Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1810

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
19/02296
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:875
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, conservatoir beslag ex art. 94 Sv op een geldbedrag van in totaal € 740,15 onder klager o.g.v. Europees onderzoeksbevel of Europees bevriezingsbevel? De Rb. heeft niet onbegrijpelijk vastgesteld dat het onder klager gelegde beslag is gelegd o.g.v. een Europees bevriezingsbevel. Volgens het in Titel 5 ‘Europees bevriezingsbevel’ opgenomen art. 5.5.6 lid 1 Sv zijn enkele bepalingen uit Titel IX ‘Beklag’ van dat wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaronder is echter uitdrukkelijk niet begrepen art. 552.2 Sv. Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat, kan de klager in het ingestelde beroep niet worden ontvangen. HR verklaart de klager n-o in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0412
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02296

Datum 3 december 2019

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag van 19 maart 2019, nummer RK 19/732, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de klager.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het ingestelde beroep.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

Het cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van de Rechtbank, waarin het door de klager ingestelde beklag tegen de inbeslagname onder hem van een geldbedrag van in totaal € 740,15 ongegrond is verklaard.

2.2

De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

“Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Belgische onderzoeksrechter te Brugge is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op 29 januari 2019 binnengetreden in de woning van klager voor doorzoeking ter inbeslagneming. Onder klager is na machtiging van de rechter-commissaris tot het leggen van conservatoir beslag tot een bedrag van € 20.000,- op grond van een bevriezingsbevel - beslag gelegd op een roze tas met een geldbedrag van in totaal € 485,00 in verschillende coupures, alsmede een geldbedrag van € 255,15 aan muntgeld. Deze tas werd aangetroffen in een kast in de slaapkamer van klager. Klager wordt verdacht van twee diefstallen, begaan in 2016 in België.”

2.3

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een certificaat als bedoeld in art. 9 Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken betreffende onder andere de klager. Dit certificaat houdt onder meer het volgende in:

“Gegevens betreffende het voorwerp of bewijsstuk in de tenuitvoerleggingstaat waarop de beslissing tot bevriezing betrekking heeft:
(...)
Inbeslagname van gelden:
(...) een maximum totaal bedrag van 20.000,00 euro (...).
Exacte locatie van het voorwerp of bewijsstuk (...):
Niet gekend, mogelijk op verblijfplaats (...).”

2.4

De volgende wettelijke bepalingen zijn in het bijzonder van belang.

- Art. 552d, tweede lid, Sv:

“Beroep in cassatie kan door het openbaar ministerie worden ingesteld binnen veertien dagen na de dagtekening der beschikking, en door de klager binnen veertien dagen na de betekening.”

- Art. 5.5.6, eerste lid, Sv:

“De artikelen 552a, 552c tot en met 552d, eerste lid en 552e, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing, (...).”

2.5

De Rechtbank heeft - niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is weergegeven - vastgesteld dat het onder de klager gelegde conservatoir beslag op een geldbedrag van in totaal € 740,15 is gelegd op grond van een Europees bevriezingsbevel.

2.6

Volgens het in Titel 5 ‘Europees bevriezingsbevel’ opgenomen art. 5.5.6, eerste lid, Sv zijn enkele bepalingen uit Titel IX ‘Beklag’ van dat wetboek van overeenkomstige toepassing verklaard. Daaronder is echter uitdrukkelijk niet begrepen art. 552d, tweede lid, Sv.

2.7

Volgens art. 445 Sv staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald. Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat, kan de klager in het ingestelde beroep niet worden ontvangen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2019.