Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1808

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-11-2019
Datum publicatie
19-11-2019
Zaaknummer
18/02509
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:851
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2018:2517, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuldheling van auto en kentekenplaten (art. 417bis Sr). Is verdachte in die mate tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht naar de herkomst van de kentekenplaten dat hij met voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld? Gelet op vaststellingen van het Hof dat verdachte als bestuurder rijdend in een gestolen personenauto met - niet bij die auto behorende - gestolen kentekenplaten is aangetroffen, dat hij slechts over één - niet originele - autosleutel beschikte, dat hij niet heeft verklaard hoe hij aan de auto is gekomen en dat hij geen autopapieren heeft overgelegd, getuigt ’s Hofs oordeel dat verdachte onder die omstandigheden nader onderzoek naar de herkomst van de auto en de daarop aangebrachte kentekenplaten had moeten doen en dat hij, door dit achterwege te laten, in die mate is tekortgeschoten in de op hem rustende onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02508.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2019-0385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02509

Datum 19 november 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 mei 2018, nummer 20/002261-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt over de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de kentekenplaten redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 22 maart 2017 te Nuenen, gemeente Nuenen c.a., een personenauto en kentekenplaten voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal aangifte d.d. 7 maart 2017 (p. 45-48), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene] namens [slachtoffer 1] :
(p. 45-46)
Ik doe aangifte van diefstal van mijn auto. Op 5 maart 2017 om 22.30 uur zag ik mijn auto van het merk Volkswagen 1.2 TSI Style Bluemotion in de kleur grijs en voorzien van kenteken [kenteken 1] geparkeerd staan. Op 6 maart 2017 omstreeks 4.45 uur zag ik dat onze auto niet meer op de oprit stond. Onze auto bleek te zijn weggenomen.
(pg. 48 Bijlage goederen)

Merk/type: Volkswagen Golf
Kleur: grijs

Chassisnummer: [001]

2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 7 maart 2017 (p. 49-50), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben eigenaar van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] , chassisnummer [002] . Mijn auto stond op 5 maart 2017 om 20.00 uur geparkeerd op de [a-straat 1] te [plaats] . Op 6 maart 2017 om 8.00 uur zag ik dat van mijn auto 2 gele kentekenplaten waren weggenomen.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2017 (p. 43-44), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 22 maart 2017 reden wij over de Gerwenseweg te Nuenen. In tegengestelde richting reed een grijze Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] . Wij zagen in ons politie-systeem dat op 7 maart 2017 aangifte was gedaan van diefstal van kentekenplaten van een Volkswagen Golf tussen 5 maart 2017 om 20.00 uur en 6 maart 2017 om 8.00 uur.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat de bestuurder van het voertuig [verdachte] betrof. Wij hebben de bestuurder van het voertuig een stopteken gegeven. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , ben naar de voorzijde van het voertuig gelopen. Ik zag op mijn diensttelefoon dat het chassisnummer van het voertuig waarvoor de kentekenplaten met het kenteken [kenteken 2] zijn afgegeven [002] betrof. Ik zag onderin de voorruit een chassisnummer zitten. Ik zag dat dit chassisnummer [001] betrof. Ik heb vervolgens het chassisnummer [001] in de politiesystemen opgevraagd en zag dat het voertuig als gestolen stond gesignaleerd. Ik zag dat het kenteken voor dit voertuig [kenteken 1] betrof.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb aan [verdachte] gevraagd waar de autosleutels van het voertuig waren. Ik zag dat hij uit zijn broekzak twee sleutels pakte die aan een sleutelring zaten. Ik zag dat [verdachte] een van de twee sleutels van de sleutelring probeerde te halen. Ik zei tegen [verdachte] dat hij de sleutels aan de sleutelring moest laten zitten omdat deze in beslag waren genomen.

Wij, verbalisanten, hoorden [verdachte] zeggen: “Dat is mijn huissleutel”. [verdachte] overhandigde beide sleutels aan mij. Ik zag dat dit geen originele Volkswagen sleutel betrof.”

2.2.3

Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts het volgende overwogen:

“Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat slechts kan worden vastgesteld dat verdachte op 22 maart 2017 in de personenauto reed en dat dit nog geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid oplevert.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het begrip voorhanden hebben van een goed feitelijke zeggenschap ten aanzien van het goed veronderstelt. Daarvoor kan voldoende zijn dat verdachte het goed (letterlijk) onder zich heeft. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 22 maart 2017 als bestuurder rijdend in een gestolen personenauto met gestolen kentekenplaten is aangetroffen. Daaruit leidt het hof af dat verdachte op 22 maart 2017 een gestolen personenauto met gestolen kentekenplaten voorhanden heeft gehad.

Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte slechts over één autosleutel beschikte en dat dit geen originele autosleutel was van de Volkswagen waarin hij reed. Verdachte heeft niet verklaard hoe hij aan de auto is gekomen en heeft geen autopapieren overgelegd.

Het hof is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto waarin hij reed van diefstal afkomstig was evenals de daarop gemonteerde kentekenplaten. Verdachte had bij het ontbreken van een originele autosleutel naar het oordeel van het hof nader onderzoek naar de herkomst van de personenauto moeten doen. Hij heeft dat kennelijk niet gedaan. In dat geval immers had hij in de kentekenpapieren van de auto kunnen zien dat er niet bij de auto behorende kentekenplaten op die auto waren bevestigd.

Door onder voornoemde omstandigheden geen onderzoek te doen naar de herkomst van de personenauto en de kentekenplaten is verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn in deze geldende onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.”

2.3

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte als bestuurder rijdend in een gestolen personenauto met - niet bij die auto behorende - gestolen kentekenplaten is aangetroffen, dat hij slechts over één - niet-originele - autosleutel beschikte, dat hij niet heeft verklaard hoe hij aan de auto is gekomen en dat hij geen autopapieren heeft overgelegd. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat onder die omstandigheden de verdachte nader onderzoek naar de herkomst van de auto en de daarop aangebrachte kentekenplaten had moeten doen en dat hij, door dit achterwege te laten, in die mate is tekortgeschoten in de op hem rustende onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.4

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2019.