Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1785

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
19/02257
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:1438
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 8:42, art. 8:31 Awb, art. 47 AWR, informatiebeschikking, misbruik van bevoegdheid, niet overleggen van op de zaak betrekking hebbende stukken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-11-2019
V-N Vandaag 2019/2545
FutD 2019-2961
NTFR 2019/2872 met annotatie van V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
V-N 2019/55.21 met annotatie van Redactie
NLF 2019/2757 met annotatie van Mark Hendriks
BNB 2020/30 met annotatie van G.J.M.E. DE BONT
FED 2020/50 met annotatie van I.L.S. IJzerman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/02257

Datum 15 november 2019

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 april 2019, nr. 16/00008, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/270) betreffende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, nr. 14/04143, ECLI:NL:HR:2015:3602 (hierna: het arrest van 18 december 2015), is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (nr. 13/01199), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2 Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel ingediend.

Namens belanghebbende is de zaak schriftelijk toegelicht door F.H.H. Sijbers, advocaat te Den Haag. Daarbij is tevens belanghebbendes zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.

3 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

3.1.1

In het arrest van 18 december 2015 zijn onder 2.1 tot en met 2.1.7 de uitgangspunten in cassatie vermeld waarvan ook in dit beroep in cassatie kan worden uitgegaan.

3.1.2

De Inspecteur heeft stukken overgelegd aan de geheimhoudingskamer van het Hof en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Awb. De uitspraak van de geheimhoudingskamer van het Hof houdt in dat het beroep op geheimhouding deels gerechtvaardigd is. Vervolgens heeft de Inspecteur aan het Hof niet alle stukken toegezonden die volgens die uitspraak moesten worden verstrekt.

3.2.1

Voor het Hof was onder meer in geschil of de informatiebeschikking terecht is gegeven en welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

3.2.2

Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de door de Inspecteur gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende over de jaren vanaf 2006. Het Hof heeft het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur het onderzoek slechts heeft geëntameerd met het oog op het vaststellen van de fiscale positie van [A] Ltd (hierna: de Ltd) verworpen. De omstandigheid dat het informatieverzoek aanvankelijk is gedaan in verband met de in de aangifte vermelde hypotheekrente die was verschuldigd aan de Ltd, maakt dat niet anders. Belanghebbende moet de gevraagde informatie daarom verschaffen, aldus het Hof.

3.2.3

Met betrekking tot de sanctie van artikel 8:31 Awb heeft het Hof vooropgesteld dat uit de overgelegde stukken nog geen begin van bewijs is af te leiden dat de Inspecteur zijn bevoegdheid tot het vragen van inlichtingen en overleggen van stukken heeft misbruikt. De door de Inspecteur gevraagde informatie kan van belang zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende en het onderzoek was mede op diens belastingpositie gericht. Om die reden heeft het Hof geen aanleiding gezien aan het verzuim van de Inspecteur consequenties te verbinden. Daarbij heeft het Hof opgemerkt dat het de mogelijkheid dat de Inspecteur misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt niet kan beoordelen omdat het de niet vrijgegeven stukken/passages niet kent maar dat het vernietiging van de informatiebeschikking volstrekt ongewenst acht omdat dat zou leiden tot uitholling van de wettelijke controlemogelijkheden van de Belastingdienst.

3.3

Tegen de in 3.2.2 en 3.2.3 vermelde oordelen van het Hof richt zich het middel. Het betoogt dat het Hof ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan het feit dat de Inspecteur zich niet heeft geconformeerd aan de beslissing van de geheimhoudingskamer.

Middelonderdeel 1a houdt in dat het Hof ten minste de Inspecteur had moeten opdragen om stukken die per abuis, door een kopieerfout, niet zijn overgelegd, alsnog in te brengen.

Middelonderdeel 1b betoogt dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is voor wat betreft stukken die de Inspecteur met opzet niet heeft overgelegd. Het middelonderdeel herhaalt de voor het Hof aangevoerde stelling dat de Inspecteur misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden omdat de informatie in werkelijkheid is gevraagd om informatie te verkrijgen over de vestigingsplaats van de Ltd en om de aftrekbaarheid van de aan de Ltd betaalde hypotheekrente te beoordelen. Het Hof is daar ten onrechte niet op ingegaan, aldus het middelonderdeel, dat daarbij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.

3.4.1

In onderdeel 4.10 van de bestreden uitspraak is uiteengezet op welke gronden het Hof heeft vastgesteld dat de door de Inspecteur aan belanghebbende gestelde vragen, waarop de informatiebeschikking betrekking heeft, van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet in verdergaande mate worden onderzocht. Dat oordeel houdt een toereikend gemotiveerde verwerping in van de in hoger beroep betrokken stellingen, ook voor zover die stellingen inhielden dat de Inspecteur bij beantwoording van zijn vragen geen belang meer heeft omdat zij alleen betrekking hebben op de niet meer in geschil zijnde aftrekbaarheid van hypotheekrente.

3.4.2

Indien kan worden vastgesteld dat een op de artikelen 47 en volgende AWR berustend verzoek tot het verstrekken van informatie betrekking heeft op de belastingheffing ten aanzien van degene tot wie het verzoek is gericht, kan de enkele omstandigheid dat de door de Inspecteur verlangde informatie ook andere fiscale doeleinden kan dienen, niet tot het oordeel voeren dat de Inspecteur zijn in de artikelen 47 en volgende AWR gegeven bevoegdheden misbruikt.1
Daarom kan het Hof met zijn opmerking dat het verzuim van de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen de mogelijkheid openlaat dat die, ook aan het Hof niet bekende, stukken aanwijzingen voor het door belanghebbende gestelde misbruik bevatten, niet het oog hebben gehad op een vorm van misbruik van een aan de artikelen 47 en volgende AWR ontleende bevoegdheid die tot vernietiging van de bestreden informatiebeschikking zou kunnen leiden.

3.4.3

Ook voor het overige is het op artikel 8:31 Awb berustende oordeel van het Hof over de aan het verzuim van de Inspecteur te verbinden gevolgen niet onbegrijpelijk. Aangezien het Hof heeft vastgesteld in welk opzicht de in de bestreden beschikking bedoelde vragen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing ten aanzien van belanghebbende, ligt in zijn overwegingen besloten dat het verzuim alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen belanghebbende niet belemmert in diens mogelijkheden de gegrondheid van die beschikking te bestrijden, en het Hof niet verhindert die gegrondheid te onderzoeken.

3.4.4

Op het hiervoor overwogene stuit middelonderdeel 1b af. Middelonderdeel 1a kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel is gericht tegen de uitspraak van de geheimhoudingskamer van het Hof. Aangezien het middel in het principale beroep in cassatie geen doel treft, behoeft het bij gebrek aan belang geen behandeling.

5 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

De Hoge Raad

- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

- stelt belanghebbende een termijn van vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop

dit arrest is gewezen, om alsnog te voldoen aan de informatiebeschikking.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2019.

1 HR 8 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW8125