Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:250

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
17/02677
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:161
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen gewoonteheling van o.a. auto-onderdelen en kentekenbewijzen (art. 47 jo. 417 Sr) en opzetheling van personenauto (art. 416.1.a. Sr). 1. Afwijzing verzoek horen bij appelschriftuur opgegeven getuige die in vooronderzoek verklaring heeft afgelegd en van wie verdediging ttz. schriftelijke verklaring heeft overgelegd. 2. Meer en Vaart-verweer inhoudende dat vermenging van gestolen goederen met persoonlijke spullen van verdachte buiten verdachte om heeft plaatsgevonden. 3. Bewijsklacht medeplegen gewoonteheling. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 februari 2019

Strafkamer

nr. S 17/02677

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 17 mei 2017, nummer 21/002634-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K.A. Krikke, advocaat te Baarn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019.