Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:2039

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2019
Datum publicatie
07-01-2020
Zaaknummer
19/04628
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-01-2020
FutD 2020-0096
NLF 2020/0166 met annotatie van Jeannette van der Vegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

VIERDE KAMER

Nummer 19/04628

Datum 22 november 2019

BESLISSING

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: verzoekster)

betreffende het door verzoekster ingediende verzoek tot wraking van de hierna te noemen leden van de Hoge Raad.

1 De procedure

1.1

Verzoekster heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in de zaak die bij de Belastingkamer van de Hoge Raad is ingeschreven onder het nummer 19/03268. Bij brief van 3 oktober 2019 is aan verzoekster meegedeeld dat op 11 oktober 2019 ter terechtzitting de beslissing in de hiervoor genoemde zaak in het openbaar zal worden uitgesproken. Tevens is daarin meegedeeld dat het arrest zal worden gewezen door de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools.

1.2

Bij op 9 oktober 2019 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift heeft [A], gemachtigde van verzoekster, de wraking verzocht van de hiervoor in 1.1 vermelde leden in de Hoge Raad. Deze leden hebben laten weten niet in de wraking te berusten en geen behoefte te hebben daarover te worden gehoord.

1.3

Ter zitting van de Hoge Raad van 11 november 2019 heeft [A], gemachtigde van verzoekster, het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.

2 Beoordeling van de wrakingsverzoeken

2.1

Ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ingevolge artikel 29 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroep in cassatie in belastingzaken.

2.2

Verzoekster heeft in haar verzoekschrift als grond voor de wraking het volgende aangevoerd. Aanleiding voor het verzoek is een brief van de Hoge Raad van 3 oktober 209, waarin wordt aangekondigd dat op 11 oktober 2019 uitspraak zal worden gedaan in de zaak van verzoekster. Verzoekster meent dat zij daaraan voorafgaand in de gelegenheid had moeten worden gesteld bewijs te leveren van de tijdige verzending van haar beroepschrift. Uit het EVRM en de rechtspraak volgt dat die gelegenheid niet is beperkt tot schriftelijke bewijslevering.

De mededeling dat op 11 oktober 2019 uitspraak zal worden gedaan terwijl (i) geen gelegenheid is geboden voor bewijs door getuigen, (ii) de termijn voor het indienen van de gronden van beroep op die datum niet is verstreken, (iii) de verweerder geen gelegenheid is geboden een verweerschrift in te dienen, en (iv) de zaak niet inhoudelijk is behandeld, is dan ook onbegrijpelijk. De onbegrijpelijke beslissingen en het nalaten van de leden van de Hoge Raad die zijn belast met de behandeling van het cassatieberoep, maakt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

2.3

Voorop dient te worden gesteld dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.4

De door verzoekster genoemde gronden voor wraking zijn met betrekking tot mrs. Wortel, Beukers-van Dooren en Cools niet geconcretiseerd aan de hand van omstandigheden die zien op hun onpartijdigheid. Deze grond kunnen dus – wat daarvan verder zij – niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek.

2.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen.

3 Beslissing

De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer C.E. du Perron op 22 november 2019.