Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:258

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/03197
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:77
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:161
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Grootschalige internetoplichting door op (daartoe ontworpen) websites goederen te koop aan te bieden en betalingen in ontvangst te nemen maar niet te leveren (art. 326.1 Sr) en witwassen van geldbedragen (art. 420bis.1.b Sr). Afwijzing verzoek getuigen te horen over traject van vreemdelingrechtelijke uitzetting van internationaal gesignaleerde verdachte vanuit Venezuela naar Curaçao waarbij volgens verdediging aanwijzingen bestaan dat sprake was van verkapte uitlevering op initiatief van OM en d.m.v. samenwerking met Venezolaanse autoriteiten. HR: art. 81.1 RO. CAG gaat in op verhouding tussen uitzetting en (verkapte) uitlevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2019

Strafkamer

nr. S 17/03197

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 januari 2017, nummer 23/004539-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 38 maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 36 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019.