Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:304

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
17/00047
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1357
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal met geweld in woning, art. 312.1 Sr. Beroep op noodweer door verdachte nadat bewoners bij aanhouding verdachte jegens hem geweld hebben gebruikt, art. 41 Sr. Wederrechtelijkheid aanranding bij “burgeraanhouding”? O.g.v. art. 53 Sv is het een burger toegestaan om tot aanhouding over te gaan, mits sprake is van een geval van ontdekking op heterdaad en de aanhouding tot doel heeft verdachte onverwijld over te dragen aan een opsporingsambtenaar. In het geval van een dergelijke 'burgeraanhouding' mogen die handelingen worden verricht die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk zijn om verdachte onder controle te krijgen, waar nodig met gepaste dwang of geweld, teneinde hem (onverwijld) te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. De vraag welke handelingen in het geval van een dergelijke “burgeraanhouding” mogen worden verricht teneinde verdachte onder controle te krijgen en hem te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar dient te worden beantwoord aan de hand van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van de ene persoon mag in dit verband op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander, waarbij de proportionaliteitseis ertoe strekt te beoordelen of het optreden niet in onredelijke verhouding staat tot het te bereiken doel. Hof heeft vastgesteld dat verdachte op heterdaad is betrapt op een poging tot diefstal toen hij was binnengedrongen in de slaapkamer van de woning van aangevers en dat hij tot tweemaal toe op zijn vlucht gericht geweld heeft gepleegd, eerst tegen aangeefster en vervolgens tegen aangever. Hof heeft voorts vastgesteld dat de handelingen van aangevers jegens verdachte hebben bestaan uit het dicht duwen van een deur, waarbij de voet van verdachte klem kwam te zitten, het tegengehouden en stevig vastpakken, het tegen een auto aanduwen en het - toen het vermoeden bestond dat verdachte beschikking had over een mes - stevig bij de nek of keel en shirt pakken van verdachte. Ten slotte heeft Hof vastgesteld dat verdachte zich los heeft kunnen maken, naar zijn auto is gerend en is weggereden. ‘s Hofs op die vaststellingen gebaseerde oordeel dat het i.h.k.v. de “burgeraanhouding” door aangevers tegen verdachte toegepaste geweld niet disproportioneel was en dat geen sprake was van een ogenblikkelijke “wederrechtelijke” aanranding door aangevers van verdachte, zodat aan verdachte geen beroep op noodweer toekomt, getuigt, gelet op het vooropgestelde, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 maart 2019

Strafkamer

nr. S 17/00047

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 december 2016, nummer 22/001960-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

2.2.1.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank gedeeltelijk en met aanvulling van gronden bevestigd. In dat vonnis is, voor zover in cassatie van belang, ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 29 mei 2015 te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , zich naar de woning van die [betrokkene 1] en [betrokkene 3] heeft begeven en (vervolgens) zonder toestemming die woning heeft betreden en (vervolgens) zich naar de slaapkamer in die woning heeft begeven (alwaar de kluis in die woning staat), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld bestond uit het duwen tegen het lichaam van die [betrokkene 1] en slaan/stompen in het gezicht van die [betrokkene 1] en het hardhandig beetpakken van het lichaam van die [betrokkene 3] en het (hardhandig) duwen/(open)slaan van een deur tegen het lichaam van die [betrokkene 3] ."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in het bevestigde vonnis opgenomen bewijsvoering:

"Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij, nadat hij betrapt was bij een poging tot diefstal, geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . Zij hebben hier beide een verklaring over afgelegd, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. Daarnaast heeft [getuige] een getuigenverklaring afgelegd.

De verklaringen van de aangevers en de getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij op 29 mei 2015 de woning van haar en haar man te Woubrugge binnenliep en zag dat de deur van de bijkeuken naar de gang richting de woonkamer open was, terwijl deze normaal op slot hoort te zitten. Zij liep via de keuken en de woonkamer naar de deur die leidt naar de gang waaraan de slaapkamer en het kantoor zijn gelegen. Op het moment dat zij deze deur opende, hoorde zij een piepend geluid. Zij herkende dit geluid direct als het geluid van de drempel van de inloopkast in hun slaapkamer. Deze drempel maakt een specifiek piepend geluid. Zij liep hierop direct naar de slaapkamer en toen zij daar aankwam, botste zij in de deuropening bijna tegen een man. Zij ging er gelijk vanuit dat hij spullen van hen had gestolen en zei dat zij de spullen terug wilde hebben. De man zette een stap in de gang. Zij wilde niet dat hij er vandoor zou gaan en probeerde hem tegen te houden met haar handen tegen zijn borst. Hij bleef doorlopen richting de woonkamer. Zij bleef achteruit voor hem lopen om tussen hem en de uitgang te blijven staan. Uiteindelijk kwamen zij zo bij de buitendeur uit. Hij moest toen langs haar om naar buiten te gaan. Zij heeft verklaard in elk geval één keer hardhandig door hem te zijn beetgepakt, vermoedelijk bij de buitendeur, omdat hij langs haar moest. Hij deed de deur open en wilde naar buiten lopen. Hierop heeft zij hard de deur dichtgedaan, waardoor de man met zijn voet tussen de deur bleef zitten. Zij bleef hierop tegen de deur aan duwen. De man duwde vervolgens hard tegen de deur, waardoor de deur hard tegen haar aan kwam. Zij kon de deur niet meer tegenhouden, waardoor de man weg kon komen.

Buiten op het erf werd de verdachte tegengehouden door [betrokkene 1] . Hij heeft verklaard dat hij op 29 mei 2015 werkzaam was op het erf en op een gegeven moment geluiden hoorde. Hij keek in de richting van de voordeur en zag toen dat zijn vrouw met een onbekende man in gesprek was en dat zij de man met haar beide handen aan het duwen was.

Toen hij dichterbij was, hoorde hij haar zeggen: "Jij was bij ons binnen jij was in onze slaapkamer". Op dat moment is hij tussen hen in gaan staan en heeft hij de man weggeduwd. Toen het hem duidelijk werd dat het om een inbreker ging, heeft hij tegen de man gezegd: "Jij blijft hier". Hij duwde de man meer het erf op, richting zijn auto die op het erf geparkeerd stond. Hij wilde de man op het erf laten om hem aan de politie over te dragen. Toen hij de man in de richting van de auto duwde, probeerde de man hem een paar keer opzij te duwen. Uiteindelijk stond de man met zijn rug tegen de spiegel van de auto aan. Omdat hij vermoedde dat de aangever een mes in zijn handen had, sloeg hij dit uit zijn handen, waarop het op de grond viel. Toen probeerde de man zich weg te draaien en bij hem weg te gaan. Hierop heeft hij de man met zijn rechterhand met kracht bij zijn nek of keel gepakt. Hij deed dit met alle kracht die hij had, want hij wilde de man niet weg laten gaan, aldus de aangever. Met zijn linkerhand had hij de man ter hoogte van zijn borst vast, waardoor de blouse van de man kapot ging. Op een gegeven moment haalde de man zijn rechterhand van zijn keel af en kreeg de aangever een stoot in zijn gezicht. Hierop maakte de man van de gelegenheid gebruik om zich los te maken en weg te rennen naar zijn auto, waarop de man is weggereden.

[getuige] heeft verklaard dat zij bij de deur van de woning strubbelingen zag tussen haar zus (aangeefster [betrokkene 3] ) en een onbekende man. Beiden stonden te duwen en te trekken aan de deur. De man wilde weg, maar zat met zijn voet nog tussen de deur. Haar zus schreeuwde: "hij zat in mijn slaapkamer, hij zat in mijn kluis". Toen kwam die man los van de deur en pakte haar zwager (aangever [betrokkene 1] ) de man bij zijn schouders. Hij duwde de man tegen hun auto. Zij zag dat de man weg wilde gaan en weerstand bood. Hij wilde zich losmaken door de handen van haar zwager weg te duwen en wegloopbewegingen te maken. Hij probeerde zich los te trekken. Zij zag dat de blouse van de man scheurde. Zij zag dat de man tegen haar zwager bleef duwen en constant zijn lichaam in de richting van het bruggetje bracht, waar zijn auto stond. Haar zwager zei steeds: "Jij blijft hier en de politie komt". Zij heeft haar zwager niet zien slaan of schoppen. Zij zag opeens dat de man was losgekomen en in zijn auto stapte en wegreed.

Overige bevindingen

In de slaapkamer en de computerkamer van de woning van de aangevers zijn schoenzoolsporen aangetroffen en veiliggesteld. Deze sporen zijn vergeleken met de schoenen die de verdachte droeg op het moment van zijn aanhouding (merk Antony Morato, maat 41). De sporen komen overeen met deze schoenen. Er kan niet met honderd procent zekerheid gesteld worden dat het hier om sporen van specifiek dit stel schoenen gaat. Volgens de aangevers heeft niemand die normaal in de slaap- of computerkamer komt schoenen van het merk Antony Morato of maat 41.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij op 29 mei 2015 de betreffende woning is binnengegaan en 'volk, volk' heeft geroepen. Hij was daar om hondenvoer te verkopen. Hij was in een halletje, stapte de woning in en keek in de keuken. Toen stond er ineens een vrouw achter hem. Zij begon hem te krabben en schreeuwde: "mijn kluis, mijn kluis". Hij liet de inhoud van zijn zakken zien en zei tegen haar: "Ik heb niks, ik heb niks, ik kom u wat aanbieden". Zij sloeg hem toen een tand door zijn lip. Hierop is hij gelijk het huis uit gegaan. Zij trok nog aan zijn arm, maar hij heeft zich losgetrokken en is doorgelopen. Buiten kwam er een man en nog iemand. Die begon hem te slaan en te duwen. Hij werd hierdoor duizelig. Hij zag iets in de hand van die man. Hij voelde dat die man hem op zijn linkerhand sneed, waardoor het begon te bloeden. Hij heeft dat ding van die man afgepakt. Hij heeft zich toen losgerukt waarbij hij de man misschien heeft geraakt en is toen weggerend, is in zijn auto gestapt en weggereden.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de verklaringen van aangevers blijkt dat de verdachte in de slaapkamer van de aangevers is geweest. De aangeefster heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris consistent en gedetailleerd verklaard over het specifieke geluid dat zij hoorde en dat afkomstig was van de drempel in de kast in de slaapkamer. De aangever heeft bevestigd dat je dit specifieke geluid hoort wanneer je op deze drempel stapt. De rechtbank ziet - mede gelet op de aangetroffen schoensporen in de slaapkamer en de computerkamer - geen enkele aanleiding te twijfelen aan deze verklaringen. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij slechts in de (bij)keuken zou zijn geweest niet aannemelijk. De aanwezigheid van de verdachte in de slaapkamer van aangevers kan tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte kennelijk op zoek was naar goederen van zijn gading in de woning van aangevers. Hierbij werd hij evenwel door de thuiskomst van aangeefster gestoord.

Met betrekking tot het door de verdachte uitgeoefende geweld overweegt de rechtbank als volgt. Het handelen van de aangeefster en de aangever was er op gericht om te voorkomen dat de verdachte weg zou gaan. Dit is hem meerdere malen gezegd. De verdachte heeft op geen enkel moment aangegeven te zullen blijven wachten op de politie en zijn handelen was erop gericht om weg te komen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte het geweld tegen de aangeefster en de aangever heeft gepleegd met het 'oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken'.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van de ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld."

2.2.3.

Het Hof heeft, door het vonnis van de Rechtbank in zoverre te bevestigen, het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:

"4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1

Noodweer?

4.1.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft subsidiair ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, nu hem een gerechtvaardigd beroep op noodweer toe zou komen. De verdachte heeft zich op gepaste wijze verweerd tegen de overschrijding van de bevoegdheid van de aangevers om hem met proportioneel geweld aan te houden. Hiertoe heeft hij de deur geopend om zijn voet te bevrijden, heeft hij getracht weg te stappen van de aangever
[betrokkene 1] en heeft hij zich uiteindelijk bevrijd uit diens wurggreep.

4.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer niet slaagt. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte heeft geprobeerd weg te komen nadat hij in de woning van de aangevers op heterdaad was betrapt en dat hij daarbij geweld heeft gebruikt.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lichaam of goed, waartegen verdediging noodzakelijk was.

Op grond van artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering is ieder bevoegd een verdachte op heterdaad aan te houden. Het aanhouden van een verdachte impliceert vrijheidsbeneming en hierbij mag enig fysiek geweld gebruikt worden. Hierbij vervullen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol.

De rechtbank overweegt in het licht van het voorgaande als volgt.

De verdachte heeft tweemaal geweld gepleegd, gericht op zijn vlucht: eerst tegen de aangeefster en vervolgens tegen de aangever. Nu de verdachte op heterdaad werd betrapt in de woning van de aangevers waren zij bevoegd de verdachte aan te houden. Door hem te beletten om weg te gaan en tegen hem te zeggen dat hij moest wachten op de politie, hebben zij naar het oordeel van de rechtbank tot uiting gebracht dat zij de verdachte hadden aangehouden. Dit moet eveneens voor de verdachte duidelijk zijn geweest.

Om te voorkomen dat de verdachte zou ontkomen heeft de aangeefster op een gegeven moment geprobeerd de deur dicht te duwen. Dit is een handeling die past binnen de wettelijke bevoegdheid bij een aanhouding op heterdaad. Dat de voet van de verdachte hierbij klem kwam te zitten, doet hier niets aan af. Vervolgens heeft de verdachte de deur hard open geduwd, waarbij de deur tegen de aangeefster aankwam. Naar het oordeel van de rechtbank komt de verdachte hierbij geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toe, nu het handelen van de aangeefster niet wederrechtelijk was.

Buiten werd de verdachte door de aangever tegengehouden en stevig vastgepakt. Dit was er opnieuw op gericht om te voorkomen dat de verdachte weg zou gaan. Dit heeft de aangever meerdere malen tegen de verdachte gezegd. De verdachte werd ook tegen de auto van de aangevers geduwd. Op het moment dat de aangever vermoedde dat de verdachte een mes had (er is een zakmes op de grond gevallen) heeft de aangever de verdachte stevig bij zijn nek of keel en zijn shirt gepakt. De verdachte bleef zich verzetten en heeft zich uiteindelijk weten los te rukken, waarbij hij de aangever in het gezicht sloeg.

De rechtbank is van oordeel dat ook de handelingen van de aangever passen binnen de wettelijke bevoegdheden bij een aanhouding op heterdaad. De verdachte heeft op geen enkel moment aangegeven of kenbaar gemaakt dat hij vrijwillig zou blijven wachten tot de politie ter plaatse zou komen. Ook overigens is uit niets gebleken dat de verdachte heeft willen wachten totdat de politie aanwezig zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de aangever onder deze omstandigheden gerechtvaardigd enig gepast geweld uitgeoefend om de verdachte ter plaatse te houden totdat de politie kwam.

Er is door de aangevers geen geweld gepleegd om als 'eigen rechter' op te treden.

De rechtbank is van oordeel dat de aangevers geen disproportioneel geweld hebben gebruikt. Dit alles maakt dat verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging."

2.3.

Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt nu geen sprake was van een ogenblikkelijke, 'wederrechtelijke' aanranding zoals bedoeld in art. 41, eerste lid, Sr van de verdachte door de aangevers. Het middel voert daartoe onder meer aan dat sprake is geweest van een 'burgeraanhouding' waarbij disproportioneel geweld tegen de verdachte is toegepast en dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de toepassing van dit geweld, gelet op art. 53 Sv, geen ogenblikkelijke, 'wederrechtelijke' aanranding opleverde.

2.4.1.

Art. 53 Sv luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt:

"1. In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.

2. In zoodanig geval is de officier van justitie of de hulpofficier bevoegd den verdachte, na aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.

3. Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid.

4. Geschiedt de aanhouding door een ander, dan levert deze den aangehoudene onverwijld aan een opsporingsambtenaar over, onder afgifte aan deze van mogelijk in beslag genomen voorwerpen, die dan handelt overeenkomstig de bepalingen van het voorgaande lid en, zo nodig, artikel 156."

2.4.2.

Art. 41, eerste lid, Sr luidt:

"Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding."

2.5.

Op grond van art. 53 Sv is het een burger toegestaan om tot aanhouding over te gaan, mits sprake is van een geval van ontdekking op heterdaad en de aanhouding tot doel heeft de verdachte onverwijld over te dragen aan een opsporingsambtenaar. In het geval van een dergelijke 'burgeraanhouding' mogen die handelingen worden verricht die in de gegeven omstandigheden noodzakelijk zijn om de verdachte onder controle te krijgen, waar nodig met gepaste dwang of geweld, teneinde hem (onverwijld) te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar. De vraag welke handelingen in het geval van een dergelijke 'burgeraanhouding' mogen worden verricht teneinde de verdachte onder controle te krijgen en hem te kunnen overdragen aan een opsporingsambtenaar dient te worden beantwoord aan de hand van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van de ene persoon mag in dit verband op grond van zijn hoedanigheid of bijzondere vaardigheden meer worden gevergd op het vlak van de proportionaliteit dan van een ander, waarbij de proportionaliteitseis ertoe strekt te beoordelen of het optreden niet in onredelijke verhouding staat tot het te bereiken doel.

2.6.

Blijkens de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte op heterdaad is betrapt op een poging tot diefstal toen hij was binnengedrongen in de slaapkamer van de woning van de aangevers en dat hij tot tweemaal toe op zijn vlucht gericht geweld heeft gepleegd, eerst tegen de aangeefster en vervolgens tegen de aangever. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de handelingen van de aangevers jegens de verdachte hebben bestaan uit het dicht duwen van een deur, waarbij de voet van de verdachte klem kwam te zitten, het tegengehouden en stevig vastpakken, het tegen een auto aanduwen en het - toen het vermoeden bestond dat de verdachte de beschikking had over een mes - stevig bij de nek of keel en shirt pakken van de verdachte. Ten slotte heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte zich los heeft kunnen maken, naar zijn auto is gerend en is weggereden.

Het op die vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat het in het kader van de 'burgeraanhouding' door de aangevers tegen de verdachte toegepaste geweld niet disproportioneel was en dat geen sprake was van een ogenblikkelijke 'wederrechtelijke' aanranding door de aangevers van de verdachte, zodat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, getuigt, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

2.7.

Het middel faalt in zoverre.

3 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van tien maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en twee weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2019.