Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:273

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
18/02659
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:2790, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1509, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Verknochtheid van aanspraak op ontslagvergoeding voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen na ontbinding huwelijksgemeenschap (zie HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0057
NJB 2019/484
RvdW 2019/294
JIN 2019/63 met annotatie van Peeters, M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 februari 2019

Eerste Kamer

18/02659

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man] ,
wonende te [woonplaats] , Maleisië,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen,

t e g e n

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikkingen in de zaken C/16/395179/FL RK 15‑1332 en C/16/407283/FL RK 16-8 van de rechtbank Midden-Nederland van 17 februari 2016 en 21 december 2016 alsmede de beschikking van 11 mei 2017 waarbij de beschikking van 21 december 2016 is verbeterd;

b. de beschikking in de zaak 200.210.134/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2018.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2018 en tot afdoening op de in de conclusie in 2.16 beschreven wijze.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) Partijen zijn op 7 september 1995 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

(ii) De man heeft op 31 maart 2015 een vaststellingsovereenkomst met zijn toenmalige werkgever T-Systems Nederland B.V. gesloten, op grond waarvan zijn arbeidsovereenkomst per 1 juli 2015 met wederzijds goedvinden werd beëindigd. De vaststellingsovereenkomst houdt onder meer in:

“Werkgever zal [de man] in het kader van de beëindiging van het dienstverband per 1 juli 2015 een beëindigingsvergoeding betalen van € 169.694,84 bruto als tegemoetkoming voor de in de toekomst te derven inkomsten. Er bestaat geen aanspraak op enige andere compensatie.”

(iii) Op 25 juni 2015 heeft de man zich gewend tot de rechtbank met het verzoek om tussen partijen echtscheiding uit te spreken.

(iv) Aan de man is op grond van de vaststellingsovereenkomst op 30 juni 2015 een bedrag van € 10.000,-- uitbetaald, op 13 juli 2015 een bedrag van € 5.000,-- en op 17 juli 2015 een bedrag van € 66.453,53.

( v) De man is op 30 juli 2015 in dienst getreden bij een nieuwe werkgever.

(vi) De rechtbank heeft tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 mei 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1

De rechtbank heeft in haar eindbeschikking de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast.

3.2.2

Het hof heeft de eindbeschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en bepaald, voor zover in cassatie van belang, dat de man een bedrag van € 38.941,37 aan de vrouw dient te voldoen ter zake van de door hem van T-Systems Nederland B.V. ontvangen beëindigingsvergoeding. Het hof heeft met betrekking tot de vraag of (de aanspraak op) de beëindigingsvergoeding aan de man verknocht is, als volgt overwogen:

“5.18 Het hof stelt voorop dat voor het, op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW, maken van een uitzondering op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat, slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is. In een geval zoals de onderhavige waarin het gaat om een schadeloosstelling aan een werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is geen sprake van een zodanig uitzonderlijk geval (vgl. HR 22 maart 1996, NJ 1996/640). Echter, nu het dienstverband van de man bij T-Systems per 1 juli 2015 is geëindigd en hij pas op 30 juli 2015 bij zijn huidige werkgever in Maleisië in dienst is getreden (…), staat vast dat de beëindigingsvergoeding gedeeltelijk de strekking heeft (gehad) van een inkomenssuppletie ter vervanging van gederfd arbeidsinkomen en wel over de periode van 1 juli 2015 tot 30 juli 2015. Het hof ziet dan ook aanleiding een gedeelte van de beëindigingsvergoeding gelijk aan een netto maandsalaris ter hoogte van het laatstgenoten inkomen bij T-Systems als aan de man verknocht aan te merken.

5.19

Blijkens de salarisspecificatie van T-Systems van juni 2015 (…) bedroeg het netto maandinkomen van de man € 3.570,80. Het hof zal dit bedrag in mindering brengen op het totaalbedrag dat de man als beëindigingsvergoeding heeft ontvangen. Uit de stukken (…) blijkt dat er door T-Systems Nederland B.V. in totaal een bedrag van € 81.453,53 aan de man is uitgekeerd (…). Derhalve resteert er een bedrag van € 77.882,73 (…) dat - conform het wettelijk uitgangspunt - bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld. Dit brengt met zich dat de man aan de vrouw ter zake van de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding van T-Systems Nederland B.V. een bedrag van € 38.941,37 dient te betalen.”

3.3.1

Onderdeel I van het middel klaagt, samengevat weergegeven, dat het hof heeft miskend dat een ontslagvergoeding in de vorm van een aanspraak op een bedrag ineens verknocht kan zijn in de zin van art. 1:94 lid 3 (oud) BW, indien zij strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van het dienstverband zou hebben genoten. Voorts heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat voor zover de aanspraak ziet op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, zij niet in de huwelijksgemeenschap valt. Nu de aanspraak op de beëindigingsvergoeding, naar de man in feitelijke instanties onweersproken heeft aangevoerd, strekte tot vervanging van inkomen uit arbeid in de periode na 1 juli 2015, is het oordeel van het hof dat de ontslagvergoeding tot een bedrag van € 77.882,73 in de gemeenschap is gevallen, onjuist althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

3.3.2

In HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270 is, voor zover hier van belang, geoordeeld dat een (aanspraak op een) ontslagvergoeding die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten, niet in de gemeenschap valt voor zover deze ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap, en dat dit ook geldt indien een ontslagvergoeding die is uitbetaald in de vorm van een bedrag ineens, niet is aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering, noch is ondergebracht in een stamrecht-B.V.

3.3.3

Onderdeel I slaagt. De man heeft onweersproken gesteld dat de aanspraak op de beëindigingsvergoeding strekte tot vervanging van inkomen uit arbeid van de man in de periode vanaf 1 juli 2015. Nu de huwelijksgemeenschap tussen partijen door de indiening van het (later ingewilligde) verzoek tot echtscheiding op grond van art. 1:99 lid 1 onder b BW op 25 juni 2015 werd ontbonden, strekte de aanspraak op de beëindigingsvergoeding geheel tot vervanging van inkomen uit arbeid in de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Daarmee valt de aanspraak op de beëindigingsvergoeding buiten de huwelijksgemeenschap.

3.4

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door te beslissen als hierna te vermelden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2018, maar uitsluitend voor zover het hof daarin heeft bepaald dat de man een bedrag van € 38.941,37 aan de vrouw dient te voldoen ter zake van de door hem ontvangen beëindigingsvergoeding van T-Systems Nederland B.V.;

wijst het verzoek van de vrouw ter zake van de beëindigingsvergoeding van T‑Systems Nederland B.V. af.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 22 februari 2019.