Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:309

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
17/00030
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:30
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5306, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling door dochter van oudere man, die door verdachte wordt verzorgd, met pannendeksel tegen hoofd te slaan (art. 300.1 Sr), nadat zij in keuken van woning van oudere man door dochter, vriend van dochter en een ander is opgewacht. Noodweer(exces), art. 41 Sr. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. eisen aan “ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding” voor geslaagd beroep op noodweer(exces). Hof heeft vastgesteld dat verdachte bij thuiskomst in woning waar zij verbleef, geheel onverwacht werd geconfronteerd met drie personen, onder wie A (dochter van oudere man) en B (vriend van dochter) en dat sprake was van een overtalsituatie in een kleine ruimte waardoor de bewegingsruimte voor verdachte beperkt was. Voorts heeft Hof vastgesteld dat B probeerde de tas van verdachte uit haar handen te trekken, waardoor een worsteling ontstond waarin verdachte B met een pannendeksel sloeg, B in de vinger van verdachte beet, A probeerde de pannendeksel van verdachte af te pakken en verdachte A met de pannendeksel sloeg. ’s Hofs oordeel dat geen sprake is geweest van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door A vanwege de enkele omstandigheid dat het niet aannemelijk achtte dat verdachte door A is geslagen, is niet z.m. begrijpelijk, gelet op wat Hof heeft vastgesteld omtrent de gang van zaken in de woning en in aanmerking genomen dat door en namens verdachte is aangevoerd dat B en A gezamenlijk op haar afkwamen en dat verdachte vrijwel direct werd aangevallen. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0059
RvdW 2019/327
NBSTRAF 2019/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 maart 2019

Strafkamer

nr. S 17/00030

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 14 december 2016, nummer 23/005095-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1956.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte en is beperkt tot de beslissingen ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Namens de verdachte hebben M. Berndsen en K. Canatan, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer(exces) ten aanzien van [betrokkene 1] .

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

"zij op 27 oktober 2013 te Wormer, gemeente Wormerland, [betrokkene 1] heeft mishandeld door die [betrokkene 1] met de deksel van een pan op het hoofd te slaan."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van aangifte (...) van aangever [betrokkene 1] :

Ik wens aangifte te doen van mishandeling op 27 oktober 2013 te Wormer, gepleegd door een kennis van mijn vader, [verdachte] . Vandaag zijn mijn man [betrokkene 2] en ik naar de woning van mijn vader in Wormer gegaan, omdat wij met [verdachte] wilden praten over de spullen van mijn vader die waren verdwenen. [verdachte] zei ook nu weer dat zij die spullen niet had en niet wist waar ze waren.

Ik voelde dat [verdachte] mij met een deksel van een pan met kracht tegen de linkerzijde van mijn hoofd sloeg. Ik voelde direct pijn op die plaats en ik voelde dat er iets langs mijn hals/nek naar beneden liep. Toen ik met mijn hand voelde zag ik dat er bloed aan mijn hand zat en ik voelde dat het bloed bleef stromen uit die hoofdwond.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 december 2015. (...):

Het klopt dat ik [betrokkene 1] met de deksel van een pan op het hoofd heb geslagen."

2.3.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte aldaar, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

"Cliënte is veroordeeld terwijl zij niet degene was die voor eigen rechter wilde spelen, zij is niet degene die iemand uit huis wilde zetten, zij is niet degene die met geweld begon, zij is niet degene die in overtal was. Zij was een kwetsbare frêle vrouw alleen in een woning die zij als de hare beschouwde toen zij werd opgewacht. (...)

Nietsvermoedend gaat cliënte zoals zo vaak de afgelopen jaren 's avonds naar het huis van [betrokkene 4] in Wormer met [betrokkene 6] , die daar ook woont. Het is donker buiten, het is donker binnen. Alleen de tv staat aan.

Tot [verdachte] verrassing zijn er al drie personen binnen: [betrokkene 1] , haar partner [betrokkene 2] en [getuige] . [betrokkene 2] bevestigt die lezing: "Ze was verrast".

Dat mag ook niet verbazen. Cliënte kwam thuis in de woning van [betrokkene 4] . Ze had een relatie met [betrokkene 4] en verbleef in zijn huis. Dat zij een relatie had blijkt ook uit de overgelegde foto's. Cliënte sliep er vrijwel iedere avond. Dat cliënte daar woonde blijkt ook uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] : ze gingen haar het huis uitzetten, zeggen ze in het proces-verbaal. Als je iemand het huis wil uitzetten impliceert dat dat diegene daar woont. (...)

Cliënte verwachtte dus niemand aan te treffen in de woning. De sfeer is bij thuiskomst onmiddellijk grimmig, zo blijkt uit tal van verklaringen.

"Waar zijn de autosleutels, die willen wij hebben!" zegt [betrokkene 2] , als cliënte vraagt waar ze dit bezoek aan te danken heeft.

En even later zegt [betrokkene 2] volgens cliënte:

"Je kent mij nog niet, ik ga je vermoorden!"

Wat zegt [betrokkene 2] daar zelf over bij de politie? "Ik heb in mijn boosheid dingen gezegd..."

Dat ondersteunt het verhaal van cliënte.

[betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [getuige] hadden een missie.

[betrokkene 1] (...) is daar het meest uitgesproken over.

Ze zag die bewuste ochtend van de 27e [verdachte] in de Mercedes-coupe van [betrokkene 4] rijden. En daar zou [betrokkene 4] nooit toestemming voor hebben gegeven.

"Die dag was voor mij de druppel." Nadat ze naar eigen zeggen al maanden vermoedde dat spullen van haar vader verdwenen door toedoen van [verdachte] . Dat bleek achteraf een verkeerde veronderstelling. Die zaak is geseponeerd. "Die dag was de druppel en heb ik besloten dat het klaar was met [verdachte] ." Zegt [betrokkene 1] dus zelf.

De drie zijn duidelijk over hun bedoelingen in de verklaring. Ze wilden de spullen terug hebben en ze wilden [verdachte] uit het huis zetten. [betrokkene 1] zegt daar zelf over: "...zorgen dat ze niet meer het huis in kon...".

We constateren dat [betrokkene 2] zelf zegt dat hij boos was. [betrokkene 1] was ook geladen, zo blijkt ook overduidelijk uit haar latere verklaringen die nog aan bod komen. De missie is dus niets anders dan eigenrichting, met geweld op de koop toe.

Direct na binnenkomst van [verdachte] gaat het (...) mis.

Als [verdachte] in haar handtas haar mobiele telefoon wil pakken om haar dochter te bellen, grijpen de drie in. Cliënte mag niet bellen. De drie oefenen meteen controle uit over cliënte. "Ik heb haar telefoon afgepakt", verklaart [betrokkene 2] .

Na het belverbod ontstaat meteen een handgemeen.

"Toen heb ik haar handtas beetgepakt", zegt [betrokkene 2] tegen de politie. (...)

Er ontstaat een worsteling om de tas waarbij [verdachte] verklaart dat ze zelf beetgepakt en vastgehouden wordt en een slag in haar gezicht kreeg van [betrokkene 1] .

[betrokkene 2] laat zich bepaald niet onbetuigd: "Ik heb haar wel in haar vinger gebeten."

Getuige [getuige] zegt in zijn verhoor: "Volgens mij had [betrokkene 2] haar vast bij haar armen."

Ook die lezingen komen dus overeen, [betrokkene 2] wil de tas van [verdachte] hardhandig, met geweld, afpakken.

Cliënte voelt zich zeer bedreigd en ziet kans - ze heeft nog een hand vrij - een deksel van een pan te pakken om haar belagers van zich af te slaan.

[betrokkene 2] en [betrokkene 1] verklaren dat ze met het deksel van een pan werden geslagen. Ook dat past allemaal precies.

De aanval wordt geleid door [betrokkene 2] . Een beer van een vent. Dan 110 kilo zwaar, vierkante kop, kortgeknipt haar. En er zijn dan nog twee tegenstanders. Het is
1 tegen 3.

(...)

Vluchten was vrijwel onmogelijk. De ruimte in de keuken bood geen plaats om te ontkomen aan haar drie belagers. De ruimte is al klein, zie de tekeningen en de foto. De ruimte om te bewegen werd al bijna volledig in beslag genomen door de keukentafel en de stoelen. Er waren drie opponenten die in de weg stonden.

(...) Ze kon letterlijk geen kant op.

Het is duidelijk dat cliënte in een zeer benarde positie verkeert en angstige momenten meemaakt.

[verdachte] zegt over de aanval: "Alles ging in een flits". En in die flits neemt ze het besluit. Niet vluchten maar vechten. In het verhoor is ze ook heel duidelijk daarover: "Dat was uit zelfverdediging."

(...)

Er was een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. [betrokkene 1] spreekt zelf over eigenrichting. Er was geen titel om de tas van cliënte op te eisen, daaraan te gaan trekken en er was geen titel om [verdachte] fysiek aan te pakken. Het ging niet alleen om het pakken van de tas, maar ook om het uit de handen trekken van de tas.

Hiermee is de wederrechtelijkheid gegeven. Overigens is het geen vereiste dat het aanrandende gedrag strafbaar is.

U weet dat de aanranding niet tegen lijf en leden gericht hoeft te zijn, maar ook tegen een goed. In dit geval betrof het niet zomaar een goed, maar de handtas van cliënte, met daarin haar meest dierbare en belangrijke spullen.

(...)

Ogenblikkelijk was het zeker: meteen na binnenkomst in het huis in Wormer gaat het mis. Als [verdachte] niet voldoet aan een bevel haar tas af te geven maar haar mobiel uit de handtas wil pakken, ontstaat de schermutseling.

"Het ging allemaal in een flits", zegt [verdachte] . Er was geen uitvoerige discussie of lang beraad. [verdachte] werd vrijwel direct aangevallen.

(...) Uit de feiten blijkt duidelijk wie de aanvallende partij was en wie de verdedigende. Cliënte beschermde haar tas met daarin haar spullen.

Vervolgens werd ze vastgegrepen. Onmiddellijk moest ze van zich afslaan om haar belagers op afstand te krijgen.

Was de verdediging noodzakelijk? Ja, cliënte was op zichzelf aangewezen. Ze kon haar dochter niet meer bellen, de politie zeker ook niet.

Ze kon in de krappe en besloten ruimte van de keuken (de situatietekeningen zijn wat dat betreft heel duidelijk) niet vluchten: zich niet onttrekken aan de hele situatie. Ze had reden om te vrezen voor haar leven. "Je kent mij nog niet, ik ga je vermoorden", hoorde cliënte [betrokkene 2] dreigen.

Onder die omstandigheden mag aangenomen worden dat haar zelfverdediging noodzakelijk was.

In de in een split second gemaakte keuze tussen vluchten of vechten is de keuze voor de laatste optie een alleszins begrijpelijke. Er was simpelweg geen reëel alternatief.

(...) De keuze voor een deksel van een pan is niet buitenproportioneel. Een deksel lijkt een prima middel om je te verdedigen, een deksel is niet meteen het meest gevaarlijke aanvalswapen dat in een keuken voorhanden is.

Daarbij verdient opmerking dat het deksel het eerste middel is dat cliënte kon grijpen met haar nog vrije hand. Cliënte had geen bedenktijd. (...)

De verdediging is tegen alle aanvallers gericht geweest. De verdediging tegen [betrokkene 2] lijkt me sowieso erg duidelijk, omdat [betrokkene 2] cliënte aanviel en haar tas pakte. Hoe zit het met [betrokkene 1] ? Zij geeft aan dat zij slechts partijen uit elkaar wilde halen. (...) Hoe was het vanuit het perspectief van cliënte?

Cliënte zag [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op zich afkomen. In geval betoogd wordt dat alleen [betrokkene 2] de aanval inzette waartegen cliënte zich moest verdedigen, heeft cliënte dat onderscheid toen niet kunnen en hoeven maken, letterlijk in het heetst van de strijd. Het handgemeen vond in een flits plaats. De aanvallers waren boos, cliënte was in een hevige gemoedsbeweging. Uit de tekeningen blijkt ook dat [betrokkene 1] naar het gevecht toe ging.

Ook uit het feit dat zij geraakt werd door de deksel, terwijl cliënte niet verplaatst is, volgt dat zij in de directe nabijheid van het gevecht was.

(...)

Naar het oordeel van de verdediging kan met recht een beroep worden gedaan op noodweer. (...)

Voor zover voor het slaan van [betrokkene 1] geen noodweer aanvaard wordt, doet de verdediging expliciet een beroep op noodweerexces.

Dan is cliënte verder gegaan als noodzakelijk, maar is dit veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt werd door angst."

2.4.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"De verdachte verzorgde in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten de vader van [betrokkene 1] , genaamd [betrokkene 4] , alsmede diens huisgenoot [betrokkene 5] . Zij verbleef in de woning van [betrokkene 4] aan de [a-straat 1] te Wormer en had de beschikking over de sleutel daarvan. Op 27 oktober 2013 rond 20.00 uur kwam de verdachte met [betrokkene 5] aan bij het huis van [betrokkene 4] . Op dat moment was [betrokkene 4] zelf niet aanwezig, hij verbleef in het ziekenhuis. De woning was donker. De verdachte betrad de woning, deed het licht aan in de keuken en trof daar, geheel onverwacht, [betrokkene 1] , alsmede haar vriend [betrokkene 2] en [getuige] (een vriend van [betrokkene 4] ) aan. In de tamelijk kleine keuken was de bewegingsruimte voor de verdachte daardoor beperkt. De verdachte werd verzocht de goederen van [betrokkene 4] die zij in haar handtas droeg, af te geven. Toen de verdachte dat weigerde, heeft [betrokkene 2] geprobeerd de tas uit haar handen te trekken. Tijdens de worsteling die daarop volgde, heeft de verdachte een deksel van een pan gepakt en daarmee [betrokkene 2] op het hoofd geslagen. [betrokkene 2] heeft de verdachte daarna in de vinger gebeten. Toen [betrokkene 1] probeerde het deksel van de verdachte af te pakken, werd ook zij daarmee geslagen. Als gevolg van een en ander liepen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] een bloedende hoofdwond op en de verdachte een bloedende wond aan haar vinger. Hierna bedaarden de gemoederen en arriveerde de inmiddels gealarmeerde politie.

Het hof is van oordeel dat op grond van het vorenstaande aannemelijk is geworden dat de verdachte zich bevond in een situatie waarin zij zich mocht verdedigen tegen [betrokkene 2] , die op haar tas uit was. Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte dat heeft gedaan met inachtneming van de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, waarbij het hof in aanmerking neemt dat sprake was van een overtalsituatie in een kleine ruimte en de verdachte een kleine vrouw is, die zich geconfronteerd zag met een aanzienlijk grotere en jongere man dan zijzelf.

Dit brengt mee dat het beroep op noodweer slaagt, voor zover dat ziet op de verdediging tegen [betrokkene 2] zodat de gedraging van de verdachte jegens [betrokkene 2] niet wederrechtelijk was en de verdachte van de aan haar onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de mishandeling van [betrokkene 1] geldt het navolgende. De verdachte heeft gesteld dat zij door [betrokkene 1] is geslagen en dat zij zich daarom moest en mocht verdedigen. Haar lezing van de feiten wordt echter op geen enkele wijze ondersteund, zodat het hof niet aannemelijk acht dat de verdachte zodanig is benaderd door [betrokkene 1] dat ook hier sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het beroep op noodweer ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde faalt derhalve.

(...)

Nu het hof het niet aannemelijk acht dat sprake was van een ogenblikkelijke wederechtelijke aanranding door
[betrokkene 1] , faalt reeds om deze reden het beroep op noodweerexces."

2.5.

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr. Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van de aanranding van een "lijf" indien de bewegingsvrijheid wederrechtelijk wordt beperkt. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.)

2.6.1.

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte bij thuiskomst in de woning waar zij verbleef, geheel onverwacht werd geconfronteerd met drie personen, onder wie [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en dat sprake was van een overtalsituatie in een kleine ruimte waardoor de bewegingsruimte voor de verdachte beperkt was. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat [betrokkene 2] probeerde de tas van de verdachte uit haar handen te trekken, waardoor een worsteling ontstond waarin de verdachte [betrokkene 2] met een pannendeksel sloeg, [betrokkene 2] in de vinger van de verdachte beet, [betrokkene 1] probeerde de pannendeksel van de verdachte af te pakken en de verdachte [betrokkene 1] met de pannendeksel sloeg.

2.6.2.

Het oordeel van het Hof dat geen sprake is geweest van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] vanwege de enkele omstandigheid dat het niet aannemelijk achtte dat de verdachte door [betrokkene 1] is geslagen, is niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat het Hof heeft vastgesteld omtrent de gang van zaken in de woning en in aanmerking genomen dat door en namens de verdachte is aangevoerd dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] gezamenlijk op haar afkwamen en dat de verdachte vrijwel direct werd aangevallen.

2.7.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier
E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2019.