Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1928

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
18/02105
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:2454
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1299
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervoer van 680 hennepstekken, art. 3.B Opiumwet. Vordering tot uitlevering van verdovende middelen, art. 9.3 Opiumwet. Dient vordering van verbalisanten te worden voorafgegaan door cautie, nu verbalisanten daarbij aan verdachte hebben gevraagd of er verdovende middelen in zijn auto aanwezig zijn? Hof heeft vastgesteld dat verbalisanten op achterbank van auto, waarvan verdachte bestuurder was, twee dozen hebben gezien, die met tape waren dichtgemaakt, en door geopende ramen van auto lichte hennepgeur hebben geroken. Eén van de verbalisanten heeft vervolgens tegen verdachte en bijrijder gezegd: “Ik vorder de uitlevering van eventuele aanwezige verdovende middelen. Hebben jullie verdovende middelen bij jullie of zijn er verdovende middelen in het voertuig aanwezig?”. Opvatting dat voorafgaand aan vordering tot uitlevering aan verdachte mededeling had moeten worden gedaan dat hij niet tot antwoorden verplicht is, is onjuist. Een dergelijke vordering heeft immers niet te gelden als vraag naar betrokkenheid bij strafbaar feit (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AB2066). Opvatting dat doen van vordering tot uitlevering niet gepaard mag gaan met - al dan niet in vragende vorm gestelde - toelichting op die vordering, vindt evenmin steun in het recht. ’s Hofs kennelijke oordeel dat door één van de verbalisanten gestelde vraag slechts strekte tot dergelijke toelichting op bevel tot uitlevering, is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0423
NJB 2020/23
NJ 2020/30
RvdW 2020/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02105

Datum 10 december 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 februari 2018, nummer 20/003648-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L. Bien, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de verbalisanten verplicht waren de cautie te verlenen aan de verdachte voorafgaand aan de vordering tot uitlevering van de verdovende middelen.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 19 september 2016 te Brunssum opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van 680 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Het proces-verbaal van bevindingen van 19 september 2016 (pagina 5-6 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

Op 19 september 2016, omstreeks 15.00 uur, zagen wij op de Italiëlaan te Heerlen rijden een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken]. Wij zagen dat het voertuig zijn weg vervolgde in de richting van de Emmaweg te Brunssum. Op de Emmaweg te Brunssum gaven wij het voertuig een stopteken. Ik, verbalisant [verbalisant 2], gaf de bestuurder van het voertuig, [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), een stopteken. Wij zagen dat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand bracht.

Wij zagen op de achterbank van het voertuig een tweetal dozen die met tape waren dichtgemaakt. Wij zagen dat van zowel het bestuurders- als het bijrijdersportier de ramen geopend waren. Wij roken door de geopende ramen een lichte hennepgeur. Ik (het hof begrijpt: een van de verbalisanten) zei tegen beide inzittenden: ‘Ik vorder de uitlevering van eventuele aanwezige verdovende middelen. Hebben jullie verdovende middelen bij jullie of zijn er verdovende middelen in het voertuig aanwezig?’ Wij hoorden dat de bestuurder zei: ‘Ja, op de achterbank staan wat hennepstekjes in de dozen’. Wij namen hierop de dozen in beslag en openden deze. Wij zagen in beide dozen enkele tientallen hennepplantjes (het hof begrijpt in het licht van de hierna onder 3 weer te geven kennisgeving van inbeslagneming: hennepstekken). Wij herkenden de hennepplantjes (het hof begrijpt: hennepstekken) aan de kleur, geur en samenstelling.

(pagina 6)

Hierop werd door mij, verbalisant [verbalisant 2], het voertuig verder doorzocht en daarbij trof ik in de kofferbak van het voertuig een zestal dozen aan, die volledig waren gevuld met hennepplantjes (het hof begrijpt: hennepstekken). De verdachte werd hierop aangehouden.

Wij hoorden dat [verdachte] zei: ‘Alle hennepstekken in de auto zijn van mij’. [verdachte] werd getransporteerd naar het politiebureau te Heerlen. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hoorde dat [verdachte] zei: ‘Ik moest die stekjes even van A naar B brengen. Daar kreeg ik € 150,- euro voor’.

Nadat de verdachte was ingesloten op het politiebureau te Heerlen, werden alle dozen die door ons in het voertuig waren aangetroffen, door ons geopend. Na telling bleken er in de dozen in totaal 680 hennepplantjes (het hof begrijpt: hennepstekken) te zitten.

2. Het proces-verbaal van aanhouding van 19 september 2016 (pagina 9-10 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

Op 19 september 2016, om 15.05 uur, hielden wij op de locatie Spoorstraat, Brunssum, als verdachte aan:

Verdachte

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1985

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

(Het hof begrijpt: de verdachte)

3. De kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL2300-2016173765-5 (pagina 15-16 van het politiedossier), voor zover inhoudende:

Inbeslagneming

Plaats : Spoorstraat, Brunssum

Datum en tijd : 19 september 2016 te 15.05 uur

Beslagene 1

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1985

Geboorteplaats : [geboorteplaats]

(Het hof begrijpt: de verdachte)

Volgnummer 1

Object : Hennepstekken

Aantal : 680 stuks

4. Het proces-verbaal van verhoor van 20 september 2016 (pagina 20 t/m 24 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte:

V: vraag verbalisant

A: antwoord verdachte

(pagina 22)

V: Wat kun jij verklaren over de (het hof begrijpt: op 19 september 2016 aan de Spoorstraat te Brunssum) in de auto aangetroffen verdovende middelen?

A: Alles wat in de auto is gevonden, is van mij.”

2.2.3

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog betoogd dat de verdachte van het hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat bijkomende omstandigheden al snel maken dat het niet meer redelijk is na te laten de betrokkene te wijzen op zijn recht om niet aan de bewijsvoering mee te werken. De verbalisanten hebben de verdachte, voorafgaand aan de vordering tot uitlevering van verdovende middelen, niet de cautie gegeven. Dit levert volgens de raadsman een vormverzuim in de zin van artikel 29 Wetboek van Strafvordering dan wel artikel 6 EVRM op, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt dat het verweer van de raadsman zich kennelijk richt op het zinsdeel uit het proces-verbaal van bevindingen “hebben jullie verdovende middelen bij jullie of zijn er verdovende middelen in het voertuig aanwezig” (politiedossier p. 5). De voornoemde zin uit het proces-verbaal van bevindingen volgt direct op de vordering tot uitlevering. Het hof ziet het voornoemde zinsdeel als een aanvulling c.q. verduidelijking daarop, en niet als een verhoor. Hier hoefde dus geen cautie aan vooraf te gaan. Voor zover de raadsman zich op het standpunt heeft willen stellen dat aan de vordering tot uitlevering als zodanig de cautie vooraf had moeten gaan stelt het hof zich - met de advocaat-generaal - op het standpunt dat de verbalisanten hiertoe niet verplicht waren. Aan de rechtmatigheid van de te dezen gedane vordering tot uitlevering doet niet af dat aan de verdachte niet is medegedeeld dat hij niet verplicht was tot antwoorden. Een bevel tot uitlevering levert niet op een verhoorsituatie als bedoeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. Van een vormverzuim is derhalve geen sprake.

Aldus is geen sprake van een vormverzuim zoals door de raadsman is gesteld.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.”

2.3

Art. 9 Opiumwet luidt, voor zover hier van belang:

“1. De opsporingsambtenaren hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:

a. tot de vervoermiddelen, met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede ingevoerd of vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld in lijst I of II;

(...)

3. Zij zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.”

2.4

Blijkens de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verbalisanten op de achterbank van de auto, waarvan de verdachte de bestuurder was, twee dozen hebben gezien, die met tape waren dichtgemaakt, en door de geopende ramen van de auto een lichte hennepgeur hebben geroken. Eén van de verbalisanten heeft vervolgens tegen de verdachte en de bijrijder gezegd: “Ik vorder de uitlevering van eventuele aanwezige verdovende middelen. Hebben jullie verdovende middelen bij jullie of zijn er verdovende middelen in het voertuig aanwezig?”.

2.5

Voor zover het middel berust op de opvatting dat voorafgaand aan de vordering tot uitlevering aan de verdachte de mededeling had moeten worden gedaan dat hij niet tot antwoorden verplicht is, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Een dergelijke vordering heeft immers niet te gelden als een vraag naar de betrokkenheid bij een strafbaar feit. (Vgl. HR 12 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2066.)
Voor zover het middel berust op de opvatting dat het doen van de vordering tot uitlevering niet gepaard mag gaan met een - al dan niet in vragende vorm gestelde - toelichting op die vordering, vindt het evenmin steun in het recht. Het kennelijke oordeel van het Hof dat de door één van de verbalisanten gestelde vraag slechts strekte tot een dergelijke toelichting van het bevel tot uitlevering, is ook niet onbegrijpelijk.

2.6

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2019.