Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1784

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2019
Datum publicatie
15-11-2019
Zaaknummer
19/01112
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:773, Gevolgd
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHDHA:2019:340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Verhaalsrecht werkgever (art. 6:107a BW). Pensioenrecht. Valt de pensioenpremie die een werkgever verplicht heeft afgedragen tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer onder het loonbegrip van artikel 6:107a BW? Bestaat bij het verhaalsrecht reden verschil te maken tussen het werknemersgedeelte en het werkgeversgedeelte van de afgedragen pensioenpremie?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1213
PS-Updates.nl 2019-1302
NJB 2019/2557
RvdW 2019/1169
JAR 2019/313 met annotatie van Barentsen, B.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01112

Datum 15 november 2019

PREJUDICIËLE BESLISSING

In de zaak van

C. STEINWEG-HANDELSVEEM B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

VERZOEKSTER in hoger beroep,

hierna: Steinweg,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

tegen

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in hoger beroep,

hierna: HDI,

advocaten in de prejudiciële procedure: mr. J.P. Heering en mr. F.M. Dekker.

1. De prejudiciële procedure

Bij arrest in de zaak 200.197.908/01 van 26 februari 2019 heeft het gerechtshof Den Haag op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

HDI heeft schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen zoals onder 8 in de conclusie weergegeven.

2 Beantwoording van de prejudiciële vragen

2.1

Deze zaak gaat over de vraag of het door art. 6:107a lid 2 BW aan de werkgever toegekende recht op schadevergoeding jegens een aansprakelijke persoon ten bedrage van het door hem aan een zieke of arbeidsongeschikte werknemer betaalde loon, mede omvat de pensioenpremies die de werkgever heeft afgedragen ten behoeve van de werknemer.

Feiten

2.2

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten:

(i) In 2007 is een werknemer van Steinweg betrokken geraakt bij een verkeersongeval en daardoor arbeidsongeschikt geraakt.

(ii) HDI is de verzekeraar van de persoon die aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.

(iii) Steinweg heeft HDI aansprakelijk gesteld voor de loonschade die zij ten gevolge van het ziekteverzuim van haar werknemer heeft geleden. HDI heeft de aansprakelijkheid erkend en aan Steinweg een bedrag aan schadevergoeding betaald.

(iv) Partijen zijn het niet eens geworden over de vraag of HDI ook aansprakelijk is voor de pensioenpremies die Steinweg ten behoeve van de werknemer heeft afgedragen tijdens de periode van diens ziekteverzuim.

Vordering en prejudiciële vragen

2.3

In deze procedure vordert Steinweg van HDI vergoeding op grond van art. 6:107a lid 2 BW van de pensioenpremie die zij ten behoeve van haar werknemer heeft afgedragen gedurende diens ziekteverzuim. Zij vordert primair het totale bedrag aan pensioenpremie, subsidiair het werkgeversgedeelte daarvan en meer subsidiair het werknemersgedeelte daarvan.

2.4

De rechtbank heeft de vordering van Steinweg afgewezen. De rechtbank heeft, kort gezegd, geoordeeld dat het verhaal van de werkgever alleen het aan de werknemer betaalde nettoloon omvat. (rov. 5.2)

2.5

Het hof heeft, gelet op de onduidelijkheid die bestaat over de reikwijdte van het verhaalsrecht van de werkgever als bedoeld in art. 6:107a lid 2 BW, aanleiding gezien de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen:

“1. Valt de pensioenpremie die door een werkgever verplicht doorbetaald/afgedragen is tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer onder het loonbegrip van art. 6:107a BW?

2. Indien uit het antwoord op de eerste vraag voortvloeit dat er een verhaalsrecht is voor de in deze zaak aan de orde zijnde pensioenpremie, bestaat er dan reden om een verschil te maken tussen het werknemersgedeelte en het werkgeversgedeelte van de betaalde/afgedragen pensioenpremie?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

2.6

Art. 6:107a lid 2 BW bepaalt, kort gezegd, dat een werkgever die tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer verplicht is het loon door te betalen, jegens de persoon die aansprakelijk is voor de ongeschiktheid tot werken, recht heeft op schadevergoeding ten bedrage van het doorbetaalde loon. Het verhaal van de werkgever wordt in art. 6:107a lid 2 BW begrensd tot het zogenoemde civiele plafond. Dat is het bedrag waarvoor de aansprakelijke persoon jegens de werknemer aansprakelijk zou zijn bij het ontbreken van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever, verminderd met het bedrag aan schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de werknemer is gehouden.

2.7

In deze procedure moet allereerst de vraag worden beantwoord of de pensioenpremie die door een werkgever verplicht is afgedragen tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer, valt onder het loonbegrip van art. 6:107a BW.

2.8

Art. 6:107a BW ziet op het loon dat de werkgever op grond van art. 7:629 lid 1 BW of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid moet doorbetalen. Onder dit loon moet worden verstaan de vergoeding die de werkgever voor de bedongen arbeid is verschuldigd aan de werknemer.1 De werkgever houdt het werknemersgedeelte van de pensioenpremie in op de vergoeding die hij voor de bedongen arbeid is verschuldigd aan de werknemer.

Het werknemersgedeelte van de pensioenpremie behoort daarmee tot het loon in de zin van art. 6:107a BW. Daarin komt geen verandering door de daaropvolgende afdracht van de pensioenpremie aan een pensioenuitvoerder.

Het voorgaande ligt anders bij het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie. Dit houdt de werkgever niet in op de vergoeding die hij voor de bedongen arbeid is verschuldigd aan de werknemer.2 Verhaal voor het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie is niet mogelijk omdat dit niet valt onder het loonbegrip van art. 6:107a BW.

Met het voorgaande is nog niet de vraag beantwoord of het recht op schadevergoeding van de werkgever ten bedrage van het door hem betaalde loon in de zin van art. 6:107a lid 2 BW ook het werknemersgedeelte van de afgedragen pensioenpremie omvat.

2.9

Voor de toepassing van de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren heeft de Hoge Raad beslist dat als een ambtenaar overlijdt, bij de bepaling van het civiele plafond geen rekening gehouden dient te worden met inkomstenbelasting en premies voor de sociale verzekeringswetten omdat in de fictieve situatie de schade-uitkering in de regel niet onderworpen zou zijn aan belasting- of premieheffing.3 Dit is in het belang van de hanteerbaarheid van de wet en een zo eenvoudig mogelijke toepassing daarvan in de praktijk. Voor letselschade heeft de Hoge Raad dezelfde regel aanvaard.4 Deze regel geldt ongeacht of sprake is van tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid.5

2.10

In het arrest Revabo/Amev heeft de Hoge Raad beslist dat het voor de hand ligt art. 6:107a BW overeenkomstig de hiervoor in 2.9 genoemde rechtspraak uit te leggen en dat dit ook geldt voor doorbetalingen van loon waardoor het in art. 6:107a lid 2 BW bedoelde civiele plafond nog niet wordt overschreden.6 Deze beslissing komt erop neer dat, om de hiervoor in 2.9 genoemde redenen, het verhaalsrecht van de werkgever van art. 6:107a lid 2 BW geen betrekking heeft op ingehouden belasting en premies voor de sociale verzekeringswetten en dus is beperkt tot het nettoloon. Dat is bevestigd in het arrest NBM Rail/Amev.7

2.11

Uit de parlementaire geschiedenis van het verhaalsrecht van art. 6:107a lid 2 BW en van daarmee te vergelijken verhaalsrechten van het UWV en de Staat, zoals aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10-3.22, volgt dat de hiervoor in 2.9 en 2.10 genoemde rechtspraak bij de opvatting van de wetgever aansluit en dat de wetgever deze rechtspraak onderschrijft.

2.12

Het ligt voor de hand om, in aansluiting bij hetgeen is beslist voor op het loon ingehouden belasting en premies voor de sociale verzekeringswetten, art. 6:107a lid 2 BW zo uit te leggen dat de werkgever ook voor het op het loon ingehouden werknemersgedeelte van de pensioenpremie geen verhaal heeft en dus alleen een verhaalsrecht heeft voor hetgeen hij de werknemer netto uitbetaalt. Ook in dit verband geldt dat het belang van de hanteerbaarheid van de wet en een zo eenvoudig mogelijke toepassing daarvan in de praktijk, meebrengt dat geen rekening wordt gehouden met deze inhouding. In de regel is immers de werkgever, ook tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer, de gehele pensioenpremie aan de pensioenuitvoerder verschuldigd, en kan hij slechts het werknemersgedeelte van de premie op het brutoloon inhouden. In de fictieve situatie dat de werkgever het loon niet aan de werknemer doorbetaalt, omvat de schade van de werknemer die de aansprakelijke persoon aan hem moet vergoeden dan ook niet het werknemersgedeelte van de pensioenpremie.

2.13

Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt derhalve dat het werknemersgedeelte van de pensioenpremie die de werkgever verplicht heeft afgedragen tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van een werknemer, valt onder het loonbegrip van art. 6:107a BW. Het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie valt niet onder dit loonbegrip.

Het antwoord op de tweede vraag luidt dat art. 6:107a lid 2 BW zo moet worden uitgelegd dat de werkgever geen verhaalsrecht heeft voor het werknemersgedeelte van de pensioenpremie. Verhaal voor het werkgeversgedeelte van de pensioenpremie is alleen al daarom niet mogelijk omdat dit gedeelte van de pensioenpremie niet valt onder het loonbegrip van art. 6:107a BW.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- beantwoordt de vragen op de hiervoor in 2.13 weergegeven wijze;

- begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van HDI.

Deze beslissing is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 15 november 2019.

1 HR 12 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3681, rov. 3.8 (Huize Bethesda).

2 Zie ook Kamerstukken II 1969/70, 10245, nr. 5, p. 2.

3 HR 13 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC3329.

4 HR 27 november 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0092.

5 HR 25 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1288.

6 HR 24 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7002, rov. 4.4.

7 HR 13 februari 2004, ECI:NL:HR:2004:AN8600, rov. 4.2.