Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:40

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
17/02699
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1449
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1524, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voortgezette handeling van medeplegen mensenhandel m.b.t. persoon onder 16 jaren, medeplegen mensenhandel m.b.t. persoon onder 18 jaren en medeplegen mensenhandel door samen met haar man minderjarig nichtje uit Turkije illegaal in huis te nemen en haar jarenlang buitensporig en excessief te belasten met huishoudelijke taken en verzorging van hun kinderen, art. 273f.1. en 273f.3 Sr. Oogmerk van uitbuiting? Op gronden vermeld in ECLI:NL:HR:2019:39 kan middel niet tot cassatie leiden. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0008
RvdW 2019/170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/02699

DAZ/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 mei 2017, nummer 22/000425-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van - kort gezegd - het medeplegen van mensenhandel, in het bijzonder voor zover het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte heeft gehandeld met het "oogmerk van uitbuiting".

2.2.

Op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 17/02697 (ECLI:NL:HR:2019:39) kan het middel niet tot cassatie leiden.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is in zoverre gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden.

3.3.

Het middel kan voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2019.