Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2019:1765

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-11-2019
Datum publicatie
12-11-2019
Zaaknummer
17/03289
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1159
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met geweldpleging door vermoedelijke woninginbrekers naar woning van medeverdachte te lokken en hen vervolgens vast te binden, met vuurwapens te bedreigen, te slaan, te trappen en hun zakken leeg te halen, art. 312.2.2 Sr. Beslissing tot bewaring van onder verdachte inbeslaggenomen horloge en geldbedragen t.b.v. rechthebbende, art. 353.2.c Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 17/03544, 18/02859 (niet gepubliceerd; art. 81.1 RO) en 18/04081 (niet gepubliceerd; art. 80a RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2019/1184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/03289

Datum 12 november 2019

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 juni 2017, nummer 23/001040-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2019.