Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1809

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
18/04989
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:966
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onvoldoende zorg dragen voor onder zijn hoede staand gevaarlijk dier doordat verdachtes hond (kruising tussen Mastino en Amerikaanse Stafford) andere hond (Jack Russel) heeft aangevallen en gebeten, waardoor andere hond letsel heeft opgelopen, art. 425.2 Sr. Ontvankelijkheid h.b. Kan veroordeling Ktr t.z.v. overtreding, waarbij geen straf maar wel schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, worden aangemerkt als einduitspraak waarbij met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd a.b.i. art. 404.2.a Sv? Gelet op totstandkomingsgeschiedenis van art. 404 Sv getuigt ‘s Hofs oordeel dat vonnis van Ktr, inhoudende dat verdachte t.z.v. overtreding schuldig is verklaard zonder oplegging van straf maar aan haar wel schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, dient te worden aangemerkt als einduitspraak waarbij met toepassing van art. 9a Sr “geen straf of maatregel” is opgelegd a.b.i. art. 404.2.a. Sv, van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0386
NJB 2019/2633
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04989

Datum 19 november 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2018, nummer 22/001931-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt - onder verwijzing naar de opgelegde schadevergoedingsmaatregel - dat het Hof de verdachte ten onrechte op de voet van art. 404, tweede lid aanhef en onder a, Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep.

2.2.1

De Kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam heeft de verdachte ter zake van “geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier” met toepassing van art. 9a Sr schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Voorts heeft de Kantonrechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot het bedrag van € 5.432,80 te vermeerderen met de wettelijke rente en, met aanhaling van art. 36f Sr, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] tot het bedrag van € 5.432,80 te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis.

2.2.2

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de verdachte in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Ingevolge artikel 404, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte in beginsel geen hoger beroep open tegen een vonnis betreffende een overtreding waarbij met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel is opgelegd. Nu het bestreden vonnis op tegenspraak is gewezen doet zich de in het derde lid van voormeld artikel omschreven uitzondering niet voor, en gelet op het ten laste gelegde ook niet de uitzondering van het vierde lid. Een absoluut recht op hoger beroep bestaat niet, gelet op de jurisprudentie. Voor zover hier van belang is protocol 7, artikel 2 EVRM, niet door Nederland geratificeerd.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.”

2.3.1

De tenlastelegging is toegesneden op art. 425, aanhef en onder 2°, Sr, welk delict gelet op de plaatsing daarvan in het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht wordt aangemerkt als overtreding.

2.3.2

Met betrekking tot de mogelijkheid hoger beroep in te stellen tegen een overtreding luidt art. 404 Sv, voor zover hier van belang, als volgt:

“2. Tegen de vonnissen betreffende overtredingen, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken, tenzij terzake in de einduitspraak:

a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 50.”

2.3.3

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 44 RO - de voorloper van art. 404 Sv - komt naar voren dat het de bedoeling van de wetgever is geweest, “gelet op de (ruimhartige) Nederlandse traditie bij het toekennen van rechtsmiddelen”, de uitsluiting van het hoger beroep te beperken tot de “echte bagatellen”, waarbij de opgelegde sanctie doorslaggevend is geweest (Kamerstukken II 1997/98, 26 027, nr. 3, p. 5 en 6).

2.4

In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat het vonnis van de Kantonrechter, inhoudende dat de verdachte ter zake van een overtreding schuldig is verklaard zonder oplegging van straf maar aan haar wel een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, dient te worden aangemerkt als een einduitspraak waarbij met toepassing van art. 9a Sr ‘geen straf of maatregel’ is opgelegd zoals bedoeld in art. 404, tweede lid aanhef en onder a, Sv. Gelet op de tekst en de strekking van deze bepaling, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

2.5

Het middel is gegrond.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2019.