Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:251

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/05073
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1506
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden onder invloed, art. 8 WVW 1994. Kan wens verdachte tot uitstel onherroepelijk worden van uitspraak in e.a. worden aangemerkt als ‘grief’ of ‘bezwaar’ tegen het vonnis? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:2002 inhoudende dat onder ‘grieven’ a.b.i. art. 410.1 Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in e.a. als andersoortige gronden voor instellen van het beroep kunnen vallen. Dit geldt ook voor de in art. 416.1 en 416.2 Sv genoemde mondelinge ‘bezwaren tegen het vonnis’. Als het indienen van een 'grief' of het opgeven van een 'bezwaar' kan echter niet worden aangemerkt de enkele omstandigheid dat namens verdachte is aangevoerd dat hij het wenselijk vindt dat het tijdstip waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden, wordt uitgesteld a.g.v. het ingestelde h.b. In ’s Hofs overweging ligt als zijn oordeel besloten dat geen sprake is van ‘grieven’ dan wel 'bezwaren' a.b.i. art. 410 resp. 416 Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR neemt hierbij in aanmerking dat raadsman ttz. in h.b. te kennen heeft gegeven dat er geen bezwaren zijn tegen het vonnis in e.a., dat hij graag zou zien dat het vonnis wordt 'bekrachtigd' en dat grond voor h.b. alleen is om uitstel te bewerkstelligen van de dag waarop uitspraak in strafzaak onherroepelijk zal worden. Volgt verwerping. CAG: art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0023
NJB 2019/487
NBSTRAF 2019/81
NJ 2019/122 met annotatie van T. Kooijmans
RvdW 2019/309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2019

Strafkamer

nr. S 17/05073

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 september 2017, nummer 23/000639-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op de voet van art. 80a RO.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

2.2.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De raadsman van de verdachte, die namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, wordt in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren van de verdachte tegen het vonnis op te geven. Hij merkt het volgende op:

Het belang van het hoger beroep is heel beperkt. Cliënt is voor de tweede keer in vijf jaren aangehouden voor rijden onder invloed. Dat brengt mee dat, na het onherroepelijk worden van de uitspraak, zijn rijbewijs ongeldig zal zijn. In dat geval moet hij opnieuw rijexamen afleggen en daarom moet hij weer rijlessen nemen. Hij wil dan vlak voor het rijexamen het hoger beroep of het in te stellen beroep in cassatie weer intrekken. Dat is de achtergrond van het hoger beroep. Cliënt zou graag zien dat het vonnis wordt bekrachtigd.

(...)

De oudste raadsheer vraagt de raadsman of hij het goed begrijpt dat er geen bezwaren zijn tegen het vonnis.

De raadsman merkt het volgende op:

Dat begrijpt u goed.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij voert het volgende aan:

De politierechter heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de ongeldigheid van het rijbewijs. De ongeldigverklaring van het rijbewijs is geen strafrechtelijke sanctie, maar cliënt krijgt wel vroeg of laat te maken met de consequenties. Ik verzoek het vonnis integraal te bekrachtigen."

2.2.2.

Het Hof heeft met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen:

"Door of namens verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting op 11 september 2017 te kennen gegeven dat er geen bezwaren tegen het vonnis zijn, en heeft om die reden verzocht het vonnis in eerste aanleg integraal te bevestigen. Ook de advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis waarvan beroep te bevestigen.

Gelet op het ter terechtzitting van 11 september 2017 naar voren gebrachte standpunt door de raadsman van de verdachte, overwegende dat het streven naar uitstel van de dag waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden niet als een grief tegen het vonnis valt aan te merken en in aanmerking genomen dat ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep."

2.3.1.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

- art. 410, eerste lid, Sv:

"De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. (...)"

- art. 416, eerste en tweede lid, Sv:

"1. (...) Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard."

2.3.2.

In zijn arrest van 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018: 2002 heeft de Hoge Raad overwogen dat onder 'grieven' als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv zowel bezwaren direct gericht tegen het oordeel van de rechter in eerste aanleg als andersoortige gronden voor het instellen van het beroep kunnen vallen. Dit geldt ook voor de in art. 416, eerste en tweede lid, Sv genoemde mondelinge 'bezwaren tegen het vonnis'.

2.3.3.

Als het indienen van een 'grief' of het opgeven van een 'bezwaar' in de hiervoor bedoelde zin kan echter niet worden aangemerkt de enkele omstandigheid dat namens de verdachte is aangevoerd dat hij het wenselijk vindt dat het tijdstip waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden, wordt uitgesteld als gevolg van het ingestelde hoger beroep.

2.4.

In de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overweging van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat in de onderhavige zaak geen sprake is van 'grieven' dan wel 'bezwaren' als bedoeld in art. 410 Sv respectievelijk 416 Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op hetgeen hiervoor voorop is gesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat er geen bezwaren zijn tegen het vonnis in eerste aanleg, dat hij graag zou zien dat het vonnis wordt 'bekrachtigd' en dat grond voor het hoger beroep alleen is om uitstel te bewerkstelligen van de dag waarop de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zal worden.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019.