger beroep (HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-007
NJB 2019/700
RvdW 2019/405
RFR 2019/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2019

Eerste Kamer

19/00210

TT/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak C/19/119677/FA RK 17-1427 van de rechtbank Noord-Nederland van 5 december 2017;

b. de beschikking in de zaak 200.235/290/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 oktober 2018.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Op 15 mei 2017 heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Nederland de rechtbank verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van betrokkene. Betrokkene verbleef toen in het psychiatrisch ziekenhuis Trajectum Hoeve Boschoord (hierna: Trajectum) met een rechterlijke machtiging die afliep op 25 mei 2017. Bij het verzoekschrift waren gevoegd een geneeskundige verklaring, een zorgplan en wettelijke aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz.

  • -

    ii) De op 31 mei 2017 geplande zitting is niet doorgegaan omdat betrokkene toen ongeoorloofd afwezig was. Op 15 juni 2017 is het verzoek alsnog ter zitting behandeld. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat de advocaat van betrokkene heeft opgemerkt:

“(…) dat hij (…) de wettelijke aantekening niet bij de stukken heeft ontvangen. Hij is van mening dat het verhoor niet verder kan en dat eerst de wettelijke aantekeningen moeten worden aangevuld. Het moet geen incidentenlijst zijn.”

Daarop heeft de rechtbank de behandeling aangehouden om Trajectum in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken.

  • -

    iii) Trajectum heeft vervolgens op 21 juni 2017 de verzochte nadere gegevens ingediend. De advocaat van betrokkene heeft daarop op 26 juni 2017 schriftelijk gereageerd.

  • -

    iv) De advocaat van betrokkene heeft op 28 juni 2017 bij de rechtbank geïnformeerd of er al een beslissing was.
    Op 29 juni 2017 is aan de advocaat van betrokkene meegedeeld dat de behandelend rechter op vakantie was en gevraagd of betrokkene op de terugkeer van deze rechter wilde wachten, dan wel een beslissing van een andere rechter wenste, welke dan op 3 juli 2017 genomen zou kunnen worden.

  • -

    v) Bij beschikking van 13 juli 2017 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend voor de periode tot en met 24 mei 2018.

3.2.1

Op de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde zitting van 15 juni 2017 heeft betrokkene een verzoek tot schadevergoeding op de voet van art. 35 Bopz ingediend, onder meer tegen de Staat. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de rechtbank niet binnen de voorgeschreven termijn op het hiervoor in 3.1 onder (i) vermelde verzoek heeft beslist. De rechtbank heeft het verzoek tot schadevergoeding bij beschikking van 5 december 2017 afgewezen. De rechtbank heeft daaraan onder meer ten grondslag gelegd dat de advocaat van betrokkene niet heeft gereageerd op de hiervoor in 3.1 onder (iv) weergegeven vraag of betrokkene een op 3 juli 2017 door een andere rechter te nemen beslissing wenste en dat daarom is besloten te wachten op de terugkeer van de behandelend rechter, die op 13 juli 2017 heeft beslist.

3.2.2

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“5.5 Vast staat dat niet binnen vier weken na indiening van het verzoek door de officier van justitie op 15 mei 2017 is beslist maar eerst op 13 juli 2017 en dus na het verstrijken van de geldigheid van de voorliggende machtiging op 24 mei 2017. Gebleken is echter dat die overschrijding van de beslistermijn is veroorzaakt door aan de betrokkene toe te rekenen omstandigheden. De op 31 mei 2017 geplande zitting bij de rechtbank kon in dit verband niet doorgaan wegens ongeoorloofde afwezigheid van de betrokkene en heeft pas op 15 juni 2017 kunnen plaats[vinden]. Tijdens die zitting is vervolgens namens de betrokkene om een aanhouding van de beslissing gevraagd omdat er volgens de betrokkene nadere gegevens nodig waren. De advocaat van de betrokkene vond dat ten onrechte gegevens ontbraken over de periode waarin de betrokkene op de locatie Rekken-Berkelland verbleef. Die nadere gegevens zijn op 21 juni 2017 door Trajectum bij de rechtbank ingediend en vervolgens is daarop namens de betrokkene op 26 juni 2017 gereageerd. De tijd die gemoeid is geweest met de voormelde ongeoorloofde afwezigheid van de betrokkene en de aanhouding van de beslissing, dient naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de betrokkene te blijven. De voorschriften betreffende de geneeskundige verklaring en de wettelijke aantekening, bedoeld in artikel 16 lid 4 Bopz en artikel 37a Bopz, strekken er immers toe dat de rechter in staat wordt gesteld zich een oordeel te vormen over de gronden voor de verzochte maatregel, en dat die gronden zich hier voordoen is niet betwist. De nadere gegevens van Trajectum hebben dat bevestigd. Daarbij komt dat de instelling bij de invulling van de wettelijke aantekening een zekere beoordelingsvrijheid heeft al naar gelang de feiten en omstandigheden van het geval (…). Vast staat dat zowel Rekken-Berkelland als Hoeve Boschoord onder Trajectum vallen. De betrokkene heeft het hof daarom niet overtuigd van de noodzaak van het verzoek om de nadere gegevens van Trajectum.

5.6 (…)

Ook de aanhouding van de beslissing in de periode van 15 juni 2017 tot en met 26 juni 2017 ligt in de risicosfeer van de betrokkene. Dat de beslissing vervolgens door de rechtbank op 13 juli 2017 is genomen, ruim binnen vier weken na 26 juni 2017, is naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden voldoende spoedig (in de zin van artikel 5 lid 4 EVRM), mede nu de rechtbank daarover het overleg heeft gezocht met de advocaat van de betrokkene.”

3.3.1

Onderdeel II ziet op de aanhouding van de behandeling van het hiervoor in 3.1 onder (i) bedoelde verzoek ter zitting van 15 juni 2017. Het betoogt onder meer dat de officier van justitie ervoor moet zorgen dat de aanvraag compleet is en dat dus niet aan betrokkene kan worden toegerekend dat de behandeling is aangehouden om ontbrekende aantekeningen aan te leveren.

3.3.2

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, nu het oordeel van het hof dat de vertraging, gemoeid met het opvragen van nadere gegevens, aan betrokkene moet worden toegerekend mede erop berust dat betrokkene het hof niet heeft overtuigd van de noodzaak van het verzoek om bedoelde nadere gegevens. Deze motivering komt erop neer dat namens betrokkene zonder goede grond om aanhouding van de behandeling is verzocht en kan het oordeel van het hof zelfstandig dragen.

3.4.1

Onderdeel III heeft betrekking op het oordeel van het hof over de periode tussen 26 juni en 13 juli 2017. Het betoogt onder meer dat volstrekt onbegrijpelijk is dat niet over vrijheidsberoving wordt beslist omdat de rechter met vakantie is. Voorts is volgens het onderdeel onjuist dat de beslistermijn wordt verlengd met vier weken na ontvangst van de ontbrekende wettelijke aantekeningen, omdat een dergelijke regel niet volgt uit de wet, noch uit de rechtspraak met betrekking tot een contra-expertise die op verzoek van een betrokkene wordt uitgevoerd.

3.4.2

Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, kan niet uit rov. 5.6 worden opgemaakt dat het hof ervan is uitgegaan dat de beslistermijn is verlengd met vier weken na ontvangst van de aanvullende gegevens. Het hof heeft die termijn genoemd in de context van zijn oordeel dat de rechtbank haar beslissing in de gegeven omstandigheden voldoende spoedig (in de zin van artikel 5 lid 4 EVRM) heeft gegeven. In zoverre kan het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

De klacht dat volstrekt onbegrijpelijk is dat niet over vrijheidsberoving wordt beslist omdat de behandelend rechter met vakantie is, stuit af op de overweging van het hof dat de rechtbank daarover het overleg heeft gezocht met de advocaat van betrokkene.

3.5.1

Onderdeel IV klaagt erover dat het hof, ondanks herhaald verzoek, in strijd met art. 290 lid 2 Rv het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof niet voor het verstrijken van de cassatietermijn aan de advocaat van betrokkene heeft verstrekt, waardoor het niet mogelijk was bij het formuleren van het cassatiemiddel met de inhoud daarvan rekening te houden.

3.5.2

De klacht is op zichzelf terecht voorgesteld. Ingevolge art. 279 lid 4 Rv wordt van het ter mondelinge behandeling verhandelde en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen een proces-verbaal opgemaakt. Art. 290 lid 2 Rv bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal verstrekt aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Deze voorschriften strekken onder meer ertoe dat de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een proces-verbaal kan betrekken bij zijn beslissing of en, zo ja, op welke gronden hij een rechtsmiddel zal instellen. Dit brengt mee dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel. Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient dan ook onverwijld te worden voldaan. (HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336)

Niet-naleving van deze regel kan echter niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden. Wel brengt de omstandigheid dat ten tijde van het verstrijken van de cassatietermijn nog geen proces-verbaal is ontvangen, mee dat de verzoeker zijn cassatiemiddel na ontvangst van dat proces-verbaal mag aanvullen. Van die mogelijkheid heeft de cassatieadvocaat van betrokkene in dit geval geen gebruik gemaakt.

3.6

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 22 maart 2019.