Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1918

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
18/02425
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1289
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:GHAMS:2018:5102
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging van politieagent, art. 266.1 jo. 267.2 Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in zijn verzet tegen strafbeschikking, nu verzet te laat is gedaan. Kan worden vastgesteld dat strafbeschikking in persoon aan verdachte is uitgereikt, nu geen aantekening is gedaan van uitreiking in landelijke registers? Art. 257d.1 Sv en art. 2.2. Besluit OMafdoening. Hof heeft bij zijn oordeel dat verzet te laat is gedaan betrokken dat strafbeschikking in persoon aan verdachte is uitgereikt a.b.i. art. 257d.1 Sv en dat daarmee op die dag termijn voor doen van verzet is aangevangen. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat p-v’s van politie dezelfde bewijskracht hebben als afzonderlijke aantekening van uitreiking in daarvoor bestemde landelijke registers a.b.i. art. 2.2.1 Besluit OMafdoening (vgl. ECLI:NL:HR:1995:ZC9914), terwijl Hof uit die p-v’s heeft kunnen afleiden, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat aantekening is gehouden van in art. 2.2.2 Besluit OMafdoening vermelde gegevens. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0421
NJB 2020/24
RvdW 2020/73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02425

Datum 10 december 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 14 mei 2018, nummer 23/004655-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel richt zich kennelijk tegen het oordeel van het Hof dat het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk is.

2.2

Ten laste van de verdachte is een strafbeschikking uitgevaardigd houdende een betalingsverplichting van € 300,- ter zake van eenvoudige belediging van een ambtenaar in functie. Tegen die beschikking heeft de verdachte op 22 februari 2016 verzet gedaan. De Politierechter heeft bij vonnis van 16 december 2016 het verzet niet‑ontvankelijk verklaard. Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de strafbeschikking en daartoe het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het verzet tegen de strafbeschikking ontvankelijk dient te worden verklaard, dat dus het vonnis van de politierechter moet worden vernietigd en de zaak terug moet worden gewezen naar de rechtbank Amsterdam. Hij heeft daartoe - kort gezegd - het volgende aangevoerd, onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2017:1437). Niet kan worden vastgesteld dat de strafbeschikking op 9 december 2015 is uitgereikt aan de verdachte in persoon en dat daarmee op die dag de termijn van veertien dagen voor het instellen van verzet is aangevangen. Er zijn geen stukken voorhanden waaruit volgt dat er aantekening heeft plaatsgevonden van de uitreiking van de strafbeschikking in de daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers. Aantekening had moeten worden gedaan door degene die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd, en daarin had in ieder geval de datum, de plaats en het adres van uitreiking en de naam van de verdachte aan wie de beschikking wordt uitgereikt dienen te worden opgenomen. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de verdachte al op 9 december 2015 kennis heeft gekregen van de strafbeschikking van diezelfde datum, zodat niet kan worden vastgesteld dat op 22 februari 2016 de termijn voor het instellen van verzet al was verstreken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 257e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zoals dat ook destijds gold, heeft de verdachte een termijn van veertien dagen voor het doen van verzet, lopend vanaf de dag dat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel anderszins een omstandigheid zich heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte bekend is met de strafbeschikking.

Uit het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte van 9 december 2015 is gebleken dat de verdachte op voornoemde datum om 14.10 uur is aangehouden en is opgehouden voor verhoor. In het ambtsedig proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 10 december 2015 is gerelateerd dat de strafbeschikking op 9 december 2015 om 20.30 uur aan de verdachte [verdachte] is uitgereikt. De verdachte is vervolgens om 20.32 uur heengezonden.

Het hof stelt vast dat het verzet tegen de strafbeschikking op 22 februari 2016 is ingesteld. Gelet op het ambtsedig proces-verbaal gaat het hof ervan uit dat de strafbeschikking op 9 december 2015 aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Dat niet is gerelateerd wie de strafbeschikking heeft uitgereikt doet daar niet aan af. Dat aantekening in de daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers ontbreekt maakt het oordeel van het hof omtrent de uitreiking evenmin anders. De ratio van de wettelijke voorschriften, in onderlinge samenhang gelezen, is dat op toereikende wijze wordt vastgelegd per wanneer de verdachte bekend is met de strafbeschikking of daarmee bekend wordt verondersteld, zodat duidelijk is vanaf wanneer de termijn voor verzet aanvangt.

Voor de verdachte geldt dat hem in persoon op 9 december 2015 de strafbeschikking is uitgereikt en dat de termijn van veertien dagen voor het doen van verzet dus op 9 december 2015 is gaan lopen. De toelichting van de verdachte dat hij denkt bij zijn heenzending niets te hebben ontvangen omdat hij altijd alles meteen naar zijn raadsman brengt, maakt de vaststelling door het hof op grond van het ambtsedig proces-verbaal in dit geval niet anders.

Nu het verzet eerst op 22 februari 2016 is ingesteld, is het hof van oordeel dat de politierechter de verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking.

Nu het vonnis van de politierechter moet worden vernietigd, zal het hof de verdachte niet‑ontvankelijk verklaren in het verzet.”

2.3

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

- een ambtsedig proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Op woensdag 9 december 20.30 uur strafbeschikking uitgereikt aan de verdachte [verdachte].”

- een ambtsedig proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:

“Op woensdag 9 december 2015 te 17:40 uur, hoorde ik op de locatie Van Leijenberghlaan 15, 1082 GC Amsterdam als verdachte: (...).”

2.4

Het toepasselijke juridisch kader is weergegeven in de conclusie van de Advocaat‑Generaal onder 7 tot en met 9.

2.5

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de strafbeschikking op de grond dat het eerst op 22 februari 2016 namens de verdachte gedane verzet tegen de strafbeschikking, te laat is gedaan. Het heeft daarbij betrokken dat (een afschrift van) de strafbeschikking op 9 december 2015 in persoon aan de verdachte is uitgereikt als bedoeld in art. 257d, eerste lid, Sv en dat daarmee op die dag de termijn voor het doen van verzet is aangevangen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat de processen-verbaal van de politie als hiervoor onder 2.3 weergegeven dezelfde bewijskracht hebben als een afzonderlijke aantekening van de uitreiking in de daarvoor bestemde landelijke registers als bedoeld in art. 2.2, eerste lid, van het Besluit OM‑afdoening (vgl. in ander verband HR 10 januari 1995, ECLI:NL:HR: 1995:ZC9914), terwijl het Hof uit die processen-verbaal heeft kunnen afleiden, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat aantekening is gehouden van de in het tweede lid van die bepaling vermelde gegevens.

2.6

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2019.