Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1974

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
17/05755
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1344
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging diefstal d.m.v. inklimming in woning (art. 311.1.4 en art. 311.1.5 Sr). 1. Is sprake van “inklimming” in een afgesloten woning door over een schutting de achtertuin te betreden? 2. Begin van uitvoering? 3. en 4. Sprake van gebruik van schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van een persoon wiens identiteit niet blijkt ex art. 344a.3 Sv? HR: art. 81.1 RO. CAG: klimmen over de schutting levert i.c. geen inklimming op die ‘toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft’, maar gelet op overige strafverzwarende omstandigheid en strafmotivering geen belang bij klacht. Samenhang met 17/05952.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/05755

Datum 17 december 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 november 2017, nummer 22/001916-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben N. van der Laan en D. Bektesevic, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2019.