Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:350

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
15-03-2019
Zaaknummer
17/04967
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1424, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Invordering aanslag winstbelasting. Vordering tot verklaring voor recht dat het invorderingsrecht is verjaard. Heeft verlening van uitstel van betaling naar het tot juni 2014 geldende recht stuitende werking? (Art. 13 (oud) Landsverordening invordering directe belastingen en HR 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1276). Ontvanger exclusief bevoegde procespartij? Kon de vraag of het invorderingsrecht ter zake van de aanslag is verjaard uitsluitend in verzetprocedure van art. 4 lid 2 Landsverordening dwanginvordering aan de orde worden gesteld? Is met betekening dwangschrift al sprake van tenuitvoerlegging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2019/644
RvdW 2019/360
NJ 2019/203 met annotatie van J.W. Zwemmer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2019

Eerste Kamer

17/04967

EV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ARUBA BANK N.V.,
gevestigd te Aruba,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. S.F. Sagel,

t e g e n

HET LAND ARUBA,
zetelende te Aruba,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Aruba Bank en het Land.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. het vonnis in de zaak AR 934 van 2015 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba, van 13 januari 2016;

b. het vonnis in de zaak AR 934/15/79873 - H 258/16 van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 22 augustus 2017.

Het vonnis van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof heeft Aruba Bank beroep in cassatie ingesteld. Het Land heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor Aruba Bank toegelicht door haar advocaat, mr. G.J. Harryvan en prof. Mr. F.P.G. Pötgens en voor het Land door haar advocaat en mr. C.M. Bergman.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale en het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep tot vernietiging van het vonnis van het gemeenschappelijk hof van justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 22 augustus 2017 en tot terugwijzing.

De advocaat van Aruba Bank heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) De belastingdienst van Aruba (hierna: SIA) heeft op 30 maart 2007 aan Aruba Bank een definitieve aanslag winstbelasting voor het jaar 2003 (hierna: de aanslag 2003) opgelegd ten bedrage van Afl. 11.299.533,--.

(ii) Aruba Bank heeft bezwaar aangetekend tegen de aanslag 2003 en uitstel van betaling verzocht.

(iii) De Ontvanger heeft (in elk geval) op 12 februari 2011 uitstel van betaling verleend.

(iv) SIA heeft op 15 februari 2012 een aanmaning gestuurd ter zake van de aanslag 2003.

( v) Op 22 mei 2012 is aan Aruba Bank een dwangschrift ter zake van de aanslag 2003 betekend. Daarop heeft Aruba Bank het standpunt ingenomen dat de aanslag 2003 is verjaard.

(vi) Op 24 juni 2014 heeft SIA gedreigd met het leggen van executoriaal beslag tot tenuitvoerlegging van de dwangschriften ter zake van aanslagen winstbelasting over 2001, 2002 en 2003. Op dezelfde dag heeft Aruba Bank verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van deze dwangschriften en dit verzet aan de Ontvanger doen betekenen.

(vii) Tussen Aruba Bank en SIA is op 7 november 2014 een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van onder meer de winstbelastingjaren 2001 tot en met 2010.
De aanslag 2003 is in stand gebleven, maar Aruba Bank heeft zich het recht voorbehouden zich met betrekking tot deze aanslag voor de civiele rechter op verjaring te beroepen.

3.2.1

In dit geding vordert Aruba Bank een verklaring voor recht dat de aanslag 2003 is verjaard. Het gerecht heeft de vordering toegewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van het gerecht vernietigd en de vordering afgewezen. Het heeft vastgesteld dat uitstel van betaling is verleend en geoordeeld dat dit uitstel de verjaring van de aanslag 2003 heeft gestuit.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat verlening van uitstel van betaling aan de belastingschuldige stuitende werking heeft in de zin van art. 13 Landsverordening Invordering Directe Belastingen (AB 1991 no. GT 4; hierna: LvIDB) en tegen de daarop gegronde verwerping door het hof van de stelling dat de aanslag 2003 niet is verjaard. Het hof heeft daarover overwogen:

“3.7 Artikel 13 Lv Invordering Directe belastingen, die gold tot 1 juni 2014 en van toepassing was op onderhavige belastingaanslag, bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door elke invorderingsmaatregel tegen de belastingschuldige, alsmede door zijn erkentenis, door woorden of door daden, van het bestaan van de belastingschuld.

3.8

De vraag die voorligt is of een (gevraagd en) door de belastingdienst verleend uitstel stuitende (of verlengde) werking heeft, al bepaalt voormeld artikel 13 Lv Invordering Directe Belastingen dit niet, in elk geval niet uitdrukkelijk (inmiddels, na wetswijziging wel). Het GEA heeft deze vraag ontkennend beantwoord.

3.9

Het land heeft een beroep gedaan op HR 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1935, p. 1279 [HR: p. 1276]. In dit arrest heeft de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat de stuitende werking van een door de Ontvanger gelegd executoriaal derdenbeslag voortduurt totdat de laatste beslissing in de daarop gevolgde procedure is gevallen, bevestigd en daarbij overwogen:

“dat die voortduring van de werking van de stuiting in de wet wel niet uitdrukkelijk is bepaald, maar voortvloeit uit den aard van de betrokken regeling, die bezwaarlijk kan meebrengen dat gedurende het geding, dat de schuldeiser ter doorzetting van de door hem ondernomen vervolging voert, de verjaringstermijn weder zou aanvangen te loopen en de verjaring zelfs zou kunnen intreden.”

3.10

Hetgeen de Hoge Raad in voormeld arrest heeft overwogen, is ook in onderhavige zaak van toepassing. Artikel 13 Lv Invordering Directe Belastingen, waarin is bepaald dat alleen invorderingsmaatregelen en erkenning door de belastingschuldige stuitende werking hebben, kan, gelet op de aard van die regeling, bezwaarlijk anders meebrengen dan dat een gevraagd en verleend uitstel van betaling ook stuitende werking heeft. Indien dat niet het geval zou zijn, dan zou dat immers met zich brengen dat de Ontvanger, om een lopende verjaring te stuiten, in alle gevallen direct tot invordering zou moeten overgaan en nooit zonder meer uitstel van betaling kunnen verlenen. Naar het oordeel van het Hof kan dat niet de bedoeling zijn geweest van de betrokken regeling.

3.11 (…).

Aruba Bank heeft niet weersproken dat zij de beschikking tot uitstel van betaling d.d. 15 februari 2011 (…) heeft ontvangen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat Aruba Bank die beschikkingen heeft ontvangen en daarmee is, met inachtneming van hetgeen onder 3.10 is overwogen, de verjaring tijdig gestuit. (…).

3.12

De slotsom is dat de verjaring door de uitstelverlening van 12 februari 2011 is gestuit en dat de aanslag niet is verjaard. (…). Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en het Hof zal, opnieuw rechtdoende de vordering van Aruba Bank alsnog afwijzen. (…).”

4.2.1

Onderdeel 1 van het middel betoogt primair dat het oordeel van het hof in rov. 3.10 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel voert daartoe aan dat art. 13 LvIDB, zoals dat destijds gold, een uitputtende regeling voor stuiting en schorsing van de verjaring bevat en dat verlening van uitstel van betaling daarin niet voorkomt. De uitleg die het hof aan deze bepaling heeft gegeven kan evenmin worden gedragen door de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 1935, NJ 1935, p. 1276. In die zaak was, anders dan in dit geval, sprake van een invorderingsmaatregel met stuitende werking, aldus de klacht.

4.2.2

Het in deze zaak toepasselijke art. 13 (oud) LvIDB luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. De aanslagen der kohierbelastingen verjaren na verloop van vijf jaren gerekend van de aanvang van het jaar waarin de belasting invorderbaar werd.

2. De verjaring wordt echter gestuit door elke invorderingsmaatregel tegen de belastingschuldige alsmede door zijn erkentenis, door woorden of door daden, van het bestaan van de belastingschuld.

3. (…)”

De tekst van lid 2 geeft geen grond om aan te nemen dat ook aan andere handelingen dan de daarin genoemde stuitende werking kan worden toegekend. Ook uit een oogpunt van rechtszekerheid moet worden aangenomen dat deze opsomming een limitatief karakter heeft (vgl. voor het Nederlandse recht met betrekking tot bestuursrechtelijke geldschulden de art. 4:105 en 4:106 Awb en HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:817, rov. 3.3). Verlening van uitstel van betaling wordt in art. 13 lid 2 LvIDB niet als stuitingsgrond genoemd.

4.2.3

Anders dan het hof heeft overwogen, kan aan hetgeen is beslist in HR 7 juni 1935, NJ 1935, p.1276, geen grond worden ontleend om voor het hier toepasselijke oude recht toch stuitende werking toe te kennen aan verlening van uitstel van betaling. In die uitspraak is geoordeeld dat de stuitende werking van een executoriaal derdenbeslag als daad van rechtsvervolging voortduurt tot de laatste beslissing in de daarop gevolgde procedure. Deze voortdurende werking van de stuiting is in het arrest afgeleid uit de aard van de betrokken wettelijke regeling van een door een verklaringsprocedure gevolgd executoriaal derdenbeslag. Van een daarmee vergelijkbare situatie is in dit geval geen sprake. Opmerking verdient dat het door het hof genoemde argument dat de Ontvanger, om een lopende verjaring te stuiten, in alle gevallen direct tot invordering zou moeten overgaan en nooit zonder meer uitstel van betaling zou kunnen verlenen indien zodanig uitstel geen stuitende werking heeft, goede grond mist. De verjaringstermijn bedraagt immers onder art. 13 (oud) LvIDB vijf jaren en heeft daarmee een zodanige lengte dat de Ontvanger in de regel uitstel van betaling kan verlenen dat eindigt voordat verjaring van de aanslag dreigt.

4.2.4

Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van het hof dat het op 12 februari 2011 verleende uitstel van betaling de verjaring heeft gestuit onjuist is en dat de primaire klacht van onderdeel 1 slaagt. De subsidiaire klacht van het onderdeel behoeft geen behandeling. Onderdeel 2, dat is gericht tegen de overwegingen en beslissingen die voortbouwen op het onjuist bevonden oordeel, slaagt eveneens.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

Nu het middel in het principale beroep doel treft, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld, zodat het daarin voorgestelde middel moet worden onderzocht.

5.2

Het middel is gericht tegen rov. 3.4, waarin het hof heeft geoordeeld:

“Het GEA heeft terecht geoordeeld dat nu het door de Ontvanger aangekondigde executoriale beslag niet is gelegd, er geen tenuitvoerlegging heeft plaatsgevonden. Arubabank heeft op 24 juni 2014 een verzetschrift betekend. Naar haar eigen stelling was dit voorbarig. Indien al moet worden aangenomen dat, zoals het Land stelt, wel sprake is geweest van tenuitvoerlegging en een aangevangen verzet-procedure, dan heeft het feit dat het verzetschrift niet is gevolgd door een geding tegen de Ontvanger als bedoeld in artikel 4 lid 2 Lv Dwanginvordering, hooguit tot gevolg dat het verzet nietig is. Aan het achterwege laten van indiening van een geding als voormeld, kan niet de conclusie worden verbonden dat onderhavige procedure moet worden aangemerkt als een voortzetting van het op 24 juni 2014 ingediende verzet. De hiertoe strekkende stelling van het Land wordt dan ook verworpen. Hetzelfde geldt voor de stelling van het Land dat dit geding tegen de Ontvanger aanhangig had moeten worden gemaakt, omdat het als een verzetprocedure moet worden aangemerkt.”

5.3.1

Volgens onderdeel 1.1 heeft het hof miskend dat in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de taakuitoefening van de Ontvanger der belastingen, uitsluitend de Ontvanger in rechte kan worden betrokken. Om deze reden had het hof Aruba Bank zo nodig ambtshalve niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat geldt volgens het onderdeel ook indien deze procedure niet moet worden aangemerkt als (de voortzetting van) een verzetprocedure als bedoeld in art. 4 lid 2 Landsverordening Dwanginvordering (Landsverordening houdende regeling van de invordering van belastingen, bijdragen en vergoedingen door middel van dwangschriften alsmede van de rechtspleging inzake van belastingen, bijdragen en vergoedingen, AB 1988 no. GT 12; hierna: LvD).

5.3.2

Het onderdeel faalt. Het Arubaanse invorderingsrecht kent niet een regel als voor Nederland neergelegd in art. 3 lid 2 Invorderingswet 1990, inhoudende dat in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak de Ontvanger als zodanig in rechte optreedt, uit welke bepaling een exclusieve procesbevoegdheid voor de Ontvanger voortvloeit, met uitsluiting dus van de Staat (HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3638). Bij gebreke van een vergelijkbare Arubaanse wetsbepaling kan de door het onderdeel bepleite exclusieve procesbevoegdheid van de Ontvanger niet worden aangenomen.

5.4.1

Onderdeel 2 komt met diverse klachten op tegen de verwerping van het betoog van het Land dat Aruba Bank niet-ontvankelijk is in haar vordering omdat zij het door haar op de voet van art. 4 lid 2 LvD ingestelde verzet niet tijdig heeft doen volgen door een geding tegen de Ontvanger.

5.4.2

De onderdelen 2.1 en 2.2 stellen aan de orde wanneer een belastingplichtige gebruik kan maken van dit rechtsmiddel van verzet. In het bijzonder gaat het om de vragen (i) of betekening van een dwangschrift de tenuitvoerlegging doet aanvangen (onderdeel 2.1), en (ii) of (ook indien dit niet het geval is) zodanige betekening volstaat om in het verzet te kunnen worden ontvangen (onderdeel 2.2). In de onderdelen 2.3 en 2.4 wordt betoogd dat verjaring van een invorderingsrecht alleen in een tijdig op de voet van art. 4 lid 2, tweede volzin LvD ingestelde verzetprocedure aan de orde kan worden gesteld, althans indien (zoals hier) een dwangschrift is betekend en verzet is ingesteld.

5.4.3

Ingevolge art. 4 LvD kan de tenuitvoerlegging van een dwangschrift niet worden geschorst dan door een met redenen omkleed verzet (lid 1). Het verzet wordt betekend aan de Ontvanger der belastingen; op straffe van nietigheid moet binnen een maand na deze betekening het geding tegen de Ontvanger aanhangig worden gemaakt (lid 2). Dit rechtsmiddel biedt de belastingplichtige dus de mogelijkheid schorsing van de tenuitvoerlegging van een dwangschrift te verkrijgen. Deze mogelijkheid laat onverlet dat de belastingplichtige het invorderingsrecht waarop het dwangschrift ziet ook in een gewone civiele procedure aan de orde kan stellen. Zodanige procedure schorst de tenuitvoerlegging echter niet.

5.4.4

Art. 1 lid 1 LvD bepaalt dat belastingen worden ingevorderd door middel van dwangschriften. Art. 3 lid 1 LvD bepaalt vervolgens dat het dwangschrift een executoriale titel oplevert die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (RvA) kan worden tenuitvoergelegd. In art. 430 RvA is met betrekking tot tenuitvoerlegging van executoriale titels bepaald:

“1. De grossen van in Aruba gewezen vonnissen, van beschikkingen van de rechter in Aruba en van in Aruba verleden authentieke akten, alsmede van andere bij wet als executoriale titel aangewezen stukken, kunnen in Aruba worden ten uitvoer gelegd.

2. (…)

3. Zij kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.”

Betekening van de executoriale titel gaat dus vooraf aan de tenuitvoerlegging ervan en maakt daarvan geen deel uit. Ook uit de parlementaire geschiedenis van het overeenkomstige, voor Nederland geldende art. 430 Rv blijkt dat betekening niet moet worden beschouwd als tenuitvoerlegging, maar als een fase die aan tenuitvoerlegging voorafgaat (zie de parlementaire geschiedenis aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.24). Dat is niet anders voor het Arubaanse recht. Onderdeel 2.1 faalt dus.

5.4.5

Het voorgaande laat onverlet dat, zoals het Land in onderdeel 2.2 op zichzelf terecht betoogt, een belastingplichtige die verzet instelt voordat sprake is van tenuitvoerlegging, daarin kan worden ontvangen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.27). Indien dat verzet leidt tot een definitieve uitspraak over het invorderingsrecht waarop het dwangschrift ziet, kan het gezag van gewijsde van deze uitspraak aan toewijzing van een vordering in gewone civiele procedure in de weg staan. In een geval als het onderhavige, waarin het verzet niet heeft geleid tot een procedure als bedoeld in art. 4 lid 2, tweede volzin, LvD, staat het de belastingplichtige echter vrij het invorderingsrecht waarop het dwangschrift ziet in een gewone civiele procedure aan te vechten. Daartoe is immers niet exclusief het middel van verzet aangewezen (zie hiervoor in 5.4.3).

5.4.6

Hetgeen hiervoor in 5.4.5 is overwogen brengt mee dat onderdeel 2.2 niet tot cassatie kan leiden en dat de onderdelen 2.3 en 2.4 falen.

5.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 22 augustus 2017;

wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt het Land in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aruba Bank begroot op € 854,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt het Land in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aruba Bank begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 15 maart 2019.